Verslag

VERSLAG STADSGESPREK INFORMELE BASIS IN DE WIJK(TEAMS)

Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+

Rindert de Groot heet de aanwezigen – die massaal op het Stadsgesprek zijn afgekomen – van harte welkom. Dit Stadsgesprek is het vijfde in een serie van acht waarin we op zoek gaan naar de keuzes voor Amsterdam. In 2025 bestaat onze stad 750 jaar. In welke stad willen we dan leven en welke keuzes zijn daarvoor noodzakelijk?

Vandaag is het onderwerp de koppeling van informele zorg aan formele zorg. In 2015 is de WMO gedecentraliseerd. In Amsterdam zijn na deze decentralisatie wijkzorgnetwerken ontstaan, waarin informele en formele zorgpartijen samen in de buurt optrekken om de Amsterdammer te ondersteunen. Vanaf 2020 gaan nieuwe sociale wijkteams aan de slag. De vraag van vandaag is: hoe kunnen we de sociale basis van informele zorg zo goed mogelijk aanhaken bij die nieuwe wijkteams?

Het publiek blijkt behoorlijk verspreid te zijn over de sectoren zorg, welzijn en gemeente. Daarnaast zijn er onder andere belangstellenden vanuit de Belastingdienst, VNG, Brandweer en woningcorporaties. Een derde van het publiek blijkt niet uit Amsterdam te komen en ca. 10% komt uit Amsterdam Oost. Vijf deelnemers zijn zelf mantelzorger.

De inleiding wordt vandaag verzorgd door Sylvana van den Braak en Marjolijn de Boer, onderzoeksjournalisten bij Investico. Zij hebben recent onderzoek gedaan naar de uitvoering van de WMO en de verschillen tussen Nederlandse gemeenten. Over dit onderzoek hebben zij gepubliceerd bij De Groene Amsterdammer, Trouw en Argos. Om het onderzoek te illustreren gaan we eerst luisteren naar Wilma uit Noord, een fragment uit radioprogramma Argos.

Door de WMO hebben gemeenten een zorgplicht voor inwoners gekregen. Maar de decentralisatie ging ook gepaard met een enorme bezuiniging. Met dit dilemma worstelen veel gemeenten. Daarbij komt dat de WMO veel afwegingsruimte voor gemeenten biedt, zonder heldere kaders wat zij verplicht aan inwoners moeten bieden. Veel inwoners zijn ontevreden over een toekenning van de gemeente en spannen rechtszaken aan. 41% van deze rechtszaken worden gewonnen door inwoners, een veel hoger percentage dan bij andere wetten.

Specifiek in Amsterdam geldt dat alle hulp die huisgenoten bieden bij maatschappelijke participatie als ‘gebruikelijke hulp’ wordt aangemerkt. Dat betekent dat hier geen vergoeding voor mogelijk is. Amsterdam is hier redelijk uniek in.

Uit het onderzoek blijkt ook dat in Nederland mantelzorgers voor een besparing van 10% (ca. EUR 8 mrd) van het zorgbudget zorgen. Nu zijn er 10 mantelzorgers per 85+ inwoner, over 20 jaar zijn dat er vier. Dat betekent dat we daar beleid op moeten maken, want anders stijgen de zorgkosten tot astronomische hoogten.

Ook blijkt dat bij veel gemeenten ambtenaren ‘stil verzet’ plegen. De opdracht is dan om zo veel mogelijk zorgtaken bij het netwerk van iemand neer te leggen, maar medewerkers zien dat dat niet gaat en kennen toch formele zorg toe. In Amsterdam blijkt – volgens de onderzoekers – een redelijke balans te bestaan tussen budgetbewaking en menselijkheid.

De onderzoekers benadrukken het belang van denken vanuit het perspectief van mensen. Met zelfredzaamheid en langer thuis blijven wonen is op zichzelf niks mis. Maar we moeten alle mantelzorgers wel op onze blote knieën danken. Hoe kunnen we dit systeem in stand houden?

In het panelgesprek zoomen we in op de Amsterdamse situatie en dan voor de komende sociale netwerken en de verbinding daarvan met de informele basis. In het panel nemen Wanda Huinink, directeur van Burennetwerk en Rob van Eupen en Wilma Borgt, beide aanjager van het Verbond van 100, plaats.

Rob vertelt dat het Verbond van 100 vier pilots zijn om de wijkteams door te ontwikkelen, wat weer onderdeel is van het doorontwikkelen van het sociaal domein in Amsterdam. Binnen het Verbond worden de functies van de WMO opnieuw vormgegeven. Daarbij kijken we naar de bewoners van de wijk en niet naar de regels en protocollen. We denken aan 60/ 70 teams in Amsterdam. Alles zit daarbij in, behalve hele specialistische zaken zoals jeugdpsychiatrie. Wel zorgen we voor goede koppelingen daarmee.

Wilma is aanjager in de Dapperbuurt en bevindt zich in de eerste fase. Momenteel stelt zij haar team samen. Allemaal professionals met verschillende disciplines, die ook echt in de buurt gaan zitten.

Wanda vertelt dat Burennetwerk een netwerk van goede buren is: mensen die willen helpen in de buurt. Die mensen koppelen we aan mensen met eenvoudige burenvragen.

In de huidige situatie ligt de nadruk in de buurtzorg meer op een netwerk, dat lijkt meer gestructureerd te worden. Is er nog plek voor Burennetwerk?

Wanda maakt zich geen zorgen over Burennetwerk, maar wel over hoe informele zorg een rol kan blijven spelen, zoals dat nu geïntegreerd is in de wijkzorgnetwerken. Wij helpen dagelijks concreet formele zorgmensen anders kijken naar een casus, bijvoorbeeld hoe vrijwilligers kunnen helpen bij mensen langer zelfstandig laten blijven wonen. Van professionals kun je niet verwachten dat zij alle kennis over de buurt hebben. Er is namelijk heel veel in de buurt, maar je moet het wel weten. Dit doen we via de methodiek ‘Anders kijken, anders doen’.

Wilma beaamt dat de afgelopen jaren veel geïnvesteerd is in wijkzorgnetwerken. Daar is zij ook trots op. Maar we gaan nu niet iets heel anders doen, er wordt daar op voortgebouwd. Eén van haar speerpunten is ook dat die verbindingen blijven.

Rob vertelt dat hij hiervoor manager van Samendoen teams en zodoende vaak bij wijkzorgteams geweest is. Lastig punt daarbij was de logistiek: hoe regelen we het nou in de praktijk? Hij vindt het wel een taak van professionals dat zij de buurt kennen. Juist de matching met informele zorg is essentieel.

Volgens Wanda zijn zij juist voor die matchingsfunctie. Mensen kunnen hen bellen en zij verwijzen door naar de juist organisaties.

Zou je moeten regelen dat formeel altijd wat moet met informeel?

Vanuit het publiek komt de opmerking dat in Oost een goede samenwerking is tussen formele en informele zorg. Op bestuurlijk niveau en op uitvoeringsniveau. Als we nu dingen weer opnieuw gaan organiseren, dan zijn we weer intern bezig en vergeten we weer de mensen die we moeilijk bereiken.

Wanda valt bij dat heel veel samenwerken met informele partijen, bewonersinitiatieven, mensen in de wijk essentieel is om die mensen te bereiken. Dat zou dus echt verankerd moeten worden in de nieuwe wijkteams. Inclusief casuïstiek-overleggen met mensen in de buurt.

Volgens Rob hoor bij de opdracht van de nieuwe sociale teams: hoe kunnen we de kennis van ervaringsdeskundigen gebruiken?

Een medewerker van Doras brengt in dat we weer praten over mensen en niet met. De realiteit in de wijk is echt anders dan de blauwdruk die zij hier hoort – alles loopt door elkaar in de wijk. Daarom moeten ook bewoners aangehaakt worden bij die wijkteams.

Vanuit het publiek wordt dit beaamt: de connectie met de sociale basis moet echt verankerd worden in de wijkteams. We hadden laatst Duco Stuurman, stedelijk-directeur Sociaal van de gemeente, op bezoek en die maakt zich ook zorgen over het ontbreken van die connectie. En zeggen: ‘we denken eraan’ is te makkelijk. De connectie moet echt verankerd zijn.

Rob oppert dat zo’n match making makelaar echt in de wijk aanwezig moet zijn, anderen vinden dat dit geen makelaar moet zijn, maar inwoners zelf. Of ervaringsdeskundige beleidsmedewerkers. Een belangrijk punt daarbij is de privacywetgeving, daar kan niet zomaar aan voorbij worden gegaan.

Rob doet de toezeggen dat morgen bij zijn wijkteam een bewoner aan kan sluiten.

Wanda brengt daar tegenin dat het daarom zo jammer is dat al het beleid nu in een ivoren toren wordt ontwikkeld. Geen proces van co-creatie, maar echt op de tekentafel. En nu realiseert iedereen zich dat dat niet zo handig is. Waardoor we nu gaan schaven aan de opzet, terwijl dat te voorkomen was geweest.

Jelle Houtsma van SOOZ schrikt van de aarzeling om burgers aan tafel te laten. Zijn vrijwilligers bij SOOZ in Zuid vinden dat zij steeds meer een instrument worden en niet meer zorgen voor samenhang in de buurt.

Rob beaamt dat het ingewikkeld is en vooral een gezamenlijke zoektocht. Waarbij de bezuinigingen ook niet meehelpen.

Henriette van der Meij van de Vrijwilligerscentrale Amsterdam vraagt of Rob en Wilma ook harde toezeggingen kunnen doen? Dit komt over alles los zand.

Rob vertelt dat hij in Nieuw-West in gesprek met verschillende organisaties, vooral omdat hij zelf ook doorkreeg dat informeel te weinig is aangehaakt. Hij probeert dit zo dus een beetje goed te maken en daar is ook alle tijd voor.

Is er een weg terug, wanneer blijkt dat de experimenten van het Verbond van 100 niet geslaagd zijn? Volgens Rob wel, bijvoorbeeld als de uitkomst is dat alles duurder wordt. We gaan ook dieper de wijk in met de nieuwe teams, dus we denken dat er wel meer hulpvragen komen, simpel omdat we nu andere mensen gaan bereiken. Rob kent gezinnen waar EUR 320.000 per jaar in gepompt wordt, onder andere door dakloosheid. Alleen een goede woning zou al zoveel besparen. Veel zorgvragen komen bij ons als verkapte woningnoodvraag.

Wanda vindt het ingewikkeld dat iemand van de dienst Wonen nu ook bij een wijkteam hoort. Want die gaat de woningnood niet oplossen, dat wordt ergens anders besloten. Waarom niet echt doorpakken?

Wilma zegt dat haar team denkt vanuit het perspectief van de bewoner. Zij kunnen echt door schotten heen kijken naar wat iemand nodig heeft. Dat kan niet altijd een woning opleveren, maar zij kunnen daar wel naar kijken.

Een medewerkers van Stadsdeel Oost brengt in dat zij totaal niet betrokken zijn geweest bij de ontwikkeling van de sociale wijkteams in Oost. En dit terwijl zij goed weten wat speelt in de buurt en al lang netwerken hebben opgebouwd. Een duidelijke gemiste kans.


Vanuit het publiek komt de afsluitende opmerking dat het klinkt alsof het probleem bij de formele zorg zit, maar het probleem wordt bij de informele zorg gelegd. Het zit ‘m juist in de schakels in de formele zorg, daar moet wat mee gedaan worden. En dan vooral bottom up, en niet zoals nu topdown.

Rindert de Groot besluit de bijeenkomst met de volgende keuzes die gemaakt moeten worden:

  1. Begin bij de mens (en beschouw de mens niet als casus).
  2. Participatie in de wijkteams door inwoners zelf.
  3. Verbond van 100 moet snel toezeggen met welke informele partners zij aan de slag gaan.
  4. Co-creatie is het sleutelwoord, niet de ivoren toren.
  5. Dit gesprek moet per wijkteam in de buurt worden georganiseerd.
Deel dit bericht
Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on Google+