Verslag

Voorkomen van ontsporen

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

Dagvoorzitter Sandra Rottenberg heet de meer dan 70 belangstellenden welkom op het Calvijn met Junior College in Nieuw-West, en inventariseert allereerst wie er in de zaal zitten. Een heel aantal aanwezigen blijkt werkzaam binnen de sectoren wonen, werken, onderwijs en wetenschap. Maar het merendeel is werkzaam binnen het welzijnswerk. Ook is de politie goed vertegenwoordigd.

Maar er zijn ook leerlingen. We praten namelijk graag over leerlingen, maar weinig met leerlingen. Daar gaan we nu verandering in brengen. Wat is dit voor school bijvoorbeeld? De leerlingen vertellen dat het contact tussen leerlingen en leraren goed is. Je kunt altijd met elkaar communiceren. Een leerling vertelt dat hij speciaal voor deze school heeft gekozen vanwege de kleine klassen. Op zijn oude school in Buitenveldert waren er grote klassen, hier kleine klassen van 15 tot 20 leerlingen. Leerlingen worden ook door de school bij het beleid betrokken, bijvoorbeeld om advies te geven hoe de nieuwe school het beste ingericht kan worden.

Hoe denken de leerlingen dat criminaliteit te voorkomen is? Het is belangrijk om niet teveel op straat hangen. Er moeten meer speeltuinen en buurthuizen komen om kinderen iets te doen te geven. En meer politie op straat.

Sandra Rottenberg merkt op dat het met de ene helft van de jongeren goed gaat en met de andere helft minder. Die twijfelt over welke ze kant ze op gaan, daar is weinig steun thuis. Om die jongeren gaat het vanmiddag. Hoe kunnen we voorkomen dat zij door bijvoorbeeld op straat te zitten met verkeerde types in aanraking komen.

De eerste spreker is Martien Kuitenbrouwer, voormalige stadsdeelvoorzitter in Amsterdam West. Kuitenbrouwer: “Mijn verhaal gaat over de afgelopen jaren als bestuurder in Westerpark en in West. Goed dat er vanmiddag zoveel animo is, door mensen met alle soorten achtergronden. Ik was net drie dagen stadsdeelvoorzitter, en toen werd ik door de politie gebeld dat er een scooter in een snackbar was gereden en in brand gestoken. Dat was het begin, vanaf toen gebeurden er elke week dat soort incidenten. Als bestuurder realiseerde ik me dat we erg geen grip op hadden. Politie en ambtenaren kwamen naar mij toe dat er iets broeit onder de jongens. Niet wetenschappelijk te bewijzen, maar een gevoel. En we wisten met z’n allen niet wat we moeten doen. Maar we moesten natuurlijk toch wat doen. Allereerst probeerden we een compleet beeld te krijgen: wie zijn die jongeren. In het najaar van 2010 hebben hiertoe we een behangrol op het stadsdeelkantoor gemaakt en die volgde een groep jongens met wat er met hen de afgelopen 10 jaar is gebeurd aan interventies om ervoor te zorgen dat zij niet verder de criminaliteit in gingen. Conclusie van deze inventarisatie: het heeft € 7 miljoen gekost en een groep jongeren opgeleverd die we niet in de hand hebben.

Onze conclusie was: moeten we niet veel meer op straat gaan kijken, wat gebeurt er nou op straat? Dus niet alleen kijken naar de statistieken. We deden dat zowel in De Baarsjes als in Bos en Lommer. Een van de dingen die we hebben gedaan is kunstenaars met kinderen uit de buurt tekeningen laten maken. Die zagen er mooi uit. Maar als je goed van dichtbij keek, dan zag je ellende. Ellende in de grove, gewelddadige teksten en in de tekeningen. De jongeren vonden dat normaal, maar ook de hulpverleners zagen dat als de normale straatcultuur.

Misschien was ik naïef, maar ik weigerde mezelf erbij neer te leggen dat dit normaal is. In een aantal buurten in West hebben we toen gesprekken belegd met mensen die het ook niet normaal vonden, zowel politie als welzijn als bewoners. Eén van de belangrijkste conclusies uit die gesprekken is dat er vaak sprake is van hechtingsproblematiek.

Die gesprekken hebben mij veel geleerd. Ambtenaren en politici houden van aanpakken, een aanpak voor dit en voor dat die alles moeten oplossen. Maar, er is vaak niet een allesomvattende aanpak voor alles. Vaak gaat het om kleine dingen dichtbij die fout gaan. Het is bijvoorbeeld goed dat er een Top 600 is, maar ook dat is geen allesomvattend antwoord. Noch de politie, noch de welzijnswerkers, noch de school. Het zal samen met de informele netwerken moeten, de buurt, de ouders, etc. We hebben toen ook een bijeenkomst in Podium Mozaïek georganiseerd, waarbij ook heel veel criminele jongeren zelf aanwezig waren. De conclusie daar was: hulpverleners werken niet, je moet luisteren naar de buurt en naar de jongeren. Mijn conclusie is: er is geen allesomvattende aanpak mogelijk, maar wel allesomvattende aandacht.”

Vervolgens schuift het panel aan om met de zaal door te praten over het verhaal van Kuitenbrouwer.

Houssain Mouhmouh, projectleider van ‘Pak je kans’ vertelt: er is inderdaad niet één plan van aanpak mogelijk. Het gaat om maatwerk. Bij Pak je kans bieden we dat maatwerk aan jongeren die in contact zijn geweest met de politie. Gedurende een jaar begeleiden we hen richting werk, dagbesteding en waar mogelijk een woning. Na een jaar laten we weer los. We monitoren daarna nog, en kijken hoeveel dat nodig is. Belangrijk voor toelating tot het programma is dat de jongeren intrinsiek gemotiveerd zijn. Uiteindelijk wil iedereen in z’n hart huisje boompje beestje.

Jolanda Hogewind, directeur van het Calvijn met Junior College, valt Houssain bij: de sleutel zit ‘m in intrinsieke motivatie. Wat de start hiervoor kan zijn is contact. Hele korte lijntjes met de jongeren. Er is inderdaad niet één aanpak. Alles is gebonden aan de context. Carrière maken op straat is voor sommige mensen belangrijker én gemakkelijker dan wat dan ook.

Een collega van Houssain uit het publiek vraagt wat de is rol van de ouders en van de opvoeders. Het panel merkt op dat ouders er vaak niet zijn. Veelal drie baantjes, kunnen daarbij niet zorgen voor hun kinderen. Dan gaat het van kwaad tot erger.

Een man uit het publiek: mensen moeten harder opvoeden, met een corrigerende tik. Deze jongens hebben een Marokkaanse achtergrond, die moet je anders aanpakken dan Hollandse jongens. Kuitenbrouwer gaat hier fel tegen in, een tik of slaan kan nooit de oplossing zijn.

Hogewind: “We moeten het systemisch benaderen. Alles is tegenwoordig zo ingewikkeld geworden, ouders kunnen niet meer zomaar naar een loket als er een probleem is. Dat merk ik ook bij ons. De afstand tussen school en de rest moet kleiner worden.”

Hoe voorkom je dat jongeren weer terugvallen, bijvoorbeeld doordat een Verklaring Omtrent Gedrag wordt geweigerd en zij daardoor niet de baan krijgen die ze willen? Houssain: “Bij Pak je kans zijn we helder en duidelijk over wat men kan verwachten en wat niet gaat lukken. En rotte appels houd je altijd.”

Het panel merkt op dat je moet praten met ouders over hun intenties, bijvoorbeeld voor wat betreft het slaan van kinderen. Ouders spelen namelijk een sleutelrol, zij zijn de oplossing en moeten de richting aangeven.

Een hulpverlener verbaast zich erover hoe mensen die vier à vijf kinderen hebben niet weten hoe ze moeten opvoeden en hoe ze luisteren naar hem voor hele kleine tips. Er moet ook altijd rekening gehouden worden met het gigantische cultuurverschil.

Bert Runhaar van de gemeente Amsterdam stelt dat we in de basisinfrastructuur wat moeten doen. Bijvoorbeeld bij de basisschool, ouders daarbij betrekken en leren opvoeden. Kuitenbrouwer reageert daarop en zegt dat je moet verbinding moet leggen tussen al die verschillende groepen. Ouders moeten het doen, maar kunnen het niet alleen. En dat is zeker niet makkelijk, dat is keihard bikkelen.

Luuk Slooter, onderzoeker naar gewelddadige jongeren in Parijs aan de Universiteit Utrecht, zegt: “Je moet zelfs nog breder kijken, naar de hele maatschappij. De problemen worden niet alleen veroorzaakt door de jongeren zelf, maar ook door de maatschappelijke structuren. Die jongeren in de Parijse voorsteden die ik heb onderzocht komen niet aan de bak omdat ze op basis van hun postcode niet worden uitgenodigd voor een gesprek.”

Het publiek merkt op dat werkgevers ook een coach nodig hebben, om te leren om te gaan met Marokkaanse jongeren.

Angelo Bromet, cultureel ondernemer en leider van jongerenhuis NoLimit in Zuidoost, verteld: “Het is als jongerenwerker soms moeilijker om je eigen kinderen op te voeden dan die van een ander. Soms moet je accepteren dat je in je werk niet de bloem kunt zien bloeien van het zaadje dat je plant. Je kunt de mindset van een jongere wel veranderen, maar niet altijd de omgeving. Die heeft zo’n zuigende werking. Je moet individueel kijken wat het beste is, wat het laatste zetje is. Er is niet één tactiek. Sommige ouders zijn slecht. Sommige scholen zijn slecht. Dat moeten we individueel allemaal benoemen.”Hogewind: “Het is van belang om je kinderen en je leerlingen te leren kennen. Met wie gaan ze om? Wat is hun rol in een groep? Ook als school moeten we dat doen. We kunnen het hier nog zo goed doen, maar wanneer ze naar buiten gaan kan alles weer anders zijn.”

Slooter: “De wijk is tegelijkertijd hun gevangenis én de plek waar ze zich geborgen voelen. Ze willen soms letterlijk ontsnappen uit de wijk. Wat willen we nou precies aanpakken? Is dat criminaliteit en geweld? Ik zie in mijn wijken in Parijs verschillende soorten geweld: publieksgericht geweld en ‘backstage geweld’. De daders van de eerste soort, bijvoorbeeld autobranden, doen dat om aandacht te krijgen, in de media te komen. De tweede, bijvoorbeeld druggerelateerd geweld, dat is veel hiërarchischer georganiseerd. En die verschillende soorten geweld zorgen voor de noodzaak voor verschillende aanpakken.”

Sandra Rottenberg besluit het gesprek, het is tijd voor conclusies: “Er is niet één aanpak en we moeten vooral verbinden tussen verschillende groepen die van belang zijn in de wereld van jongeren. Ouders, de buurt, de school, de gemeente, de politie: hier heeft een taak in dat verbinden. Maar: wat kun je in je eigen beroepspraktijk met wie gaan doen?” Daarover praten de aanwezigen nog lang verder tijdens de borrel.

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+