Verslag

De Vierde Dinsdag in September

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

Tijdens Prinsjesdag 2013 introduceerde de regering de term ‘participatiesamenleving’. Op uitnodiging van het Kennisnetwerk Amsterdam kwamen op 24 september Hans van Harten (Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties), Dick Oudenampsen (Verwey Jonker Instituut) en Rob van Eupen (Dienst Werk en Inkomen) uitleg geven over wat de kabinetsplannen voor implicaties hebben voor wonen, zorgen en werken in Amsterdam.

Wonen
Na een korte introductie van dagvoorzitter Sandra Rottenberg trapt Federatie-directeur Hans van Harten af met de opmerking dat voor de corporaties het belang van Prinsjesdag wat tegen valt. Veel was al geregeld in het Regeerakkoord, het Woonakkoord of de afspraken tussen minister Blok en Aedes. Kort en goed: de sociale huursector zit in zwaar weer. Corporaties gaan via de verhuurdersheffing meebetalen aan het begrotingstekort maar mogen hiertoe wel hun huren verhogen. Overigens doen corporaties zelf ook al zoveel mogelijk om te besparen. In Amsterdam gaat dit om een verlaging van de bedrijfslasten van ca. 20%. Daarnaast wilde minister Blok het werkgebied van de corporaties terugbrengen naar haar ‘kerntaak’. Dit zou het werken in gedifferentieerde wijken en de opbouw van een middensegment onmogelijk maken. Het plan van Aedes is nu om het verzet tegen de heffing op te geven in ruil voor het niet verplicht splitsen van de corporaties in een marktdeel en een sociaal deel.

Het grote gevaar van de komende jaren is volgens Van Harten “de tragiek van de stadsontwikkeling. Je ziet de gevolgen pas vele jaren later.” In de jaren-70 werden de gevolgen van jaren van stedelijke verwaarlozing bijvoorbeeld zichtbaar door de verpauperde binnensteden. Gelukkig was er toen geld om dit aan te pakken. De afgelopen jaren is er veel geld in de steden geïnvesteerd en hebben corporaties heel veel geld in renovaties van panden en in nieuwbouw gestoken. Misschien soms wel teveel geld, waardoor panden onrendabel zijn geworden. Met de participatiesamenleving wil premier Rutte dat mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen geholpen worden door anderen, bijvoorbeeld door de AWBZ deels te vervangen door mantelzorg. Maar, wanneer je niet voor jezelf kunt zorgen, dan moet er juist meer geld naartoe. Wanneer corporaties zich minder met het middensegment bezig mogen houden, dan wordt het werkveld van corporaties steeds meer de sector waar ziek, zwak en misselijk bij elkaar terecht zullen komen. ‘De stad zal minder ongedeeld worden’ aldus Van Harten.

In Amsterdam zijn de gevolgen de komende jaren concreet dat huurders meer gaan betalen en dat het verschil tussen de huurprijzen binnen en buiten de Ring groter wordt. Er zal binnen de Ring kleiner gebouwd worden, betaalbare studio’s bijvoorbeeld. De grootschalige aanpak door sloopnieuwbouw zal worden ingeruild door renovatie en gebouwen zullen al dan niet tijdelijk getransformeerd worden naar een woonfunctie.

Daarnaast stimuleren de corporaties de zelfwerkzaamheid, bijvoorbeeld bewoners die zelf het portiek schoonhouden. Of de studenten die ‘zelf’ het ACTA-gebouw runnen. Maar er is een paradox: de sociale huursector wordt steeds meer de sector voor laagstbetaalden en kansarmen. En die hebben vaak meer begeleiding en zorg nodig. En kosten dus meer geld.

Zorgen
De tweede spreker was Dick Oudenampsen, senior onderzoeker op het gebied van zorg bij het Verwey Jonker Instituut. Oudenampsen begint met vast te stellen dat decentralisatie van de zorg het credo van het kabinet is, bijvoorbeeld voor wat betreft de AWBZ. Dit biedt kansen en bedreigingen.

Allereerst de kansen. Gemeenten zijn – theoretisch – in staat tot een meer doelmatigere en effectievere inzet van de zorg. Dit domweg doordat de afstand tussen gemeente en cliënt kleiner is. Daarnaast worden er nu allerlei vormen van zorg geconcentreerd, bijvoorbeeld de AWBZ en de Jeugdzorg. Dit biedt ook kansen op het gebied van doelmatigheid. Tegelijkertijd maakt de decentralisatie een hele hoop lokale energie los. Wethouders die staan te springen om de zorg in juist hun gemeente goed en efficiënt te regelen en daarmee concurreren met andere gemeenten. Cliënten inspraak en medezeggenschap vallen lokaal ook beter te realiseren dan op een centraal niveau. De zorg kan dus ook meer democratische legitimiteit krijgen.

Maar er zijn ook bedreigingen. Sommige gemeenten gaan met elkaar de zorg regelen in een supra-gemeentelijk samenwerkingsverband. Dit samenwerkingsverband onttrekt zich goeddeels aan het zicht van de gemeenteraden, waardoor de democratische controle afneemt. De cliëntenparticipatie op lokaal niveau richt zich primair op advies en inspraak en niet op belangenbehartiging. Dit zorgt ervoor dat mensen die voor zichzelf op kunnen komen inspraak hebben en mensen die zichzelf niet kunnen redden, niemand meer hebben die voor hen opkomt. Van een hele andere orde zijn de ca. 78.000 intramurale cliënten die de komende jaren (weer) in eigen huizen gaan wonen. En dus voor een grote leegstand van instellingen zorgen.

Dit kabinet leunt met haar idee van de participatiesamenleving sterk op informele zorg. Maar de overheid heeft juist op dat gebied weinig sturingsmogelijkheden. Daarbij komt dat de verwachtingen van de overheid van burgers – wie pakt wat op qua zorg – anders zijn dan de verwachtingen van burgers zelf. Daarnaast zit er een onverholen moralisme in de terminologie, bijvoorbeeld de nadruk op ‘eigen kracht’. Een incidentele faux pas van de VNG (‘stel mantelzorg verplicht’) helpt vervolgens niet mee. Burgerschap wordt daarmee een last. En: er gebeurt al heel veel door burgers, mantelzorgers en vrijwilligers. Dat moet alleen nog wel (meer) door de overheid gewaardeerd worden.

Werken
Tot slot nam Rob van Eupen van de Dienst Werk en Inkomen ons – kort – mee langs de gevolgen voor werken in Amsterdam. Volgens Van Eupen zijn we een weg opgeslagen waar geen terugweg meer mogelijk is. De gemeentelijke overheden hebben zelf om de participatiewet gevraagd. Daarin staat nadrukkelijk dat gemeenten een tegenprestatie voor een uitkering kunnen vragen. Echter, de grootste groep van Amsterdamse uitkeringsgerechtigden komt niet aan een baan. Zeker nu niet. Wat voor tegenprestatie verwachten we van hen? Hoe kleed je dat in als overheid? Desalniettemin biedt deze tijd ook kansen. De Dienst Werk en Inkomen doet het tegenwoordig met veel minder geld, en cliënten merken daar niets van. Ook is het makkelijker om coalities in de wijk aan te gaan, en met werkgevers. Van Eupen besluit een krachtig pleidooi om met elkaar weer op te gaan bouwen, hoe weinig middelen er soms ook lijken te zijn.

Reacties vanuit het publiek
Na deze drie betogen was het tijd voor een vragenronde vanuit het publiek. Door diverse aanwezigen worden de zorgen geuit over de verschillen die groter dreigen te worden tussen het Amsterdam binnen en het Amsterdam buiten de Ring. Daarnaast wordt opgemerkt dat er een groot verschil is tussen een helpende hand en een zorgende hand. Een helpende hand kan bij uitstek bestaan uit mantelzorgers, maar de zorgende hand is een primaire overheidstaak.

Maribi Gomez, directeur van de Vrijwilligers Centrale Amsterdam, merkt op dat het ook zinvol kan zijn om met buitenstaanders naar problemen te kijken. Zij komen wellicht met andere oplossingen en zo boor je de power aan die in de stad aanwezig is. Ook biedt dat de kans om met nieuwe vergezichten te komen die perspectief bieden.

Conny Heemskerk, werkzaam bij Ymere, vindt dat de huidige tijd negatieve kanten heeft, zij heeft bijvoorbeeld afscheid van veel collega’s moeten nemen. Maar de crisis biedt ook positieve kanten, maakt veel energie en kracht los. Ymere ondersteunt dan ook graag initiatieven van anderen die hieruit voortkomen.

Jan Hoeks, lid van de Gemeenteraad voor GroenLinks, vindt dat we zelf als samenleving de keuzes hebben gemaakt die tot het huidige beleid hebben geleid. De term participatiesamenleving is bovendien een pleonasme. Het zou juist over de ‘participatieoverheid’ moeten gaan! Hoe inventariseren we bij burgers wat de behoeften zijn, hoe gaan we hen verleiden?

Rob van Eupen merkt op dat ook hij een burger is. Ambtenaren zijn geen abstracte personen die buiten de samenleving staan, maar gaan ook naar een ziekenhuis, brengen hun kinderen naar school en sluiten hypotheken af.

Een aanwezige klantmanager van DWI merkt op dat de gevraagde tegenprestaties soms niet gemeten kunnen worden. Sommige klanten verrichten vrijwilligerswerk of doen andere nuttige bezigheden, maar kunnen toch niet werken. Is dat dan afdoende? Juist een club als DWI moet volgens de regels functioneren.

Volgens Dick Oudenampsen ontstaat er ook een circuit van informele wederdiensten tussen burgers onderling, bijvoorbeeld een buurtcrèche. Maar, je moet dan als overheid wel risico’s durven nemen en niet meer vasthouden aan alle regels.

Els Verdonk, dagelijks bestuurder van Stadsdeel Nieuw-West (PvdA), is van mening dat we iedereen gelijke rechten willen geven en dus met generieke maatregelen komen. We moeten veel meer naar maatwerk toe en af van het idee dat we allemaal ergens ‘recht’ op hebben. Moeten we voor iedereen wel een rollator vergoeden, of de thuishulp die voorheen een particuliere werkster was.

Dagvoorzitter Sandra Rottenberg besloot vervolgens de middag met een samenvatting en de oproep dat we vooral over de schotten heen moeten kijken, zowel tussen overheden en diensten onderling als tussen die van burger en professional, de participatieoverheid dus. Tijdens de aansluitende borrel werd vervolgens door de aanwezigen nog uitgebreid nagepraat en een begin gemaakt met de participatieoverheid.

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+