Verslag

In gesprek met Pastors en Tonkens

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

Marco Pastors is 2012 directeur van de Gebiedsgerichte aanpak Rotterdam Zuid. Op 12 juni ging hij tijdens het inhoudelijk intermezzo van de jaarvergadering van het Kennisnetwerk Amsterdam in gesprek met Evelien Tonkens, Hoogleraar Burgerschap en Humanisering van Instituties en Organisaties aan de Universiteit voor Humanistiek, over de participatiesamenleving en de rol van de overheid daarin. Wanneer is er sprake van ‘gulzig bestuur’?

Rotterdam Zuid heeft ruim 200.000 inwoners, en is daarmee qua inwoneraantal de vijfde gemeente van Nederland. De woningen die er staan zijn eind 19e eeuwse arbeiderswoningen, die jarenlang niet zijn aangepast aan de eisen van de tijd. De wijk is mede daardoor de afgelopen decennia in verval geraakt en tot een achterstandsgebied geraakt, waarvan de problematiek voor de gemeente Rotterdam niet aan te pakken is zonder extra middelen. In 2011 heeft toenmalig minister Van der Laan de problemen in de wijk prioriteit gegeven, en is de kwaliteitssprong ontwikkeld. Binnen deze speciaal ontwikkelde aanpak werken het Rijk en de gemeente samen in wat nu het Nationaal Programma Rotterdam Zuid wordt genoemd. Het programma maakt mogelijk dat met een gemeenschappelijke visie en slagkracht gemaakte afspraken daadwerkelijk uitgevoerd worden. Onder het bestuur, dat bestaat uit een vertegenwoordiger van de gemeente, het Rijk, Rotterdamse corporaties, Welzijn, onderwijs, zorg en het bedrijfsleven stuurt Pastors het programma aan. Doel van het programma is het realiseren van vooruitgang en daarnaast ervoor zorgen dat nieuwe thema’s geen tot weinig aandacht krijgen, zodat op de bestaande problematiek geconcentreerd kan worden. Het programma is vastgesteld voor 20 jaar, en hoeft daarom niet te worden aangepast aan politieke schommelingen. Het plan is daarmee gevoelig aldus Pastors, maar het verder laten verloederen van de wijk is gevoeliger.

Aan de cijfers is te zien dat Rotterdam Zuid ten opzichte van Nederland en andere G4 steden slecht scoort op inkomen en schoolresultaten. Met name in de 7 focuswijken van het NPRZ zijn de cijfers opvallend. Het doel van het programma is dat de cijfers in ieder geval fors omhoog gaan vanaf dit punt, en de cijfers van Rotterdam Zuid gelijk zijn aan het gemiddelde van de G4. Met name de werkloosheidscijfers, het percentage kinderen met laag opgeleide ouders en het percentage eerste en tweede generatie immigranten moet flink worden bijgesteld.

Volgens Pastors hebben bewoners vooral te maken met onnodige achterstanden (bijvoorbeeld voor taal, inkomen, opleidingsniveau, woonsituatie) die kunnen worden opgelost, als mensen zelf actief worden betrokken bij het vaststellen van het probleem en de oplossing daarvoor. Die oplossing is participatie in school of werk, sturen op zichtbaar resultaat moet daarbij telkens het uitgangspunt zijn. Hij verteld dat dit niet lukt met investeren in buurtbarbecues, die eenmalig leuk zijn. Binnen het NPRZ wordt een wijkteam ingezet die met het gezin om de zogenaamde ‘keukentafel’ gaat zitten, om samen tot een definitie van de problemen te komen. Uitgangspunt bij het zoeken naar een oplossing daarvoor begint bij het vinden van de juiste scholing en werk, tenzij dat echt niet kan. In dat geval zijn er in Nederland genoeg voorzieningen. In haar boek Afri geeft Jutta Chorus een beschrijving van gezinnen uit Rotterdam Zuid en de problemen die daarin voorkomen. Aan de keukentafel worden de gezinnen geholpen om in kaart te brengen wat goed gaat, wat fout, wie doet wat, waar hebben jullie hulp nodig. Daarbij is het eerste motto ‘Voordoen, samendoen, zelf doen’. Het tweede motto is ‘Wat gaan we vandaag nog oplossen, wat volgende week, en wat kan volgende maand?’. Het vaststellen van de problemen op het niveau van het huishouden maakt de situatie behapbaar. Gezinnen die in aanmerking komen worden meestal via de huisarts of scholen doorgestuurd naar een wijkteam, na het gezamenlijke vaststellen van de situatie van waarin het gezin zich bevindt, worden gezinnen doorgestuurd naar de samenwerkingspartners. Het wijkteam is een belangrijke tussenstap omdat het zorgt dat problemen integraal worden aangepakt, en bewoners inzicht krijgen in de samenhang en aanpak.

Deze werkwijze is vastgelegd in het NPRZ, door het organiseren van een burgertop en een jongerentop worden bewoners uit Zuid georganiseerd om feedback te geven op het programma, en punten voor verbetering aan te geven.
De focus van het programma ligt naast meer school en werk voor bewoners ook op het wegwerken van taalachterstand, met name in laagopgeleide gezinnen waar geen Nederlands wordt gesproken hebben de kinderen moeite om het juist niveau te halen aldus Pastors. Voor scholing geldt dat opleidingen binnen de techniek en zorg extra aandacht krijgen. Net zoals het verstrekken van baangaranties is dat een maatregel om de kans op een baan te vergroten. Om te zorgen dat bestaande plannen kunnen worden gehandhaafd en verdere achteruitgang wordt gekeerd zijn er ook op het gebied van wonen in Zuid maatregelen genomen, onder andere dat nieuwe inwoners tenminste 5 maanden de bijstandsnorm moeten hebben verdiend om in aanmerking te komen voor een huis in het aandachtsgebied.

Na wat verhelderende vragen vanuit de zaal geeft Evelien Tonkens haar reactie op de presentatie van het NPRZ door Pastors. Tonkens geeft aan dat ze de aanpak zoals die is gepresenteerd erg goed vindt. Maar ze stelt zichzelf de vraag, want wat als het allemaal lukt? Zorgen dat de inwoners van Zuid aan het werk gaan maakt dat je daarvoor ook plek moet kunnen garanderen? Uit haar onderzoek naar het verplichten van bewoners tot vrijwilligerswerk, als opstap naar meer, blijkt niet het probleem te zitten in de motivatie van de bewoners maar wat je mensen verder kunt bieden. Er lijkt dan een soort gat te ontstaan. Tonkens stelt dat als mensen gemotiveerd zijn je vrijwilligerswerk moet kunnen omzetten naar betaald werk, en er is niet genoeg betaald werk. Daarom doet ze het voorstel om voor die mensen werk te creëren, door een vergoeding te geven voor het vrijwilligerswerk dat er in overvloed is. Dat is nu onaantrekkelijk en er zijn weinig mensen vrijwilligers voor te vinden. Daar zitten ze dus met wel met smart op deze mensen te wachten.

Pastors erkent dat er op macroniveau wel een discussie is over het aantal vaste banen. Hij geeft het voorbeeld van Hans Kampsen van ABU, die aangeeft dat er op de arbeidsmarkt met name behoefte is aan flexibele werknemers, en stelt dat het recht op een vaste baan daardoor niet meer bestaat.

Hoewel Tonkens ook ziet dat de markt is veranderd, maar stelt dat je ook als het gaat om beschikbare flexibele banen het hebben van sociale vaardigheden een must is. Iets wat veel mensen in de bijstand gewoon niet hebben aldus Tonkens. Volgens Pastors begint het daar dan ook mee, als generaties van een gezin al 30 jaar niet gewerkt hebben dan moet je ze weer leren wat erbij komt kijken. Iedereen die op tijd kan komen, normaal is in de omgang en doet wat hem gezegd wordt, kan aan het werk en heeft geen recht op een uitkering als hij daar niet aan mee wil doen.

Daarmee ontstaat een groepsdiscussie over participatie van bewoners die in de bijstand zijn geraakt, hoe betrek je deze groep weer in betaald werk? En wat moet het doel daarvan zijn, het onafhankelijk maken van de bijstandsuitkering, het begeleiden naar betaald werk – al dan niet via een opstapje door vrijwilligerswerk of participatie in buurtprojecten?

In wijken zoals Rotterdam Zuid zijn genoeg voorbeelden te bedenken van projecten die de wijk sociaal en economisch vooruit zouden helpen, geeft iemand aan in aanvulling op Tonkens. Door bewoners te stimuleren, bijvoorbeeld middels een vergoeding, om te participeren in deze projecten kun je als overheid banen in de wijken creëren die bovendien de wijk vooruit helpen. Pastors geeft aan dat hij niet begrijpt waarom je nieuwe banen zou creëren. Wanneer er nog zoveel beschikbare arbeidsplaatsen zijn, zou de overheid haar energie en middelen moeten investeren in de mensen zodat zij het werk dat er al is gaan doen. Men geeft aan dat het eigenlijk een ‘en en‘ verhaal zou moeten zijn, je wilt en bestaande arbeidsplaatsen opvullen en participatie van bewoners om hun eigen buurt te verbeteren stimuleren.

Het lockin-effect van betaald vrijwilligerswerk, waarbij de overheid betaalt voor personeel dat ook door het bedrijf zelf in dienst kan worden genomen, maakt dat je het vinden van een baan op de reguliere markt als norm sterk vast moet houden. En het dus ook tijdelijk baantjes of seizoenswerk een alternatief is om daaruit te stappen. De norm op de arbeidsmarkt wordt, pak aan wat je kan. Dit geldt voor pas afgestudeerde jongeren nu net zo, dus daar moet je je bij aansluiten.
De kans op demotie of bureaucratie rondom het aangaan van dit soort werk houdt veel mensen tegen om deze arbeid te accepteren.

Daarnaast zijn ook de kosten die de overheid maakt voor de professionele ondersteuning van het begeleiden en coachen van de betreffende gezinnen nog een punt van discussie. Maar men is het er over eens dat deze kosten zich terug verdienen.

Dat brengt wel de discussie op een ander level, want waar nu het effect van NPRZ op instrumenteel niveau is besproken rest de vraag wat het oplevert in de wijk aan leefbaarheid. Als je kijkt naar zakelijke en maatschappelijke baten dan komen we in Amsterdam toch uit bij wijkondernemingen. Pastors geeft aan dat hij de voedingsbodem voor dat soort initiatieven in Rotterdam Zuid veel dunner inschat dan in Amsterdam. Om een basis voor persoonlijke groei en koopkracht te versterken moet er eerst worden gezorgd voor werk zodat er uit vrije tijd en vreugde initiatieven kunnen ontstaan. Er zijn nu nog geen resultaten op deze peilers te meten, er is juist gekozen voor een langdurig programma om daarop daadwerkelijk resultaat te behalen.

Daarmee ronden we het gesprek af, concluderend dat er wel interesse is in werk, iedereen wil meedoen. Daarbij mag de overheid best een beetje werk sponsoren maar moeten we oppassen voor de padstelling van de Melkertbanen, zeker nu we in een veranderende markt zitten. Waarin voor iedereen de kans op vast werk plaats maakt voor korte contracten.

 

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+