Verslag

"Trek aan mijn jas, anders kies ik de makkelijke weg"

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

Twee werelden

Ik fiets door de wijk waar veel van mijn gekleurde exklasgenoten wonen. Ik zie ze niet, ik spreek ze niet. IVAR STAAL IS GYMNASIAST.

Ik ben een kind van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra. Ik woon in een twee-onder-een-kapwoning van bruine stenen. Mijn ouders rijden in een Japanse stationwagen en hebben in het verleden wel eens op D66 gestemd. Ik ging naar een basisschool met een heleboel kinderen waarvoor ik weiger een ander woord te gebruiken dat in feite toch wel ‘allochtoon’ betekent.

Dat was pakweg vijfenhalf jaar geleden. Sinds ik op het gymnasium zit is die ‘heleboel’ veranderd in minder dan een tiental, op negenhonderd leerlingen in totaal. Ik fiets elke dag door de wijk waar een groot deel van mijn gekleurde ex-klasgenoten van de basisschool wonen. Ik zie ze niet, ik spreek ze niet en ik ken ze niet meer.

Volgend jaar ga ik aanvangen met het studentenleven en dus ook met nóg een aantal jaren, waarin ik omgeven zal zijn door allemaal slimme witte jongens en meisjes.

Ik voel me langzaam vervreemden van de maatschappij waarin ik leef. En terwijl de tv mij vertelt dat de ondergang van de elite is ingezet, lijkt iedereen om mij heen mij in juist dat hokje van de intellectuele bovenklasse te willen duwen. En ik laat me duwen, omdat ik dat wil, maar ook omdat ik het gevoel heb niet anders te kunnen.

Ik werk drie avonden in de week bij de supermarkt. Na mijn dienst word ik zonder uitzondering geconfronteerd met een grote groep hangjeugd, luid schreeuwend boven muziek die uit draadloze boxjes komt waarvan ik de tekst, als ik hem al kan verstaan, niet begrijp.

Ik zie op woensdagavond lege flessen drank tussen de zitplaatsen van deze wezens die zich kleden in trainingspakken en jassen met bontkragen. Ik doe mijn uiterste best niemand te veroordelen en ik vervloek mezelf als ik door heb dat ik in gedachten arrogant klink. Maar hoe plaats ik deze leeftijdsgenoten uit gezinnen zoals het mijne. Terwijl ik mij stukbijt op fin-de-siècleliteratuur, vrijwillig naar Rachmaninov luister en de achtergrond op mijn telefoon geen naaktfoto is, maar een schilderij van Dalí.

 

“Het mij terugtrekken in mijn intellectuele bubbel is in zowat elk opzicht aantrekkelijker”

 

Enige tijd terug gaf Adriaan van Dis een lezing op mijn school. Hij had het over kloven: tussen rijk en arm, Randstad en provincie, blank en gekleurd. Hij wist de problemen die ik aan den lijve ondervind goed te benoemen, maar hij gaf terecht aan dat het niet zijn plicht als schrijver is om oplossingen te bieden.

Ik ben niet rijk, ik ben geen kakker: ik ben gewoon slim. Alleen door dat laatste wil ik excelleren, een drang die mijn hele leven door aangemoedigd is door mijn omgeving. Ik wil strijden tegen middelmatigheid en als dat me elitair maakt zij het zo. Maar het knaagt aan mij dat ik me dagelijks beweeg door een maatschappij waarvan ik steeds verder verwijderd raak en dat niets of niemand zich lijkt in te zetten om die kloof te dichten.

Dus sta ik voor een nepdilemma: het heft in eigen hand nemen en er alles aan doen om een brug te bouwen naar die voor mij onbekend geworden werkelijkheid, of mijn ogen sluiten. Het dilemma is nep, want ik overweeg de eerste optie niet eens meer. Het is een onbegonnen opgave voor mij als individu, aangezien geen van beide kanten mee lijkt te werken.

Daarbij is het in zowat elk opzicht aantrekkelijker me terug te trekken in mijn intellectuele bubbel: het is makkelijker, het brengt me vriendschappen met gelijkgestemden en het brengt me simpelweg kansen op een toekomst vol rijkdom en gemak. Het enige wat met tegenwerkt is mijn geweten.

Ik verwijt mezelf zeker een luie en pedante houding, maar uiteindelijk zijn het de tegenstanders van de elite die hun ongenoegen het hardst doen klinken, dus is het logisch om initiatief van hun kant te verwachten.

 

“Na mijn dienst bij de supermarkt word ik steeds geconfronteerd met een grote groep hangjeugd”

 

Mijn oproep: Nederland, en dan vooral PVV-stemmers, allochtonen, tokkies, maar ook middenklassers en nuchtere calvinisten of provinciale boeren: ik doe mijn best om de boosheid jegens een groep waar ik spoedig deel van zal uitmaken (of is dat al het geval?, ik weet het niet), te begrijpen, en deels lukt dat.

Maar alsjeblieft: trek aan mijn jas, spreek me aan. Als jullie dat niet doen is de kans groot dat ik de makkelijke weg kies en daarmee alleen maar de status quo handhaaf: namelijk dat jullie je niet gehoord voelen en dat ik in strijd blijf met mijn geweten.

Ik fiets door de wijk waar veel van mijn gekleurde ex-klasgenoten wonen. Ik zie ze niet, ik spreek ze niet.

 

Dit artikel verscheen op 1 maart 2017 in de Volkskrant. 

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+