Verslag

Snapt de professional het complexe Amsterdam nog wel?

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

De Opstandingskerk in de Kolenkit is een belangrijke plek in de buurt. Naast de kerkdiensten die er worden gehouden fungeert het ook als een ontmoetingsplek en een sociaal vangnet in de buurt. Het is de plek waar Paul Scheffer een heldere stand van zaken geeft over de staat van de integratie in Amsterdam. Hij stelt dat statistieken hierover niet altijd juist of volledig worden gepresenteerd en we dus moeten nadenken over hoe we daar mee omgaan. Samen met Han Entzinger schreef Scheffer ‘De staat van integratie’, een analyse gebaseerd op vergelijkbare cijfers uit vele tientallen onderzoeken over Rotterdam en Amsterdam. Op basis van deze feitelijke duiding duiken we deze middag in de normatieve dilemma’s die hier uit te destilleren zijn.

Dagvoorzitter Andrew Makkinga neemt ons mee in een voorstelrondje en geeft vervolgens het woord aan Paul Scheffer. Er is een aantal opvallende punten die worden uitgespeeld in het integratiediscours en die een schijndiscussie in stand houden over de staat van integratie. Successen worden bijvoorbeeld veel breder uitgemeten ten opzichte van mislukkingen en er is weinig besef over de omvang van de 1e, 2e en 3e generatie allochtonen. De 3e generatie bestaat in Amsterdam bijvoorbeeld maar uit ca. 1.800 mensen. Het is dus niet zo dat het ‘allemaal wel goed komt met de 3e generatie’.

Na deze uiteenzetting geeft Scheffer aan dat hij zich heeft verbaasd over de ontvangst van het rapport door beide steden. In Rotterdam was er veel interesse in het rapport en heeft dit geleid tot veel discussie en zijn er vele bijeenkomsten georganiseerd waar de analyse versus het eigen beleid ter discussie stond. In Amsterdam was dit totaal niet het geval en werd er gezapig op gereageerd. Dit kan liggen aan de politieke urgentie gezien de positie van Leefbaar Rotterdam. Maar hoewel het op economisch vlak in Amsterdam iets beter lijkt te gaan staan er een aantal kritische aandachtspunten in het rapport over deze stad. Zo is het aantal uitkeringen aan allochtonen in Amsterdam vele malen hoger dan in Rotterdam. Dit heeft met name te maken met het aantal arbeidsongeschikten. Ook is de segregatie groter in de hoofdstad, het aantal allochtone bewoners dat buiten de ring A10 woont is veel groter dan daarbinnen. Ten derde is de criminaliteit onder Amsterdamse allochtonen hoger dan Rotterdam. Opvallend detail daarbij is dat daarentegen het aantal verdachten in Rotterdam hoger is. Tot slot is het aantal allochtonen dat deelneemt aan de Cito-toets in Amsterdam lager dan in Rotterdam.

Er volgt een uitgebreide discussie over de vraag of dit komt door de al dan niet vermeende zelfgenoegzaamheid van Amsterdam. Volgens een deel van de deelnemers aan de bijeenkomst schieten we in Amsterdam daadwerkelijk wel eens door hiermee. We denken te weten waar de pijnpunten zitten maar hebben daar niet altijd de feiten bij. Anderen verwijten ook de politiek teveel bezig te zijn met de eigen kleur in plaats van de waarheid. Is het passend voor de Amsterdamse politieke cultuur dat er wordt gezocht naar coalitie in plaats van het aangaan van de clash?

Het is de vraag of wij in Amsterdam de problemen durven te benoemen? Want naast de cijfers die vooruitgang tonen zijn er nog steeds opvallende conclusies te trekken uit de analyse van Scheffer en Entzinger. De meest trouwe bewoners van de stad – de eerste generatie Marokkaanse vrouwen – zijn tegelijk het minst geschoold, de opkomst bij verkiezingen is onder Surinaamse Amsterdammers bedroevend laag, obesitas komt vaker voor onder Turken in de stad en ook met betrekking tot arbeidsparticipatie zijn duidelijke verschillen aan te wijzen op basis van culturele afkomst. Dit gezegd hebbende is het vervolgens de vraag of beleidsmakers hier doelgroep specifiek beleid op zouden moeten ontwikkelen?

In het tweede deel van de middag staat de vraag centraal hoe de aanwezige Amsterdamse professionals met cultuur gebonden gedrag omgaan en wat zij gelijke behandeling vinden. Wat doet de leraar als tijdens zijn klassikale instructie over homoseksualiteit een islamitische jongen zijn vingers in z’n oren stopt? Moet de beleidsadviseur van de woningbouwcorporatie zorgen voor gemengde en diverse buurten? En is er een afspiegeling van de Amsterdamse bevolking terug te zien in ons ambtenarenapparaat?

Paul Scheffer start de discussie met een voor hem belangrijk onderscheid, namelijk dat tussen gelijke behandeling als juridisch begrip versus als wederkerigheid. In het tweede geval mag ieder een eigen opvatting hebben zolang daarmee niet de rechten van een ander geschonden worden. Binnen onze liberale vrijheid bestaan culturele preferenties en heeft orthodoxie recht van spreken. Maar als de meerderheid aanhanger wordt van een orthodox standpunt dan hebben we geen open samenleving meer. Als overheid kun je slechts impliciet een burgerschapsideaal nastreven maar de staat kan geen norm bepalen.

Een van de voorbeelden die wordt genoemd binnen de discussie over diversiteit in het onderwijs is de ‘Vreedzame school’. Hier is de consensus ontstaan dat een burgerschapsnorm niet van bovenaf is op te leggen, maar dat deze gezocht moet worden in de wijk waar de school staat. Vanuit de kracht die er is in de buurt, bij de kinderen en hun ouders gaat de school op zoek naar een pedagogische visie. De aanwezige professionals blijven het ingewikkeld vinden om te kiezen wat de docent uit het voorbeeld moet doen, de jongen verleiden zijn vingers uit zijn oren te halen en hem verleiden te luisteren? Loop je weg? Of trek je de vingers uit zijn oren en dwing je hem tot luisteren? De vraag die moeilijk blijkt te beantwoorden is of vast staat waar de leraar heen moet, maakt hij die samen met de leerling door ‘te polderen’ of is er een veilige situatie waar je wilt uitkomen – al kun je dat niet eisen. De wet dwingt juridisch niet tot bepaalde opvattingen, maar als professional wil je wel uitkomen op een samenwerking die past in onze samenleving.

Bij de discussie over wonen en segregatie staan twee vraagstukken centraal. Ten eerste wordt enerzijds gezegd dat we graag daar wonen waar we ons thuisvoelen, dat is voor velen ook cultuur gebonden. Hierop wordt fel gereageerd, omdat dit voornamelijk zou gelden voor hen die kopen en het voor huurders vaak geen optie is om binnen de ring te gaan wonen. Ten tweede is het de vraag in hoeverre culturele segregatie een probleem is als de wijk wel divers is in sociaal economische klasse. De goed opgeleide Turk met een goed lopende onderneming die in Nieuw-West woont, is dat segregatie?

Tot slot kijken nog naar diversiteitbeleid binnen de gemeente, is ons ambtenarenapparaat een goede afspiegeling van de samenleving? Paul Scheffer stelt dat een goed diversiteitbeleid erop is gericht dat het zichzelf overbodig maakt. De gemeente Amsterdam zou hierin nog best een paar stappen kunnen maken aldus de professionals. Zie het college van B&W dat slechts één wethouder van allochtone afkomst heeft, in deze meerderheden minderheden stad. Toch is dit ook een achterhaalde discussie volgens een van de aanwezigen. De allochtone Amsterdammer is inmiddels ook goed opgeleid en ook de Marokkaanse Amsterdammers kijken je in de ogen. Het is een rare gedachte dat kwaliteit te maken heeft met afkomst. Hoewel etnische verschillen een natuurlijke scheidslijn kunnen vormen, kan ook voorgeprogrammeerd biologisch gedrag veranderen.

Hoewel niet op ieder concreet normatief dilemma een antwoord kan worden gegeven lijken de professionals pragmatisch naar staat van de integratie te kijken. Bij de borrel worden nog vele voorbeelden aangehaald waarin culturele verschillen tot ontroerende maar ook hilarische situaties hebben geleid.

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+