Verslag

Werkt de wijkaanpak wetenschappelijk?

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

Het is een warme zomeravond op dinsdag 18 juni. Meer dan 50 geïnteresseerden hebben de terras-verleiding weerstaan om in de Eggertzaal van de Nieuwe Kerk te luisteren naar Vasco Lub, die zijn onderzoek ‘Schoon, heel en werkzaam?’ komt presenteren. Lub heeft in opdracht van Movisie onderzoek gedaan naar de effectiviteit van projecten gericht op buurtleefbaarheid in heel Nederland. Dit onderzoek heeft nogal wat stof doen opwaaien, omdat Lub tot de conclusie is gekomen dat veel goed-bedoelde sociale projecten niet het effect bereiken waar ze oorspronkelijk voor in het leven zijn geroepen. De commotie heeft Lub zelf nogal verbaasd, zo begint hij te vertellen. Desalniettemin is hij blij met de aandacht voor zijn onderzoek. Hij komt zo in de gelegenheid om in verschillende steden in gesprek te gaan met professionals over zijn bevindingen. Zo staat hij nu als rasechte Rotterdammer voor een zaal vol Amsterdammers, die bestaat uit een mix van buurtprofessionals, onderzoekers en beleidsmakers, zo blijkt na een snelle peiling van dagvoorzitter Patrick van Beveren.

‘Schoon, heel en werkzaam?’
Lub legt uit dat leefbaarheid vaak wordt begrepen, en ook getoetst, als subjectieve veiligheid. Het gaat hier om het gevoel dat bewoners hebben bij hun buurt. Als er veel jongerenoverlast en burenruzies voorkomen in de wijk, als huizen en voortuinen slecht worden onderhouden, voelen mensen zich al snel minder veilig in hun leefomgeving. Om de buurt schoon, heel en veilig te maken, initieert de gemeente samen met partners verschillende projecten, die enerzijds met toezicht te maken hebben, zoals preventief fouilleren en cameratoezicht, en anders sociaal van aard kunnen zijn. Lub heeft zich in zijn onderzoek gericht op deze sociale projecten, rondom vijf thema’s: contactstimulering, burgerbestuur en buurtpreventie, straatcoaches, gedragscode projecten en wijksport. Rondom deze thema’s heeft Lub een literatuuronderzoek uitgevoerd naar de beschikbare evaluaties van projecten in verschillende steden. Hij heeft bekeken wat de initiële aannames waren bij deze projecten, en die getoetst op hun haalbaarheid. Wat wilde men oorspronkelijk bereiken met het project en is dit ook bereikt? En: als je kijkt naar wetenschappelijk onderzoek, hoe plausibel is het dan dat het beoogde effect bereikt zal worden? Lub heeft niet alleen de evaluaties uit projectbanken onder de loep genomen, maar de verschillende projecten ook getoetst aan de hand van bestaand sociaal wetenschappelijk onderzoek.

Conclusie: veel beoogde resultaten worden niet gehaald
Lub is tot de conclusie gekomen dat veel sociale projecten niet de resultaten behalen die initieel beoogd waren. Zo stelt hij dat projecten die gericht zijn op contact-stimulering, zoals buurt-barbecues, niet direct bijdragen aan een verbetering van de leefbaarheid, omdat het niet wetenschappelijk bewezen is dat meer contact tussen bewoners ook leidt tot meer sociale controle in de buurt. Sociale cohesie is eerder het gevolg, dan de oorzaak van een goede leefomgeving. Projecten rondom burgerbestuur blijken een beperkte invloed te hebben op de leefbaarheid in de wijk, omdat inspraakorganen voor bewoners vaak één type bewoner aantrekken en daardoor weinig representatief zijn voor verschillende soorten bewoners met verschillende visies op wat belangrijk is in de buurt. Ook vanwege de botsende logica’s van bewoners en gemeentelijke instellingen, leiden zulke initiatieven niet vanzelfsprekend tot het direct inzichtelijk maken van de problematiek in de buurt. Eenzelfde diversiteit aan bewoners-visies, leidt ertoe dat gedragscode projecten vaak ook weinig effectief zijn. Verschillende mensen hebben verschillende ideeën over beschaafd gedrag, en het blijkt lastig om die verschillende opvattingen binnen één code met elkaar te verenigen. Buurtpreventie-teams waar bewoners zelf aan deelnemen hebben een behoorlijk positief effect op het veiligheidsgevoel in de wijk, maar de inzet van straatcoaches leidt daarentegen niet tot een aantoonbare afname in de jeugdcriminaliteits-cijfers. De cijfers lijken eerder beïnvloed te worden door heel andere factoren, zoals de jaargetijden en de vakantieperioden van jongeren. Tot slot is ook niet aangetoond dat sportactiviteiten een positieve invloed hebben op de integratie en het normen- en waardenpatroon van jongeren. Uit onderzoek blijkt dat sport sowieso een kleine invloed heeft op menselijk gedrag. Uit Amerikaans onderzoek blijkt zelfs dat vechtsporten de agressiviteit van jongeren kunnen verhogen, en niet leiden tot nieuwe contacten buiten de bestaande vriendengroepen van jongeren. Alleen wanneer sportprojecten worden gekoppeld aan een duidelijk pedagogisch programma, kan men spreken van een positieve impact op het morele gedrag van jongeren.

Magere theoretische basis van veel projecten
Veel van de projecten die Lub heeft onderzocht blijken een matige theoretische basis te hebben. Er wordt te weinig gebruik gemaakt van wetenschappelijke kennis en aannames over het effect van de interventie worden onvoldoende onderbouwd, aldus Lub. Naast meer interactie met de wetenschap in het voortraject van projecten, raadt Lub beleidsmakers ook aan om zich op andere doelen te richten. Hij denkt dat projecten die zich richten op het organiserend vermogen van bewoners meer kans van slagen hebben dan projecten die gericht zijn op sociale netwerken. Het gaat er niet alleen om dat bewoners contacten leggen, maar vooral om de kwaliteit van die contacten. Hoe geef je omgang vorm in de wijk en hoe zet je contacten in voor verbetering? Bewoners zouden moeten leren om bovenlokale hulpbronnen aan te spreken die zich kunnen bemoeien met de problematiek in hun wijk. Deze aanpak kan alleen werken, als de overheid ook haar verantwoordelijkheid neemt om de zwaarste problematiek in de wijk aan te pakken, voordat zij zich richt op het stimuleren van actief burgerschap onder bewoners. Burgers kunnen niet alles wat speelt in de buurt zelf aanpakken, en hebben steun van de overheid nodig om de ergste verloedering, criminaliteit en armoede-problematiek tegen te gaan. Lub zou ook graag meer aandacht zien voor duurzaam sociaal werk dat is gericht op een integrale aanpak van de wijk, in plaats van een focus op beleidsmodes en symboolpolitiek. Politici lijken vaak uit projecten te willen halen wat in hun straatje past. Hierdoor wordt vaak zeer positief gereageerd op projecten terwijl de effectiviteit helemaal niet is aangetoond.

Reactie van Hettie Politiek
In een reactie op Lub, stelt Hettie Politiek, verantwoordelijk voor de wijkaanpak in Amsterdam, dat veel projecten die Lub benoemt waren ingegeven door een maakbaarheidsideaal. Voor de recente bezuinigingen was er veel geld beschikbaar voor nieuwe, linksgeoriënteerde initiatieven, die bewoners meer eigen kracht zouden geven in de buurt. Er werd minder gevraagd wat deze projecten nu precies op zouden leveren. Bij zulke projecten kwam ook veel politieke emotie kijken, die werd ingegeven door de wens naar sociale stijging, en de wens om bewoners te verheffen boven de problematiek in de buurt. Politiek is het met Lub eens dat het belangrijk is om dergelijke initiatieven meer op hun haalbaarheid en effecten te toetsen. Maar effectiviteit is niet de enige factor die meespeelt in de beleidspraktijk, er wordt ook gekeken wat politiek correct is. Het interveniëren in het privéleven van burgers kan heel efficiënt zijn, maar stuit ook op morele bezwaren. Je kunt overlastgevende jongeren niet allemaal gedwongen op zomervakantie sturen, bijvoorbeeld. Burgers moeten er wel behoefte aan hebben om gecoacht te worden in projecten, willen ze blijvend effect hebben. Politiek stelt dan ook dat het belangrijk is voor politici om hun eigen maakbaarheidsidealen te bevragen. De wijkaanpak manoeuvreert tussen de vraag wat een goed verhaal oplevert, en wat daadwerkelijk meetbaar effect heeft. Bovendien vallen het eigen handelingsperspectief en de betrokkenheid van bewoners misschien niet altijd te meten op hun effectiviteit.

Reacties
Uit verschillende reacties uit de zaal bleek dat het ook belangrijk is om te kijken naar de beleving van bewoners rondom sociale projecten, en niet alleen naar hun effect op de cijfers. De persoonlijke verhalen van bewoners zijn net zo goed belangrijk, naast buurtstatistieken. Bovendien zou er onderscheid gemaakt moeten worden tussen projecten die bewoners zelf initiëren en projecten die ingegeven worden door het maakbaarheidsideaal van beleidsmakers. Het is dan ook de vraag wat we verstaan onder de buurt. Geven de cijfers op buurtniveau wel alles weer wat er gebeurt in de buurt? Met deze interessante en prikkelende vraag werd de bijeenkomst afgesloten.

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+