Verslag

Wie is de participatieburger?

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

Op 31 oktober verzamelden meer dan 50 geïnteresseerden zich in Studio/K aan het Timorplein in Oost om op zoek te gaan naar ‘de’ participatie-burger. Het kabinet introduceerde deze term afgelopen Prinsjesdag om aan te geven dat de verhouding tussen overheid en burger drastisch gaat veranderen. Daardoor verandert de welvaartsstaat in een participatiesamenleving.

Op de afgelopen bijeenkomst hebben we geduid wat de kabinetsplannen inhouden voor wonen, zorgen en werken in Amsterdam. Tijdens deze bijeenkomst gaan we de diepte in: wie is die burger en hoe ziet zo’n participatie-model er in twee hele concrete cases uit?

Dagvoorzitter Sandra Rottenberg heet de aanwezigen van harte welkom. Na een kleine peiling onder het publiek blijken velen werkzaam te zijn bij een corporatie, de stadsdelen en gemeentelijke diensten. Maar er zijn ook vertegenwoordigers van bewonersorganisaties, onderzoekers en studenten.

De inhoudelijke aftrap van de middag wordt gegeven door Jeroen Slot, directeur van het gemeentelijke Bureau O&S. Aan hem de schone taak om nadere duiding te geven aan het begrip ‘participatie-burger’. Slot begint zijn betoog met vast te stellen dat Amsterdam het de afgelopen 15 jaar economisch beter heeft gedaan dan Nederland en de EU. Er zijn dan ook verbeteringen op tal van terreinen geboekt: meer en betere woningen, sterke groei van werkgelegenheid en ondernemerschap, een hoger opgeleide bevolking, meer veiligheid en een verhoogd veiligheidsgevoel en een hogere tevredenheid. De afgelopen acht jaar is de Standaard Leefsituatie-index (SLI) voor het geheel van Amsterdam toegenomen van 100 naar 102, een lichte stijging dus. Maar, dit komt sec ten goede aan hoger opgeleiden. Lager en middelbaar opgeleiden hebben geen lagere index gekregen, maar zijn gelijk gebleven. De vooruitgang van Amsterdam in de afgelopen jaren is dus – gemiddeld – alleen ten goede gekomen aan de hoger opgeleiden.

Amsterdam is een sterk stad. Maar ook sterk genoeg voor een diepe crisis, die langer duurt dan gedacht? Slot identificeert drie risico’s: de woningmarkt, groeiende verschillen en nieuwe kwetsbare groepen. Al met al worden de verschillen groter: tussen binnen en buiten de Ring en het IJ, tussen huurders en kopers, tussen niet-Westerse allochtone jongeren en autochtone jongeren.

Wat zegt dit over de participatie-burger? De afgelopen jaren is er een beweging ontstaan die de stad als een heilzame entiteit ziet. Zie bijvoorbeeld Triumph of the city door Edward Glaeser. Een grote stad heeft veel verschillende inwoners, diversiteit en creativiteit gaan hand in hand, de grote stad zorgt voor extra werkgelegenheid, voor sociale experimenten en voor een algehele vooruitgang. In Nederland merken onderzoekers als Nico de Boer en Jos van der Lans op dat de stad uiteen barst van de sociale, bruisende initiatieven. Instituties kunnen het niet meer, burgers doen het weer zelf!

De vraag is of de hele stad hieraan mee kan doen. De ‘doe-democratie’ is geen succes in armere wijken. Sociaaleconomische achtergronden van bewoners kunnen, evenals de sociale cohesie, tot op zeker hoogte voorspellen of een burgerinitiatief kans van slagen heeft. Maar, een one-size-fits-all-strategie zal niet voor alle bewoners werken. Dit blijkt onder andere uit onderzoek van TNS NIPO naar aanleiding van Prinsjesdag.

De stad kan heel goed als laboratorium fungeren voor sociaal doe-het-zelven. De stad is ook een innovatiemachine, bijvoorbeeld voor wat betreft ongekende mogelijkheden die technologische vernieuwingen bieden. Maar…. we moeten ons daarbij wel afvragen wat de buurt kan, wat Europa, Den Haag en de gemeente niet kunnen? Met andere woorden, waarom zou een buurt bepaalde problemen wél op kunnen lossen die door andere niveaus níet opgelost kunnen worden? Daarop aansluitend: wat betekent de overgang van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving? De informele zorg neemt bijvoorbeeld al jaren toe, de afgelopen 10 jaar steeg het percentage Amsterdammers dat informele zorg verleent van 33% naar 42%. Hoeveel meer kan dit nog worden? Hoeveel kan de overheid en de samenleving van haar burgers verwachten?

Met deze prikkelende gedachten in het achterhoofd, splitst het publiek zich op om zich over twee concrete cases op het gebied van de overgang naar de participatiesamenleving te buigen.

De ene case wordt gepresenteerd door Kees Onderwater, zelfstandig adviseur en innovator, en Petra Nieuwlaat, manager van de dagactiviteiten GGZ bij Cordaan. De case gaat over Centrum Kijkduin. oorspronkelijk een activiteitencentrum midden in Bos en Lommer. Dit centrum wordt momenteel omgevormd tot een Bruishuis. In dit Bruishuis is zowel plek voor de ‘oude’ doelgroep, als voor de GGZ cliënten van een andere locatie en voor buurtinitiatieven / buurtondernemingen. Dit zorgt voor onrust onder velen van de deelnemers: de cliënten hebben geen ‘eigen’ veilige plek meer, de buurtbewoners hebben soms moeite met de GGZ cliënten en iedereen voelt zich soms een sociaal experiment. Ook de medewerkers vinden de veranderingen soms moeilijk, bijvoorbeeld doordat het Bruishuis veel meer gaat om ‘zorgen dat’ in plaats van het oude ‘zorgen voor’. Ook het management ondervindt problemen, bijvoorbeeld door de verschillen tussen systeembelangen en belangen van deelnemers en de afwegingen tussen de belangen van verschillende groepen. Dit alles gaat ook nog gepaard onder de nodige tijdsdruk. De concrete vraag van de case-inbrengers is: welke voorwaarden zijn nodig om burgerkracht en inclusieve wijkontwikkeling te bevorderen en hoe kan een grote instelling als Cordaan aan deze voorwaarden voldoen?

Vanuit het publiek komt allereerst het breed gedragen compliment voor zoveel openheid over de problemen binnen een organisatie. Andere reacties zijn dat het een traject van de lange adem is, maar dat er ook een nadruk op de buurt en de bewoners moet zijn, in plaats van op processen. En dat het heel belangrijk is dat er van onderop wordt meegedacht, in plaats van bovenaf opgelegd. Ook komt de vraag op wat quick wins kunnen zijn? Onderwater antwoordt dat dit bijvoorbeeld het besef is dat de omgeving een leeromgeving is, waar fouten gemaakt mogen worden. De conclusie van deze case is dat er niet een lijstje met voorwaarden te geven is, maar dat het van groot belang is dat organisaties zo min mogelijk naar binnen gekeerd zijn en met respect voor eenieder te werk gaan.

De tweede case wordt ingebracht door Marjan ter Pelle, werkzaam bij de Dienst Wonen, Zorg en Samenleven. Ter Pelle houdt zich bezig met het monitoren van huisuitzettingen. In Amsterdam wordt veel gedaan om huisuitzettingen te voorkomen. De woningbouwcorporaties schakelen in een vroeg stadium programma’s als “Erop af” en “Vroeg erop af”, de maatschappelijke dienst, en de GGD in. Als dit niet baat en de huisuitzetting niet langer te voorkomen is, komt het dossier bij Marjan ter Pelle terecht. Ze presenteert een schrijnend geval van een alleenstaande moeder met zes kinderen, waarvan één gehandicapt kind. Vanwege een torenhoge belastingschuld heeft de overheid beslag gelegd op haar inkomen en leeft ze onder het bestaansminimum. Door een huurachterstand dreigde zij twee jaar geleden al uit huis te worden gezet, en de zaak is nog steeds niet afgerond. Ter Pelle presenteert deze case om aan te geven dat aan de crisis en de terugtrekkende overheid ook risico’s zijn verbonden. Niet alle burgers redden het op eigen kracht, en mensen zoals deze moeder die uit huis dreigt te worden gezet is daar een voorbeeld van. Marjan ter Pelle vertelt dat dit aan verschillende factoren ligt. Hulpverleners reageren niet altijd adequaat en dossiers worden soms niet goed overgedragen van de ene naar de andere instantie. In het geval van de case van vandaag ging er veel mis in de communicatie. Zij werd in eerste instantie pas een dag voor de ontruiming op de hoogte gesteld door de betreffende corporatie, de schuldhulpverlening had het dossier niet op orde en er was nog niet gedacht aan een zorg-hulp contract en gezinsvoogd voor multi-probleem gezinnen. Tegelijkertijd werkte de moeder in kwestie ook niet mee. Ze kwam vaak niet opdagen bij afspraken. Ter Pelle benadrukt dat hulpbehoevende burgers vaak ook zelf informatie achter houden. Zij nam dit geval in behandeling en kwam er achter dat er zestien partijen bij dit gezin betrokken waren, maar dat er geen centrale regie viel aan te wijzen. Op haar aanraden werd er een stevige gezinsvoogd aangesteld om de crisis te bedwingen. Helaas werd de overdracht van de zaak wederom niet goed geregeld toen zijn opdracht ophield na acht maanden, en probeert Ter Pelle nu nog steeds een meer duurzame oplossing te zoeken voor het gezin.

De case-vraag is wat de overheid nog meer zou kunnen doen dan nu al gebeurt om zulke multi-probleem gevallen op de rails te houden? Ter Pelle denkt zelf dat in zulke gevallen naast het aanboren van de eigen kracht van mensen ook drang en dwang van de overheid nodig is, maar dit kost de gemeenschap natuurlijk veel geld. Een aantal deelnemers wijzen op de stut-functie die vrienden, kennissen en familie zouden kunnen vervullen. Eigen kracht is immers niet alleen individueel, maar wijst ook op het netwerk van mensen dat aangesproken zou kunnen worden. Ook wordt gewezen op de mogelijk vruchtbare inzet van ervarings-deskundigen, die zichzelf uit een probleem-situatie hebben gered en advies en steun aan anderen zouden kunnen geven. Er wordt benadrukt dat het heel belangrijk is bij zulke multi-probleem gevallen dat de juist persoon contact zoekt, die ook volhoudt en de complexiteit van de situatie kan begrijpen. Een persoonlijke klik tussen de cliënt en de hulpverlener is belangrijk voor het bieden van geslaagde steun. Ervarings-deskundigen die wat ouder zijn en de situatie herkennen kunnen hier een belangrijke bijdrage aan leveren.

Na deze twee cases is het de hoogste tijd om aan de bar verder te praten over het onderwerp dat iedereen nog lange tijd bezig zal houden.

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+