Verslag

Verslag Stadsgesprek De Kinderstad

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

De laatste kinderen druppelen uit basisschool De Spingplank in Bos en Lommer wanneer moderator Jantina Bijpost de aanwezigen hartelijk welkom heet bij dit vijfde stadsgesprek in een serie van zeven. Dit jaar is het jaarthema ‘zorg goed voor elkaar en de stad’ en binnen dat thema gaan we iedere maand op bezoek bij een andere stad – en vandaag De Kinderstad. Hoe kan Amsterdam ook een wereldstad voor de kinderen worden? Hoe nemen we de belangen van kinderen mee in alle keuzes die we als professionals maken.

We hebben vandaag drie sprekers, die ingaan op drie stellingen waarmee we de bezoekers meenemen door De Kinderstad. Na een rondgang door het publiek blijken veel deelnemers werkzaam te zijn bij de gemeente Amsterdam, maar ook bij bijvoorbeeld Stichting SPIN, beheerder van speeltuinen in Noord, maar ook van BOOT en bijvoorbeeld het Leger des Heils. Een minderheid blijkt opgegroeid te zijn in Amsterdam. Een mevrouw meldt dat je vroeger in Amsterdam op straat kon spelen, maar dat is wel lang geleden.

Statements uit de zaal: kinderen van minima delven het onderspit, de verdichting van de stad zet speelruimte onder druk, kinderen hebben te vaak te weinig ruimte in huis,, betrek ook ouders bij plannen voor kinderen, betrekken de jeugd bij plannen voor de jeugd, gentrification kan zorgen voor een kinderloze stad, te weinig aanbod aan culturele activiteiten voor kinderen in de stad, het moet minder veilig voor kinderen worden, weinig aanbod voor echt jonge kinderen, er is te weinig ruimte voor kinderen om echt te bewegen.

De eerste stelling wordt ingeleid door Martin Hup, meewerkend directeur van Het Woeste Westen. De stelling luidt: Amsterdamse kinderen zijn watjes. Hup verdedigt deze stelling met verve. Bijna alle kinderen van de Westerse beschaving zijn watjes, en dat is de schuld van beschermende ouders die niet durven los te laten. Kinderen spelen bijna nooit meer vrij, ze worden met de auto weggebracht, gaan naar de BSO en ouders besteden twee keer zoveel tijd aan hun kinderen dan veertig jaar geleden. Juist van het vrije spelen leren kinderen veel. Juist daardoor zoeken zij risico’s op en komt veel creativiteit en fantasie vrij. Ze lossen hun eigen ruzies op en als ze vallen staan ze weer op. En ja, op straat is het gevaarlijk. Net als het hele leven. Je moet kinderen voorbereiden op risico’s en dat leren ze met het vrije spel. Daarmee leren ze skills aan waarmee ze weerbaar worden. Niet alleen ouders zijn schuldig, maar ook professionele kinderwerkers, als docenten, pedagogisch medewerkers en ambtenaren. Zij hebben veiligheid hoog in het vaandel: kinderen moeten beschermd worden. Maar zij stralen zo ook uit dat de wereld vol grote gevaren. Gevolg is dat kinderen aangeleerd wordt om geen aanvaardbare risico’s meer te nemen. We moeten kinderen juist leren dat risico’s bij het leven horen, evenals vallen, hoogte- en dieptepunten. En zo krijgen we uiteindelijk ook weerbare en flexibele volwassenen.

Een medewerker verkeersveiligheid van de gemeente herkent het verhaal van risico-inperking. Vooral ook de gemeenteraad wil graag alle risico’s afdekken en dan moet een wethouder misschien zeggen: een kind moet kunnen bloeden in de stad. Vanuit het publiek komt ook de opmerking dat ouders tegenwoordig veelal de verantwoordelijk bij alles en iedereen en niet zichzelf leggen. Ook komt het begrip ‘currling-ouders’ ter sprake: ouders die telkens het straatje voor hun kinderen schoonvegen – en niet op hun blaren laten zitten.

Het is tijd voor de tweede stelling, die wordt ingeleid door Naomi Felder, onderzoeker van Bureau Feld en co-auteur van het onderzoek ‘De nieuwe generatie stadskinderen’. Deze stelling luidt: we willen wel dat Amsterdam een kinderstad, maar we doen er eigenlijk niets aan. Felder begint met de grote veranderingen in Amsterdam. In de jaren-50 waren er 10 keer zoveel kinderen als auto’s in de stad. Nu zijn er twee keer zoveel auto’s als kinderen. Dus er is wel echt wat veranderd. Ook het spelen zelf is veranderd, bijvoorbeeld een speeltuin waar meer ouders zijn dan kinderen. In Amsterdam hebben we speelruimtenormen die passen bij leeftijd. Het invullen daarvan gebeurt vaak aan het einde van een planningstraject: we hebben nog een driehoekje over. Dat geeft als probleem dat een speelplek alleen voor één leeftijdscategorie is; daarnaast spelen kinderen overal in de stad en dat past niet in normen. We zouden als stad juist de tussenruimte veel beter benutten en daarmee pakken we de hele stad aan. Nu is iedere buurt een beetje hetzelfde opgebouwd: altijd parkeerplaatsen en een paar wonen en een stoep, bijvoorbeeld. We zouden veel meer moeten differentiëren: de fietsstraat, de bomenstraat, etc. Een goed idee is het Leeuwenhoekpleintje in Oost. Daar staat alleen paar beelden van leeuwen op, als vermaak. Buurtkinderen lopen daardoor in en uit bij elkaar, op de leeuwen, maar ook in elkaar huizen. Net als vroeger. Maar vooral: kinderbelangen moeten aan de voorkant worden ingeregeld, niet pas als sluitstuk.

Vanuit het publiek komt de opmerking dat plannenvorming heel lang en traag gaat en dus ook veranderingen daarin. Dus hoe kunnen we snel belangen van kinderen erin verwerken? We zouden bijvoorbeeld snelle pilots moeten doen, waar we snel van kunnen leren. Anne Martien van der Does merkt op dat zij bij de ontwikkelaars van Havenstad ervoor pleit dat kinderen meegenomen worden in de planvorming en de ontwikkelaars zijn daar heel erg toegankelijk voor.

Derde stelling is: er valt niet met kinderen te praten, die wordt aangevallen door Kinderombudsman Anne Martien van der Does. Volgens Van der Does kan natuurlijk heel goed met kinderen worden gesproken. Als Kinderombudsman benadruk ik aan alle instanties dat je vooral met kinderen moet praten, ook bijvoorbeeld in de jeugdzorg als ouders ruzie hebben en het kind de dupe wordt. Kinderen komen vaak met hele creatieve oplossingen, maar vaak vergeten we in de waan van de dag daarnaar te vragen. Als je met kinderen praat dan hoor je ook dat huisvesting een probleem is. Bijvoorbeeld doordat ouders gescheiden zijn en vader geen huis in Amsterdam kan krijgen. Waarom zijn er geen logeerhuizen voor vaders? Of omgangshuizen voor als de omgangsregeling tussen ouders slecht loopt. Of buurthuizen, plekken waar je kunt jamsessies kunt houden, hangplekken. Doordat de leeftijd van alcohol omhoog is gegaan, worden jongeren ook steeds meer geweigerd in bijvoorbeeld buurtcafés. Als Kinderombudsman wil zij graag in gesprek met de horeca, alles om ervoor te zorgen dat kinderen niet op straat hangen. Juist in de parken wordt door jongeren veel alcohol gebruikt en geblowd. Je moet met hen in gesprek, dus je kunt de Kinderombudsman ook op het Museumplein buiten het Van Goghmuseum vinden.

Naomi Felder haakt op het verhaal aan, maar merkt wel op dat het een kunst is om met kinderen te praten. Je hebt echt een kindermoderator nodig, anders krijg je niet het antwoord op de vraag die je wilt hebben. Kinderen nemen alles wat je zegt heel letterlijk en je moet niet zelf onderwerpen aandragen.

Volgens Martin Hup wordt er nergens in Nederland echt met kinderen geparticipeerd. Van der Does zegt dat informatie uit kinderen altijd wordt vertaald door volwassenen, dus daar moet je ook mee oppassen.

We hebben veel geleerd vandaag: we moeten een visie op kinderen maken, niet te bang zijn voor risico’s, en nog veel meer. Vanuit het publiek klinken de volgende statements van belangrijkste inzichten: dat kinderen heel creatief zijn, de kleine plekjes in de stad doen ertoe, je moeten grote holistische doelen durven te stellen (alle kinderen moeten op straat spelen!), dat vraagt veel meer van de inrichting van de stad, zien spelen doet spelen, kinderen zo vroeg mogelijk bij herinrichtingsplannen betrekken en vooral: krachten bundelen.

Met deze opgedane inzichten besluit Jantina deze inspirerende bijeenkomst en nodigt iedereen uit voor de netwerkborrel in het najaarszonnetje.

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+