Artikel

Verslag Stadsgesprek De Verdichte Stad

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

 

Op deze bijna tropische dag heet Jan Hoek de aanwezigen welkom bij dit tweede Stadsgesprek in een serie van zeven. Dit jaar is het jaarthema ‘zorg goed voor elkaar en voor de stad’, met de woorden van burgemeester Van der Laan in het achterhoofd. Hoe kunnen professionals in hun eigen werk bijdragen aan die lieve stad? Iedere maand kijken we naar een andere stad. Onder andere de groene stad, de roze stad en de kinderstad komen voorbij. En vandaag hebben we het over de verdichte stad.

Amsterdam bouwt als een malle. Er moeten de komende jaren tienduizenden woningen worden gebouwd. Soms stagneert ‘t bouwen door een tekort aan heipalen, zo enorm is de productie die wordt gedraaid. In al dat bouwgeweld kan de leefbaarheid misschien in de knel komen. Hoe kunnen wijkagenten, opbouwwerkers en buurtmanagers nou vanuit hun expertise bijdragen aan een leefbare buurt? Maar ook de vraag: is leefbaarheid een heldere term voor iedereen?

Nee, blijkt na een rondgang langs de aanwezigen. Voor een witte projectontwikkelaar is leefbaarheid echt wat anders dan voor iemand die in de schulden zit. Het wordt van belang gevonden dat alle verschillende Amsterdammers het leefbaar voor hen vinden. Leefbaarheid kan schoon, heel en veilig betekenen. Maar ook kennen en gekend voelen. En sociale cohesie is een belangrijk punt: tussen mensen onderling en tussen mensen en de voorzieningen. Tot slot wordt geopperd dat leefbaarheid meer moet zijn dan de struggle for survival, je moet vooruit kunnen komen en gelukkig kunnen worden.

De eerste spreker van vandaag is Martin van der Maas, planoloog bij de gemeente Amsterdam, die onder andere betrokken is bij Buiksloterham en de Sluisbuurt.

Van der Maas: Ik ben jarenlang wijkmanager geweest in Den Helder. Daar ben ik bij meer dan 300 bewonersavonden geweest. Onder andere ben ik betrokken geweest bij de Vogelaarwijken en de stadsvernieuwing die daar bij hoorde. De stadsvernieuwing werd in Den Helder van bovenaf uitgerold, over de hoofden van bewoners en professionals in de wijk heen. Opeens was er een projectmanager of iemand vanuit het Rijk en die had al een plan. Er was van tevoren geen overleg met bewoners, ook niet om te kijken aan welke ruimtes in een wijk eigenlijk behoefte is. Toen bedacht ik me: dat moet andersom. Niet planologen moeten stadsplanning doen, maar opbouwwerkers. Later werd dat wel wat beter, door de crisis en de ‘introductie’ van de participatiesamenleving. Toen was er geen geld meer voor dure bureaus, en kwamen er meer dienstbare stedenbouwkundigen.

In Amsterdam heb ik gemerkt dat de dynamiek zo hoog is, dat participatie ook weer anders ligt. Want zodra je potentiële plannen bekend maakt, staan de speculanten en projectontwikkelaars in de rij. Je moet daar dus behoedzaam mee om gaan. Koers2025 gaat uit van uitbreidingsgebieden waar nog niet zoveel mensen wonen, soms helemaal niemand. Moet je dan wijken ontwikkelen met mensen die er komen wonen? Maar die kennen we nog niet. Dat is een lastig punt.

Hoe gaan we om met sociale cohesie in nieuwe buurten? Eén manier is die van de dienst Onderwijs, Jeugd en Zorg van de gemeente: die stellen normen op over hoeveel vierkante meter school, sportveld en wijkhuis moet komen in de nieuwe buurten. Dat gaat uit van een enorme maakbaarheidsgedachte en is ook heel institutioneel. Ik geloof daar niet zo in. De participatie die daar dan vaak bij zit, gaat uit van de participatie-elite, dat is ook geen dwarsdoorsnede van bewoners en wijkprofessionals.

Het zou goed zijn wanneer professionals uit de wijken tegenwicht bieden aan de stedenbouwkundigen. Bij plannenmaken ontbreekt vaak ook de beheerfase: de wijk is er, honden poepen op de stoep, wijkagenten sturen hangjongeren weg van het mooie plein. En dan begint het pas: hoe functioneert een nieuwe buurt nou in de praktijk? Daar moet je van tevoren rekening mee houden. Van belang is ook om de systeemwereld en de leefwereld veel eerder met elkaar contact te laten hebben. Het wijkwerkersoog moet meer domineren bij planvorming. Uiteindelijk gaat het ook niet om professionals, maar om de bewoners die er komen te wonen. En: verdichting kan ook goed zijn voor de sociale cohesie, maar dan wel een bepaald soort verdichting. Tot slot moeten we ook accepteren dat werelden altijd zullen blijven schuren.

Hierna is het de beurt aan Hettie Politiek, procesmanager van de ontwikkelbuurten in Nieuw-West en Noord. Dat zijn buurten waar de komende jaren grootschalige stadsvernieuwing plaats zal vinden; vaak ook een vorm van verdichting.

Hettie Politiek: In 2016 ging ik nadenken met professionals over hoe we Nieuw-West kunnen vernieuwen. Maar dat waren vooral directeuren. Bewoners werden vertegenwoordigd door de directeur van !WOON en gebiedsmanagers. Die laatste zochten naar een schaalgrootte waarin de nieuwe volumes gecombineerd kunnen worden met hun wereld. Vaak wordt gezegd dat nadenken met bewoners en wijkprofessionals op dit moment te vroeg is, omdat de schaal nog te groot is, het geheel is nog te abstract. Zij vinden dat participatie pas kan plaatsvinden als we echt inzoomen op straatniveau; eerst moeten de kaders helder zijn.

Deze stadsvernieuwing lijkt wat harder te zijn dan voorheen; vroeger mocht er eerder mee worden gesproken. Daar is men nu voorzichtiger mee omdat bewoners niet teleurgesteld mogen worden. En: er moet eerst overeenstemming zijn tussen alle diensten van de gemeente, een wereld op zich.

In Nieuw-West hebben we nu bijna het Ontwikkelkader Geuzenveld – Slotermeer afgerond. Dat is het resultaat van een jaar lang nadenken met corporaties en gemeente. Hierna gaan we van start met ‘ontwikkel je eigen buurt’. Hoe gaan we bewoners laten nadenken? Hoe kunnen we dat ‘kennen en gekend worden’ vooraf al meenemen en mensen ook meerjarig betrokken houden, op een manier die bij hen past?

Na deze twee introducties is het tijd voor het gesprek met de zaal. Jan merkt op dat Hettie’s verhaal topdown klinkt. Waarom haal je niet van tevoren ideeën bij professionals op? Hettie antwoordt daarop dat de kaders nou eenmaal geschetst en bepaald worden door de machthebbers: gemeente en vastgoedeigenaren.

Vanuit het publiek wordt opgemerkt dat in Buiksloterham een visie wordt ontwikkeld op de uitbreiding daar. De planontwikkelaars vinden dat bedrijven in de plint moeten en woningen erboven. Maar bewoners vinden juist dat bedrijven in de plint zorgen voor anonieme buurten. Je moet dus echt met elkaar in gesprek.

Jan vraagt aan het publiek: Hebben jullie als wijkprofessionals zelf het idee dat je gevraagd wordt om mee te denken met vernieuwing of verdichting?

Een medewerker van !WOON vertelt dat zij heeft meegedacht met de vernieuwing van de Frederik Hendrikbuurt. Juist als professional in de buurt werd zij gevraagd. Dat ging vooral over beheer.

Jantina Bijpost van !WOON merkt op dat juist het eigenaarschap tijdens de beheerfase van groot belang is. Hoe werkt het na de oplevering? Daar moeten bewoners zich eigenaar bij voelen. Dat doe je door ze mee te laten denken en voelen vooraf en tijdens het project. En het voegt natuurlijk veel kennis toe.

Jelle Houtsma van SOOZ vraagt zich af of die participatiesamenleving een blijvertje is? Zo ja, hoe krijgt dat dan vorm in de verdichte stad? Verdichting kan goed zijn voor sociale cohesie, maar dat moet je wel van tevoren goed bedenken. Zijn rol als professional zou kunnen zijn om mee te denken hoe verschillende generaties bij elkaar kunnen blijven wonen. Jelle gaat ook veel naar bewonersbijeenkomsten om mee te praten over nieuwe buurten, dat zoekt hij actief op.

Voor Hettie Politiek is een belangrijke kwestie hoe de belangen van de bestaande Amsterdammer in balans gebracht kunnen worden met die van de nieuwe Amsterdammer?

Jurgen Hoogendoorn (Grond en Ontwikkeling, gemeente Amsterdam) is het daarmee eens. Zijn oplossing is om dilemma’s veel eerder en veel eerlijker op tafel te leggen. Mensen wonen langer thuis. In allochtone gezinnen helemaal. Met dat soort vraagstukken moet je wat.

Martin van der Maas vindt het niet helemaal terecht dat soms gedaan wordt alsof top down alles verkeerd doet en bottom up alles goed. Vaak zijn bewoners ook conservatief. Niet iedereen zit op verdichting en vernieuwing te wachten. We moeten als gemeente wel uitgangspunten meegeven. Anders is er geen plek meer voor nieuwe mensen.

Een idee vanuit het publiek is om wedstrijden tussen de 22 gebieden te organiseren. Welk gebied kan de meeste woningen leveren? Wie haalt het eerste ‘Parijs’?

Jan Hoek merkt op dat het publiek vooral wil praten over de rol van bewoners en niet over de eigenstandige rol van professionals zelf. Welke rol kunnen zij nou spelen?

Vanuit het publiek klinkt te opmerking dat het soms moeilijk is om kritisch tussen de ambtelijke molens te komen. Want ze zijn ook je subsidiegever.

Een gebiedsmakelaar uit Oud-Noord vertelt over het zeswekelijkse professionaloverleg dat zij daar hebben. Daar komen de politie, woningcorporaties, zorg en welzijn samen en spreken ze over thema’s die spelen in de buurt. Als gebiedsmanagement halen zij zo onze input bij professionals vandaan.

Jan Hoek vraagt tot besluit aan de gasten: wat nemen jullie mee?

Hettie Politiek: Ik neem mee dat voor het vernieuwen met professionals dit soort debatten goed zijn. Je moet elkaar daar scherp op houden.

Martin van der Maas sluit af met een bemoediging. Hij constateert dat de stedenbouwkundige van 2018 beter ziet wat er nodig is dan 40 jaar geleden. Flexibiliteit is nodig, menging van wijken. Dat is tegenwoordig het standaardidioom van de stedenbouwkundige.

Jan Hoek sluit af met de vraag voor tijdens de borrel: wat is nodig om professionals nog meer het gevoel te geven dat ze mee kunnen praten en dat er een toegevoegde waarde voor hen is?

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+