Verslag

De gemeente als sociaal lab

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

“Wie denkt dat het na de decentralisaties beter wordt?” vraagt Pieter Hilhorst, oud wethouder, sociaal ondernemer en publicist, de ruim 45 professionals en beleidsmakers die komen praten over de risico’s van eigen kracht en de ‘3d’. En als er nog maar weinig vingers omhoog gaan: “Kom op, durf je hand hoog de lucht in te steken. En praat luid, fluisterend red je het niet!”. Er lijkt weinig vertrouwen, tegelijkertijd verwacht ook niemand dat het slechter gaat worden na 1 januari 2015. Het grootste deel kampt met onzekerheid. Net als de vele cliënten die nog niet weten waar ze straks aan toe zijn. Wel is er de hoop dat het beter wordt, want dat is de bedoeling van de veranderingen geweest.

Kruiter
Albert-Jan Kruiter geeft antwoord op Hilhorst’s, hij stelt dat de zorg en het welzijn met de decentralisaties beter gaan worden. Kruiter is medeoprichter van het Instituut voor Publieke Waarden. Het instituut is opgericht om de blinde vlekken te bestuderen die ontstaan omdat er continue veel verandert aan zowel de kant van de overheid als aan de systeemkant. En probeert om die blinde vlekken zelf op te lossen. Inmiddels is zo bijvoorbeeld het sociaal hospitaal ontstaan en werkt hij nu met Hilhorst aan het oprichten van een fonds voor mensen die niet meer in de schuldhulpverlening passen. De kracht van hun initiatief is dat er wordt gezocht naar manieren van private financiering van wat nu publieke diensten zijn. Die nieuwe arrangementen bieden meer mogelijkheden omdat je zelf kan bepalen wat het aanbod is en niet gebonden bent aan de regels die gepaard gaan met overheidsfinanciering. Kruiter ligt dit toe met een voorbeeld van de daklozenopvang, die gaat nu om 20 uur dicht maar als je met de daklozen een manier zoekt om dit zelf te financieren hoeft dat geen vastigheid te zijn.

De onzekerheid en de angst dat cliënten na 1 januari a.s. niet meer krijgen waar ze recht op hebben herkent Kruiter. Maar ook in het huidige systeem zijn er gevallen waar we niet van weten wat we er mee moeten, mensen die tussen de wal en het schip vallen. We kennen voorbeelden genoeg. Heel bekend is het verhaal van Savanna. Maar Kruiter noemt nog tal andere voorbeelden, bijvoorbeeld van een jonge moeder die met haar zoon als vluchteling in Nederland komt. Na het overlijden van de moeder komt de jongen op straat te staan omdat hij een huurachterstand oploopt. Uiteindelijk komt hij in aanraking met justitie die hem een huisarrest oplegt, hij heeft nu een enkelband maar geen huis. Beland in de crisisopvang en de jeugdzorg en kost de staat al met al 126.000 euro, terwijl het verhaal begon met een huurschuld van 1.800 euro. Dit bevestigt de vertroebelde blik die kan ontstaan in het huidige systeem. Kruiter noemt dit ook wel de entry-exit paradox: je hebt een probleem en krijgt hulpverlening maar wordt daar uit gegooid om dat je last hebt van dat probleem.

Het probleem zit volgens Kruiter in het feit dat we in Nederland geen uitzonderingen durven te maken, ons daarbij beroepend op de privacywet of de Grondwet. Maar in de privacywet van 2006 staat juist dat je toegang tot gegevens moet geven als je daarmee de kwaliteit van ondersteuning kunt vergroten. En de Grondwet stelt juist dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden, en draagt dus eigenlijk op om ongelijke gevallen ongelijk te behandelen. We hebben meer last van onze perverse egalitaire cultuurtje dan van de wet. Het lijkt wel of het ergste dat ons kan overkomen is dat iemand anders beter wordt behandeld dan wijzelf. Onder het mom van gelijke monniken, gelijke kappen vallen juist de mensen onderin, die mensen die juist zorg nodig hebben, uit. Omdat we voor de grote gelijke deler kiezen.

Kruiter vertelt dat zij hebben ontdekt dat het loont om te gaan werken met het enorm inzetten op kosten baten, omdat het de enige prikkel is waar het systeem op reageert. Over regie gesproken. Een oplossing die een gezin zelf zal bedenken is vaak iets wat ze nooit voor elkaar krijgen, ze kunnen dat niet door het geijkte systeem krijgen. Bijvoorbeeld de man die in de schuldhulpverlening zit en graag zijn auto terug wil om zijn dochters, die een hechtingsstoornis hebben, zelf naar school te kunnen brengen. Hoewel de taxikosten die nu worden gemaakt net zo hoog zijn als de waarde van de auto plus de totale schuld mogen we volgens de wet in het huidige systeem de schuld niet verlagen. Wij helpen de man door te vertellen dat er ook nergens staat dat je het niet terug mag kopen.

Nederland behoorde ooit tot de meest decentrale landen van Europa, maar is nu zo bureaucratisch geworden dat het (op Malta na, maar daar kennen ze geen gemeenten) het meest gecentraliseerd is. Ook nog na 1 januari. Kruiter stelt dat er veel vanuit Den Haag wordt geregeld en gemeenten weinig fiscale ruimte hebben om een beleid op maat te maken. Daarom valt er iets voor te zeggen dat gemeenten meer eigen budget krijgen, bijvoorbeeld uit belasting. Dat is volgens hem nodig om lokale democratie te versterken.

Kruiter brengt vervolgens de vraag in hoe we nu de decentralisaties kunnen gebruiken om het huidige systeem af te pellen. Dat is gebaseerd op een waarde die we tot nu toe het belangrijkste vonden, rechtmatigheid. Maar een sociale casus ‘praat terug’ omdat hij in relatie staat tot zijn omgeving. En zodoende zijn we gelijke gevallen ongelijk gaan behandelen, rechtmatigheid is dus fictie geworden. Daarbij kwam dat het steeds goedkoper moest worden en burgers meer zelf doen, dus eigen kracht en efficiency. Die waarden bestonden nog niet in de bestaande protocollen. In de door hem genoemde voorbeelden helpt het dan om een kosten baten analyse te maken. Beslissingen in het sociale domein moeten niet alleen op basis van een juridische afweging gemaakt worden maar op basis van economische en maatschappelijke. Een politicus of beleidsmaker zal bang zijn voor precedentwerking, maar dat bestaat niet als je uitgaat van ongelijke gevallen. Alleen bij gelijke. Maar in deze driehoek scoort niemand gelijk op. Hij is er van overtuigd dat wanneer je maatwerk wilt leveren dat je moet sturen op waarden. De financiële ruimte zit vervolgens tussen de sociale domeinen. Gemeenten moeten dus integraal gaan werken om te kunnen besparen. En dat gaat vast en zeker nog flinke hobbels opleveren. Kruiter voorspelt dat waarschijnlijk tientallen gemeenten over een paar maanden onder curatele staan. Maar hij roept de aanwezigen op om te blijven strijden voor een decentraal systeem, om het goedkoper is maar ook omdat het menselijker is. Doen we dat niet dan gaan we niet alleen failliet, maar haalt Den Haag het beleid allemaal weer naar zich toe en gaan we richting een recentralisatie.

Hilhorst

Na de verduidelijkende vragen aan Kruiter start Hilhorst zijn visie op de decentralisaties. In zijn analyse gaat hij in op drie thema’s: eigen kracht, sociale wijkteams en preventie. Samen met Jos van der Lans volgt hij bij verschillende gemeenten de ontwikkelingen en daarbij komen deze onderwerpen telkens aan de orde. Hilhorst merkt op dat de begrippen het tegenovergestelde gaan betekenen van hoe hij ze met Van der Lans hadden bepleit in hun boek ‘Sociaal Doe het Zelven’. Hoe kan dat?

Hilhorst haalt een voorbeeld aan van een jongere die hem vertelde dat zijn hulpverleners er geen weet van hebben dat hij nog contact met zijn moeder heeft. Ook andere jongeren houden dit verborgen voor professionals. Ze leren elkaar dat de boodschap moet zijn: “Ik heb niemand, ik ken niemand.”. Ze zijn bang dat ze dan zijn aangewezen op hun netwerk die hen niet kan helpen en geen recht meer hebben op hulp. Dat is het tegenovergestelde van eigen kracht. Net als de gescheiden moeder die haar huis wordt uitgezet, en op straat komt te staan. Ze komt op de spoedlijst voor een nieuwe woning, maar zal moeten overbruggen. Ze geeft aan dat ze tijdelijk bij de oma van het kind zou kunnen wonen. Dit lijkt een perfect voorbeeld van eigen kracht, maar omdat de oma in Frankrijk woont zou de moeder Nederland verlaten en haar recht op de spoedlijst kwijtspelen. Daardoor blijft ze afhankelijk van leven op straat en in de opvang. In deze voorbeelden lijkt het inzetten van eigen kracht juist voor meer problemen te zorgen. Bij een beroep op je eigen kracht staat dwang op de loer, terwijl eigen kracht gaat over zelf het initiatief in handen nemen aldus Hilhorst. Daarbij moet je mensen helpen en het initiatief moet lonen. Inzet van het eigen netwerk zal moeten aangevuld met een deel hulp.

Het tweede begrip is de sociale wijkteams. De sociale wijkteams zijn nodig om er integraal te kunnen gaan werken. Om integraal werken mogelijk te maken moeten de wijkteams wel los van hun organisaties komen. Maar nu gebeurd er iets vreemds. Wat Hilhorst veel hoort van professionals is dat de opdracht niet duidelijk is. Iemand zit in een nieuw team met de taak om draagkracht te organiseren. In de praktijk komt het er op neer dat hij veel met individuele gevallen bezig is. Het lijkt er dus meer op dat hij zijn oude werk blijft doen maar dat het bureau verplaatst is. Volgens Hilhorst komt dit omdat de sociale wijkteams twee opdrachten hebben gekregen, die tegenstrijdig aan elkaar zijn. Aan de ene kant moeten professionals krachtig zijn, ze moeten in staat zijn dwars door de bestaande kokers heen breken. Want er is veel kritiek op bureaucratie van de sector. Tegelijk krijgen ze de taak om te normaliseren, op hun handen te zitten en los te laten. En daarmee werken de teams aan de verkeerde oplossing. Hulpverlening ontstaat veelal niet omdat er een probleem bij een gezin zit, maar vaak doordat de individuele gezinsleden geen toegang tot het systeem hebben.

Daarmee is de radicaliteit die het sociale wijkteam in zou moeten houden lang niet in ieder geval geslaagd. De dubbele revolutionaire taak, naast het terugveren op kracht die er al is, zorgt dat sociaal doe het zelven niet mogelijk wordt gemaakt. En dat geldt ook voor het derde thema: preventie.

In de praktijk blijkt dat het in het huidige systeem erg moeilijk is om hulp kleinschalig te houden en daarmee dure vormen van zorg en hulpverlening te voorkomen. Een goed voorbeeld hiervan is Bureau Jeugdzorg, die in Amsterdam heeft geprobeerd om zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen onder toezicht werden gesteld en het aantal uithuisplaatsingen drastisch terug heeft kunnen brengen. Het bizarre is dat zij daardoor bijna failliet gingen. Het zij zo dat BJZ per geval betaald krijgt, dus het voorkomen van hulp kostte de organisatie inkomsten. Hilhorst concludeert dat de winst van preventieve maatregelen nu op verkeerde plekken terecht komt. Hij pleit er daarom voor dat de financiering op de schop moet. Een budget per wijk in plaats van per organisatie of per individu kan helpen om dure zorg te voorkomen omdat het geld dat bespaard blijft dan bij de bezuiniger blijft en niet ‘teruggaat’ naar de financier.

En daarmee is de brug van de samenwerking tussen Hilhorst en Kruiter ontstaan. Het besparen van kosten moet teruggehaald kunnen worden bij de organisatie. Daarvoor is een andere vorm van politiek nodig. Ook moeten problemen benoemd kunnen worden waarvoor geld georganiseerd kan worden. En bovendien moeten dan de verschillende geldstromen nog onderscheiden kunnen worden, op dit moment zijn budgeten niet per geval inzichtelijk te maken. Dus, stelt Hilhorst voor, sociale wijkteams moeten echt doorbrekend kunnen werken. Ze moeten beschikken over een wijkbudget en weten waar het geld ingezet gaat worden. Dat is erg radicaal. Het is een andere manier van financiering van de publieke sector.

Casus

Alle aanwezige professionals en beleidsmaker zijn voorafgaand aan de bijeenkomst gevraagd om een casus voor te bereiden vanuit hun eigen dagelijkse praktijk. Waar zit hun angst als na 1 januari 2015 de decentralisaties zijn ingevoerd? Wat zijn de risico’s van het nieuwe stelsel in combinatie met het toegenomen beroep op eigen kracht en participatie? Hilhorst vraagt de zaal om in tweetallen hun casus te verkennen, de casussen van Samen Doen, passend onderwijs en Solink bespreken we plein-air.

Samen Doen heeft erg te kampen met opschaling, het project ontstond klein en was daardoor erg toegankelijk en had weinig last van overhead en organisatiestructuur. De professionals werkten met hun cliënten aan persoonlijke oplossingen. Toen het initiatief werd opgepikt door politici en beleidsmakers werd het uitgedragen als good practice, en werd het project opgeschaald. Het werken vanuit eigen kracht wordt hierdoor ingewikkelder omdat de hulp op meerdere niveaus moet worden afgestemd en er minder ruimte is om op een andere manier te werken. Dit toont aan aldus Kruiter dat er altijd ‘idioten’ moeten blijven die nieuwe initiatieven starten, omdat alles zich op den duur tot het systeem moet gaan verhouden. En we zien dat het systeem van de publieke sector er niet goed mee om kan gaan. En innovatieve ideeën hoeven niet perse vernieuwend te zijn, maar kunnen ook een goed voorbeeld van bestaand projecten zijn.

In het passend onderwijs gaat het om een vervangend financieringssysteem voor de huidige rugzakje-budgeten in het onderwijs. Door aanvraag van een rugzakje konden kinderen in het regulier onderwijs blijven, de budgeten worden nu op de grote hoop gegooid en veel kinderen verdwijnen waarschijnlijk straks naar het speciaal onderwijs. Terwijl dat niet het gewenste effect is. Kruiter stelt dat het rugzakjes systeem ook een pervers effect had, namelijk scholen gingen waar mogelijk etiketjes plakken omdat ze per individuele leerling met een indicatie extra gefinancierd werden. Je kunt je afvragen of het beschikbare geld niet beter naar de docent kan, of, waarvoor nu is gekozen, naar de school? Maar ook in het nieuwe systeem liggen effecten op de loer, dat echt passen onderwijs straks niet mogelijk omdat er geen persoonlijk budget is maar het van een budget van de school moet komen. Of fraude van scholen, die thuiszitters niet uitschrijven en zo het geld blijven krijgen. Kruiter stelt voor dat de school ook als platform kan dienen, tussen ouders die zo eigenaarschap over het onderwijs aan hun kinderen krijgen en zelf een tegenmacht kunnen vormen tegen het beleid van een school. Op die manier ga je in gesprek met elkaar. Het is volgens de inbrengster van de casus niet haar taak om het onderwijs goed te organiseren en zij sluit zich hier niet bij aan. We zullen na 1 januari in dit soort dilemma’s verstrikt raken. Kruiter zegt dat alle voorbeelden vragen om ruimte voor conflicten wat ongetwijfeld zal ontstaan, en stelt zich hardop de vraag of we wel klaar zijn voor de conflicten.

Tot slot bespreken we de casus van Solink. Zij werken met studenten die woningruimte nodig hebben en ouderen die dit kunnen bieden. In ruil voor een lage huur ontvangen zij hulp in de huishouding, gezelschap en zijn hun woningen weer in gebruik. Voor iedereen winst zou je zeggen. Maar op zoek naar een geschikte partner om de flyer deur aan deur te verspreiden bij de doelgroep blijkt dat dit idealiter door de maaltijdbezorger gedaan wordt. Nou blijkt dat de maaltijdbezorger niet mee wil werken want hoewel die iedere zelfstandig wonende oudere, die behoefte heeft aan extra ondersteuning, bezoekt zal die mogelijk zijn eigen klanten kwijt raken. Er wordt dan niet uitgegaan van eigen kracht van winst vergroten. De vraag is er wel op samenwerking gestuurd kan worden?

De casus is herkenbaar, andere professionals komen hetzelfde tegen. Kennis deling tussen organisaties, zodat hun aanbod beter zal aansluiten bij de vraag en eigen kracht van de cliënt, gebeurd niet tot weinig in de angst dat men door samenwerking zijn bedrijfskapitaal weggeeft. Financiering is in vele dossiers het product en probleem. Als je dan zou willen delen of overdragen ben je geld kwijt. Het is de vraag is hoe we daar vanaf kunnen komen om organisatie overstijgend te werken.

Het is zoeken naar een goede afstemming tussen overheid, publiek domein en burgers. Burgerinitiatieven zijn hier een mooi voorbeeld van. Maar Kruiter stelt dat het nog zoeken is naar de verbondenheid van het burgerinitiatief met het publieke domein wat betreft de democratische kwaliteit. Het reikt aan belangen, en wat De Tocqueville heeft beschreven als het welbegrepen eigen belang. Hij wil daar mee zeggen dat zelfs de allerindividueelste burger moet inzien dat het hem alleen maar goed kan gaan als de gemeenschap floreert. Welbegrepen eigenbelang is het omgekeerde van kortzichtig egoïsme. Dus met eens in de vier jaar stemmen voor je eigenbelang ben je er niet want wie zich als burger na de verkiezingen afzijdig houdt van de samenleving creëert de bureaucratie die individuele belangen overstijgt. De Tocqueville die in de 18e eeuw in Amerika de democratie heeft bestudeerd zag daar dat door het ontbreken van een staat het eigenaarschap van de publieke sector bij burgers lag. In Amerika begrepen ze aldus De Tocqueville dat op korte termijn eigenbelang niks oplevert. Want als je het bij het bouwen van een school niet eens wordt en er is geen staat die de bouw over zal nemen dan is er in the end geen school als je het niet eens wordt. De Tocqueville pleit dus eigenlijk niets minder dan een levendige democratie. Zo blijkt in Amsterdam de Noorderpark Kamer goed te werken, bij de opzet is besloten om daklozen te betrekken vanuit overstijgende belangen. In andere steden wordt vanuit de overheid gevraagd om daklozen ook een plek te geven, waardoor een samenwerking niet tot stand komt.

Het is een zoektocht waarbij het project van Kruiter en Hilhorst een inspirerende visie is op de financiering en organisatie van het publieke domein. Tot slot geeft Kruiter aan dat hij denkt dat zij het niet beter kunnen de gemeente. Ook wij als burgers zijn ‘idiots’, en op zoek naar eigen belang in de oorspronkelijke betekenis van het woord. En met te individualistische burgers versterk je de bureaucratische overheid, en andersom. Daarom moeten we met de decentralisaties doorbrekend gaan werken. Je moet dus een goed verhaal presenteren, dat inspirerend is.

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+