Verslag

Verslag Stadsgesprek Grip op de stad

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

Jantina Bijpost heet de aanwezigen van harte welkom bij dit eerste Stadsgesprek van 2019! Dit jaar gaan we op zoek naar de stad waarin we in 2025 willen leven. Hoe moet Amsterdam er dan uit zien en welke keuzes moeten bewoners en professionals gezamenlijk maken om tot die stad te komen? We bekijken dat iedere maand voor een ander thema. Vandaag beginnen we bij de basis: hoe houden we grip op de stad? Grip kun je heel verschillend interpreteren. Vandaag hebben we ’t over hoe de overheid en publieke instellingen meer een partner van bewoners kunnen worden dan een overheid die star vanuit protocollen handelt en niet meer naar de menselijke maat kijkt. Voordat we zelf aan de slag gaan hebben we inleidingen van Annemiek Scheijde, ervaringsdeskundige en projectleider bij Cliëntenbelang Amsterdam, maar we beginnen met Dick Rijken, lector aan De Haagse Hogeschool.

Dick Rijken: “Allereerst moeten we ons realiseren dat we de vorm van hoe we dingen doen moeten veranderen. Een goed voorbeeld is leren. Dat doen we al millennia lang, ook nu nog steeds. Maar de vorm waarin we dat doen verandert. We lezen nu veel minder boeken, maar kijken naar videos op YouTube. En we ouwehoeren ook nog steeds; niet alleen in de kroeg, maar ook op Twitter. Dit brengt met zich mee dat je niet meer kunt aarden in wat je al kent. Je moet opnieuw kijken naar de waarden van wat je wilt, om deze opnieuw vorm te kunnen geven.

In het begin van de 20e eeuw hebben we alle waarden netjes georganiseerd op een manier die we nu nog steeds kennen. De waarde ‘veiligheid’ hebben we bijvoorbeeld georganiseerd met politie en leger. Het uitvoeringsniveau daarvan is ‘blauw op straat’. Sinds de jaren-90 hebben we dat uitvoeringsniveau heel efficiënt gemaakt, onder andere door privatiseringen. Hierdoor zijn we soms de waarden die achter de uitvoering zaten, vergeten. Een goed voorbeeld hiervan is de thuiszorg. Als je 75 seconden krijgt om iemand een steunkous aan te trekken, ga je dan nog uit van de waarde ‘zorgen voor elkaar’?

Daarbij komt dat soms waarden ook met elkaar in conflict zijn. Bij dementerenden kan een conflict optreden tussen de waarden ‘gezondheid’ en ‘levenskwaliteit’. Wanneer een dementerende zoveel mogelijk vrij rond mag lopen, dan betekent dit een hogere levenskwaliteit. Maar het betekent ook een gevaar voor iemands gezondheid, want iemand kan zich bezeren.

Er zijn ook waarden die we zo belangrijk vinden dat we daar alles aan ondergeschikt maken. Veiligheid is zo’n waarde, niemand is tegen meer veiligheid. Gelijkwaardigheid is er ook een.

In de dagelijkse praktijk van publieke organisaties kijken we vooral naar het uitvoeringsniveau en niet naar het waardenniveau. We kijken vooral naar het uitvoeringsniveau en niet naar het waardenniveau. Dat is ook logisch, want waarden zijn abstracter dan de dagelijkse uitvoering. Wat betekent ‘vrijheid’, en ‘gelijkheid’? Het wordt pas echt interessant als je die conflicterende waarden in de praktijk tegenkomt. Maar het is lastig om in de praktijk het gesprek hierover te organiseren. Je zou eigenlijk een constant feedback moment moeten inbouwen: een waardenklokkenluider.

Daarbij komt: waarden vallen niet te kwantificeren. Wat is de definitie van menselijkheid? Hoe kwantificeer je de kwaliteit van onderwijs? En juist kwantificeren, meten, is belangrijk in deze wereld. Kortom: hoe kun je vormgeven aan een betere samenwerking in een organisatie tussen het ontwerpniveau en het uitvoeringsniveau en hoe kun je waarden daarin een centrale rol geven? Een goede hulp daarbij is om elkaar de vraag te stellen: we doen nu dit, maar eigenlijk zouden we … moeten doen.”

Na deze inleiding duiken we de praktijk in met het ervaringsverhaal van Annemiek. Zij is projectleider bij Cliëntenbelang Amsterdam, maar ook fysiek beperkt en gebonden aan een rolstoel.


Annemiek: “Er is geen groep meer divers dan mensen met een beperking. Zij zijn niet verbonden door cultuur, gender, ras of leeftijd. Toch proberen we in onze samenleving daar algemene wet- en regelgeving op los te laten. Ik heb zelf 52 jaar ervaring als mens met een beperking. Goede ervaringen, maar ook slechte ervaringen. Vaak gaat het om hele gewone dingen: onderwijs, mijn huis moet schoon, ik moet van A naar B. Mensen die geen beperking hebben of geen mensen kennen met een beperking hebben vaak geen idee hoe ingewikkeld dat is.

Validisme is een term die we steeds meer gaan horen om dit aan te kaarten en bestaat op vier niveaus. Cultureel validisme gaat over hoe we aankijken tegen met een beperking. Invalide betekent immers letterkijk ‘onwaar’ of ‘niet waardig’. Institutioneel validisme betekent: in hoeverre wordt met de besteding van gemeenschapsgeld rekening gehouden met mensen met een beperking? Sociaal validisme ontstaat bijvoorbeeld wanneer kinderlijk gaan doen of juist doen als er niks aan de hand is. Tot slot bestaat ook intern validisme, wanneer je zelf gaat geloven dat je minder waard bent.

Onze samenleving wil graag dat mensen volop participeren. Dat betekent dat iedereen toegang moet hebben tot onderwijs, maar ook naar dat onderwijs toe moet kunnen gaan. Ik kom vaak tegen dat er beperkt naar het hele plaatje wordt gekeken. Van de gemeente heb ik bijvoorbeeld afwijzingsbrieven gekregen dat ‘van gehandicapte verwacht mag worden dat er enige beperking opgelegd wordt’. Basisscholen zijn voor 5% rolstoeltoegankelijk. Huishoudelijke hulp: er wordt gekeken naar het gemeentelijke budget en de beperkingen daarin. En niet naar: wat we willen we bereiken met die huishoudelijke hulp?”

Dick Rijken haakt hierop in: het zijn veel praktische voorbeelden, maar eronder ligt de wens om waardigheid, om serieus genomen te worden. Eigenlijk komt een soort gemakzucht naar voren: als we één dingetje regelen voor iemand met ene beperking, dan is ’t wel goed.

Annemiek vervolgt haar verhaal: “Als ik dit aankaart, dan krijg ik vaak een zuchtende reactie bij de gemeente. Je moet alles uit de kast trekken om iets voor elkaar te krijgen. Daar word je zelf ook negatief van. Ik ben juist heel positief is, maar moet me nu te veel op negatieve dingen richten. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn ze zoveel verder. Welke waarden zorgen ervoor het hier niet lukt? Gelijkwaardigheid helpt niet, ik moet gelijke kansen krijgen, vooral niet gelijk behandeld worden. Misschien kunnen media een rol spelen? BNN doet dat bijvoorbeeld goed, met aandacht vragen voor mensen met een beperking. Media kunnen een rol vervullen, met BNN bijvoorbeeld.

Zowel de burgers als de overheid willen dat iedereen zoveel mogelijk meedoet, het ideaal van de participatiesamenleving. Maar de drempels die de overheid opwerpt zijn vervolgens enorm.”

Na dit indrukwekkende relaas gaat het publiek in groepen zelf aan de slag. De opdracht: welk motto ga je morgen op je werk uitdragen om anders te gaan werken en zo meer grip op de stad te krijgen?

Uit de terugkoppeling blijken drie motto’s leidend te zijn:

  1. Handel nu! En zorg later voor de indicatie of de toestemming.
  2. Denk in mogelijkheden en niet in onmogelijkheden. Zo kan de systeemwereld beter bij de leefwereld aansluiten.
  3. Ga uit van gelijkwaardigheid en niet van gelijkheid. Gelijkheid levert namelijk nooit maatregelen op die menselijkheid bevorderen.

Met deze mooie motto’s in het achterhoofd praat het publiek na bij de borrel.

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+