//  Script generated by Search Maker Pro:

sQ1=new Array();sQ1[1]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/","KennisNetwerk Amsterdam - Welkom op de startpagina van KNA","KennisNetwerk Amsterdam: voor het werken aan de sociale, economische en fysieke ontwikkeling van buurten en wijken.","        bestuurssecretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T  020-5230151 - F  020-6382976 - E  kennisnetwerk@hetnet.nl                         Nieuwsbrief 13 KennisNetwerk nu online 21 augustus Programma KNA-bijeenkomsten najaar 2006 19 augustus verslag Expertmeeting Frontlijnsturing 15 juni 1 augustus KennisNetwerk Amsterdam: voor het werken aan de sociale, economische en fysieke ontwikkeling van buurten en wijken. Eén van de belangrijkste boodschappen die het KennisNetwerk probeert over te brengen is dat opnieuw het wiel uitvinden niet efficiënt is. Probeer kennis te halen bij organisaties die affiniteit met het KNA vertonen. [ meer over het KennisNetwerk Amsterdam...] Steun ons door aandeelhouder  te worden vanKennisNetwerk Amsterdam. Hoe kunt U aandeelhouder worden?Meldt U aan! Download aanmeldformulier (Word) of aanmeldformulier (Pdf) Wat kost dat?De jaarlijkse bijdrage van de aandeelhouder is naar rato van de eigen financiële vermogens. Klik op overzicht. Wat krijg ik ervoor terug?Een uitgebreid KennisNetwerk voor uitwisseling van veel kennis en kunde over de wijkontwikkeling in Amsterdam en medezeggenschap in vaststellen programmering. Stuur of fax het aanmeldformulier naar het bestuurssecretariaat:Nieuwezijds Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T 020 – 523 01 30 F 020 – 638 29 76 kennisnetwerk@hetnet.nl Nieuwe aandeelhouders: Hogeschool van Amsterdam, ISCB Antaris Stadsdeel Osdorp Hogeschool INHOLLAND, School of Social Work, Haarlem Zone3 Bestuursdienst Altra jeugdzorg St. Welzijn Binnenstad Stadsdeel Amsterdam-Noord   Databank met documenten en cases | terug | Ga direct naar onze databank met cahiers die u kan helpen uw wijk of buurt te ontwikkelen.   Vind een kennispartner | top | Bent u lid? Dan kunt u inloggen om een partner te vinden binnen het KennisNetwerk.   Kijkje in de keuken | top | Wilt u andere partners eens laten meekijken in uw organisatie? Vindt u dit een uitgelezen kans om te netwerken, geeft u dan op bij het KNA-programmabureau.   KNA-Nieuwsbrief | top | Als lid krijgt u automatisch de Nieuwsbrief toegezonden. De Nieuwsbrief is ook op deze site in te zien.       | top |   bestuurssecretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T  020-5230151 - F  020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[2]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/matchen.html","KennisNetwerk Amsterdam - Zoeken naar kennis","","secretariaat: Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T 020-5230151 - F 020-6382976 - E kennisnetwerk@hetnet.nl             pagina's in de sectie Faciliteiten:  cahiers nieuwsbrief links reageren contact laatste nieuws vraag &amp; aanbod [intranet] KennisNetwerk Amsterdam | terug | Als u lid bent van het KennisNetwerk kunt u in de toekomst hier zoeken naar een kennispartner. In onze database worden de leden van het KennisNetwerk op basis van hun expertise en comptetenties ingeschreven. Ook zullen de leden aangegeven op welke gebieden zijzelf meer kennis kunnen gebruiken. U kunt met de leden die u hier zal vinden zelf aan de slag om bepaalde kennisgebieden werder te ontwikkelen. Het KennisNetwerk kan u daarbij faciliteren. Ons programmabureau kan u al met raad en daad bijstaan door bijvoorbeeld een geschikte werkvorm voor uw bijeenkomst te bieden.    secretariaat: Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T 020-5230151 - F 020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[3]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/archief.html","KennisNetwerk Amsterdam - Archief en cahiers","","       secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T  020-5230151 - F  020-6382976 - E  kennisnetwerk@hetnet.nl                         pagina's in de sectie Faciliteiten:   cahiers nieuwsbrief links reageren contact laatste nieuws vraag & aanbod [intranet] Documentenarchief van het KennisNetwerk Amsterdam | terug | Het online archief van het KennisNetwerk Amsterdam geeft een chronologisch overzicht van de beschikbare cahiers.  Chronologische lijst van dossiers en cahiers | top |  2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006     2006 | top |  2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006   Onderwerp Cahiers De `Case' Amsterdam30 maart 2006 (conferentie) verslag : Corporaties moeten het gaan doen (0.9 MB / acrobat reader) Overlast en jongeren13 april 2006 (werkatelier) verslag : Eerste hulp bij ergernissen (0.9 MB / acrobat reader) WMO en de mantelzorg23 mei 2006 (werkconferentie) verslag : Mantelzorger schreeuwt om erkenning (1.1 MB / acrobat reader)    2005 | top |  2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006   Onderwerp Cahiers Samen werken aan de leefbaarheid17 februari 2005 (werkconferentie)  cahier 19(2.2 MB / acrobat reader) Panel als instrument voor burgerparticipatie31 maart 2005 (expertmeeting) cahier 20(1.25 MB / acrobat reader) Creatieve industrie en culturele activiteiten. Motor voor vernieuwing van de wijk23 juni 2005 (manifestatie) bijlagen cahier 21(1.3 MB / acrobat reader) Openbare les: &quot;Jongeren en overlast&quot;, case Diamantbuurt29 september 2005  cahier 22(1.3 MB / acrobat reader) Sociale veiligheidWanneer is het eigenlijk veilig in de buurt?13 oktober 2005 open space bijeenkomst) cahier 23(1.1 MB / acrobat reader) Vertrouwen op eigen kracht17 november 2005 werkbezoek Vrouw en Vaart cahier 24(0.9 MB / acrobat reader) Sociaal investeren, investeren in mensen, wanneer en met welke opbrangst?13 december 2005 bijeenkomst cahier 25(4.8 MB / acrobat reader)    2004 | top |  2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006   Onderwerp Cahiers Kenniskring Wijkgericht werken in de stad25 februari 2004  De huismeester en de wijkmeester in beeld23 maart 2004, St. Petruskerk, Sloterdijk Deze bijeenkomst is een vervolg op het werkatelier in het Spinnewiel over het beheer van de (semi-)openbare ruimte. (16 januari 2003) cahier 14 (1,7 MB / acrobat reader)  Stadsetiquette en straatregels22 april 2004, PMB, Weesperstraat Amsterdam (lunchbijeenkomst) verslag  Stadsetiquette en straatregels26 mei 2004, Spaarndammerbuurt (werkatelier) Praktijkvoorbeelden: Projecten: stadsetiquette in Osdorp/Hertingenbuurt en Westerpark/Spaarndammerbuurt cahier 15 (0,8 MB / acrobat eader) Eigentijds bouwen aan de samenleving17 juni 2004stichting Eigenwijks, Jan Tooropstraat Overtoomschevel (werkconferentie) cahier 16 (0,6 MB / acrobat reader)  Werkatelier: Wonen, zorg en welzijn25 augustus 2004DMO Weesperstraat   X-session: Bewoners in de herstructurering23 september 2004stichting Eigenwijks, Jan Tooropstraat Overtoomscheveld (werkconferentie) verslag  Wijkeconomie en revitalisering van winkelstraten14 oktober 2004 (ronde tafel) cahier 17(2,1 MB / acrobat reader) Burenbemiddeling in Amsterdam18 november 2004Akantes, Nieuwe Herengracht (werkatelier) cahier 18(2,1 MB / acrobat reader)    2003 | top |  2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006   Onderwerp Cahiers Beheer van semi-openbare ruimtesdonderdag 16 januari 2003Het Spinnewiel, Dickenslaan 173, Zuidoost (werkatelier) Beoordeling cahier 9 (0,8 MB / acrobat reader) Herstructureren en sociaal investerenwoensdag 14 mei 2003Anne Tefle Centrum, Wiltzanghlaan 97, Bos en Lommer (expertmeeting) cahier 10 (1,5 MB / acrobat reader) De openbare les van complex 26dinsdag 23 september 2003Koepelzaal Felix Meritis, Keizersgracht 324 (werkatelier) cahier 11 (0,8 MB / acrobat reader) Exploitatie en beheer van multifunctionele accomodaties6 november 2003Communityschool, 2e Jan van der Heijdenstraat 75-77, de Pijp (expertmeeting) cahier 12 (1,4 MB / acrobat reader) de Multiculturele wijk2 oktober, 13 november en 11 december 2003 (theorie, discussie, werkatelier) Lees verder: Productenmap cahier 13 (1,7 MB / acrobat reader)    2002 | top |  2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006   Onderwerp Cahiers Bouwen aan een wijkmonitordonderdag 16 mei 2002, de Nieuwe Stad, Luthuliplein, Zuidoost (workshop) cahier 4 (1,1 MB / acrobat reader) Bewonersparticipatie bij stedelijke vernieuwingzaterdag 1 juni 2002, Stichting Eigenwijks, Jan Tooropstraat 6, Overtoomse Veld (werkconferentie) cahier 5 (1,2 MB / acrobat reader) Buurtschouw in Amsterdam donderdag 6 juni 2002, Stadsdeelkantoor de Pijp, K. du Jardinstraat 65 (bijeenkomst) cahier 6 (2,8 MB / acrobat reader) Het gebruik van ICT en sociale cohesiedonderdag 28 november 2002, Publiekscentrum Cyburg, Cruquiusweg 31a, Zeeburg  cahier 7 Ook in Amsterdam opzoomeren?donderdag 12 december 2002, Het Oosten, Sarphatistraat 410, Oost/Watergraafsmeer (bijeenkomst) Beoordeling cahier 8 (0,9 Mb / acrobat reader)    2001 | top |  2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006   Onderwerp Cahiers Startconferentie KennisNetwerk Amsterdamdonderdag 15 februari 2001 (13.30 - 18.00 uur), de Rode Hoed, Prinsengracht Amsterdam Leefbaarheidsbudgetdonderdag 18 oktober 2001, raadzaal stadsdeelkantoor Osdorp (expertmeeting)  cahier 1(1 MB / acrobat reader) Anonimiteitwoensdag 31 oktober 2001, raadzaal stadsdeelkantoor Oost/Watergraafsmeer (expertmeeting)  cahier 2 (1,9 MB / acrobat reader) Buurtvaders en buurtmoederswoensdag 14 november 2001, Multibox, de Louterstraat 15, Geuzenveld (expertmeeting)  cahier 3 (1 MB / acrobat reader)           | top |    secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T  020-5230151 - F  020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[4]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/actueel.html","KennisNetwerk Amsterdam - Actualiteiten","","        secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T  020-5230151 - F  020-6382976 - E  kennisnetwerk@hetnet.nl                         pagina's in de sectie Faciliteiten:   cahiers nieuwsbrief links reageren contact laatste nieuws vraag & aanbod [intranet] KennisNetwerk Amsterdam | laatste nieuws | KNA-secretariaat | terug | Laatste nieuws Heeft u vragen? Neem dan contact op met het secretariaat. 21 augustus 2006 | top | Nieuwsbrief no. 13 nu online In dit nummer:- Interview Ahmed Marcouch, stadsdeelvoorzitter Slotervaart- Programma bijeenkomsten najaar 2006- Nieuwe aandeelhouders- Een kijkje in de keuken download Nieuwsbrief no. 13 (PDF, 0,7 MB en leesbaar met Adobe Reader) 19 augustus 2006 | top | Programma KNA-bijeenkomsten najaar 2006 De volgende bijeenkomsten staan gepland: dinsdag 19 september: Op eigen kracht? werkatelierFocus op zogeheten NGO's (niet-gouvernementele organisaties) op buurt- en wijkniveau.Tijd: 13.30 - 17.00 uur (onder voorbehoud)Locatie: Ontwikkelingsbedrijf Amsterdam (OGA), Weesperplein 8 Lees meer over bijeenkomst donderdag 5 oktober: De burger is los! werkconferentieSociale toepassingen van ICT en nieuwe media Tijd: 13.30 - 17.00 uur Locatie:pakhuis De Zwijger. dinsdag 21 november: Burgerschap en (on)gedeelde moraal. Lezing met discussieOpkomst van een nieuwe orde?Tijd: 15.00 - 17.30 uurLocatie: het paviljoen van Het Oosten, Mauritskade. dinsdag 12 december: Jongeren in West. In het laboratoriumWaar blijven de recreatieve jongerenvoorzieningen in Amsterdam West?Tijd: 14.00 - 17.00 uurLocatie: De Society. Voor de bijeenkomst van 19 september kunt u zich reeds per email aanmelden. 1 augustus 2006 | top | Verslag over de expertmeeting over de praktijk van de frontlijnfunctionaris (15 juni 2006) Geen houwdegen maar tactisch verleider Veel inspanningen die bedoeld zijn om het woon- en leefklimaat in de wijken te verbeteren stranden in de bureaucratische stroperigheid van overheid en instellingen. In Rotterdam hebben ze daar wat op gevonden: de stadsmarinier. Deze superambtenaar mag, met steun van de hoogste autoriteiten, dwars door de ambtelijk bureaucratie heen breken met maar één doel: ervoor zorgen dat de leefbaarheid en veiligheid in de wijk worden vergroot. Ook iets voor Amsterdam? In samenwerking met de Universiteit van Tilburg, de Bestuursdienst en stadsdeel Amsterdam-Noord hield KennisNetwerk Amsterdam op 15 juni een expertmeeting over de voors en tegens van de Rotterdamse aanpak die is gebaseerd op frontlijnsturing. download het verslag (PDF, 1.0 MB en leesbaar met Adobe Reader) 6 juli 2006 | top | Op eigen kracht? Focus op zogeheten NGO's (niet-gouvernementele organisaties) op buurt- en wijkniveau. Op dinsdagmiddag 19 september 2006 organiseert het KennisNetwerk Amsterdam i.s.m. Poseidon een bijeenkomst over de NGO's op buurt en wijkniveau. D.w.z. buurtinitiatieven vanuit bewoners die op eigen kracht aan de slag gaan. Tijd: Dinsdagmiddag 19 september van 14.30 - 17.00 uurLocatie: Ontwikkelingsbedrijf Amsterdam (OGA), Weesperplein 8 Enkele buurtinitiatieven / NGO's zullen behandeld worden zoals: de Indische Buurt 2010, Stichting Bellamy Belangen en De Union, een bewonersorganisatie in de Kruidenbuurt in Tilburg-West De bijeenkomst is interessant voor: Wijkambtenaren; opbouwwerkers; managers sociaal beheer woningcorporaties; beleidsmakers stadsdelen, diensten en welzijn. Aanmelden voor de bijeenkomst via email aan Gelske Martens Lees verder de volledige vooraankondiging download de vooraankondiging en het voorlopig programma (PDF, 153 Kb en leesbaar met Adobe Reader) 30 juni 2006 | top | Nieuwe website KennisNetwerk Amsterdam online Op 1 juli gaat de nieuwe website van KennisNetwerk Amsterdam officieel online. Een nieuwe overzichtelijke website was hard nodig om het groeiend aantal leden van KennisNetwerk Amsterdam (KNA) beter en effectiever te informeren. De informatie is geordend in rubrieken als organisatie, activiteiten en initiatieven, documentatie en thematiek. De zgn. &quot;Cahiers&quot;, schriftelijke rapportages van de kennisbijeenkomsten door het KNA de afgelopen vijf jaar gehouden, zijn voor een ieder toegankelijk. Via een zoekmachine kan er op onderwerp in de cahiers en de website gezocht worden.Nieuw op de website is de kennismarkt waar aandeelhouders (leden van KennisNetwerk) hun vraag en/of aanbod kunnen matchen met die van andere leden. Deze marktplaats gaat medio september open. De oude website van het KNA is nog tot eind augustus in te zien. 29 juni 2006 | top | Jan Willem Kluit bestuurslid af eind 2006 Jan Willem Kluit (manager Algemene Woningbouw Vereniging AWV) treedt eind 2006 af als bestuurslid van het KNA. Kluit, een van de oprichters van het KNA, vindt het nu tijd om zijn bestuursfunctie aan een ander over te geven. Hij zal zelf een opvolger voordragen. 16 juni 2006 | top | Mantelzorger schreeuwt om erkenning Op 23 mei hield het KennisNetwerk Amsterdam, in samenwerking met DMO, UvA en HvA/ISCB-Karthuizer, een werkconferentie over de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), toegespitst op de ondersteuning van de mantelzorg. Het motto van de middag was hoe de ondersteuning van mantelzorg het best kan worden aangepakt. In zijn inleiding wees voorzitter Peter Lankhorst er op dat meer dan driekwart van de zorg in Nederland niet door professionals wordt uitgevoerd, maar wordt gegeven door mensen die er niet voor zijn opgeleid en de zorg ‘erbij’ doen. In de nabije toekomst zal een steeds groter beroep op deze mantelzorgers worden gedaan, stelde Lankhorst. ‘In Amsterdam bestaat meer dan de helft van de huishoudens uit één persoon. Tegelijkertijd wil de regering dat we langer gaan doorwerken. Wie gaat al die zorg straks uitvoeren? En wat wordt in Amsterdam de rol van gemeente, stadsdelen, corporaties, zorginstellingen en bewonersorganisaties bij de ondersteuning van de mantelzorg?’ download het verslag (PDF, 1.1 MB en leesbaar met Adobe Reader) 8 juni 2006 | top | Stadsdeel Osdorp is weer aandeelhouder bezoekadres:Stadsdeel OsdorpOsdorpplein 10001068 TG Amsterdam www.osdorp.amsterdam.nl postadres:Postbus 10001068 TJ Amsterdam kontaktpersoon:De heer H. Nooren (Hoofd sector Welzijn en Onderwijs)tel. 020-5180759 (secretariaat)fax 020-5180753email: hnooren@osdorp.amsterdam.nl 7 juni 2006 | top | Hogeschool INHOLLAND Haarlem nieuwe aandeelhouder De School of Social Work van de Hogeschool INHOLLAND uit Haarlem is aandeelhouder geworden van KennisNetwerk Amsterdam.De school verzorgt in Amsterdam opleidingen voor HRM-ers en maatschappelijk werkers. Lees verder ... 17 mei 2006 | top | Openheid voor veiligheid: Pilot Buurtcijfers Leefbaarheid en Veiligheid Tien buurten onder de loep Op 1 mei 2006 is de pilot Buurtcijfers Veiligheid gestart. Bij wijze van experiment worden op deze website tweemaandelijks buurtcijfers over veiligheid en leefbaarheid gepubliceerd. Amsterdammers krijgen daarmee de mogelijkheid om zelf te zien hoe de veiligheid in hun buurt zich ontwikkelt.De cijfers worden geleverd door de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, het Openbaar Ministerie en gemeentelijke instellingen als de Brandweer, de Directie Openbare Orde en Veiligheid en de Dienst Onderzoek en Statistiek. Lees verder ... 25 april 2006 | top | De `Case' Amsterdam , verslag bijeenkomst 30 maart Corporaties moeten het gaan doen in Nieuw-West De corporaties krijgen bij de herstructurering van de Westelijke Tuinsteden een veel grotere verantwoordelijkheid dan tot nu toe het geval is. Dat werd duidelijk tijdens een bijeenkomst op 30 maart van KennisNetwerk Amsterdam over de richting van de stedelijke vernieuwing in Nieuw-West. download het verslag (PDF, 875 Kb en leesbaar met Adobe Reader) 9 mei 2006 | top | Eerste Hulp bij Ergernissen, rapportage bijeenkomst 13 april Overlast en jongeren worden vaak in een adem genoemd. Niet zo verwonderlijk als je beseft dat jongeren nu eenmaal een andere leefstijl hebben dan hun volwassen buurtgenoten en heel andere ideeën hebben over het gebruik van de openbare ruimte. Dat levert meer dan eens heftige conflicten op.Is daar wat aan te doen en kan mediation hierbij wellicht een (preventieve) rol spelen? Dat was de centrale vraag tijdens een bijeenkomst van het KennisNetwerk Amsterdam op 13 april in jongerencultuurcentrum Nowhere. download het verslag (PDF, 900 Kb en leesbaar met Adobe Reader) 14 maart 2006 | top | Nieuwsbrief 12 nu online Onmisbaar, noemde burgermeester Job Cohen het KennisNetwerk Amsterdam en onvoorstelbaar dat zoiets niet eerder was bedacht. Bij de viering van haar haar eerste lustrum werd KennisNetwerk Amsterdam bedolven onder de complimenten. Lees meer over de toespraak van Job Cohen gehouden op de lustrumviering van het KNA in Nieuwsbrief 12 verder in de Nieuwsbrief aandacht voor:1) Top 5 onderwerpen geformuleerd door aandeelhouders Verbondenheid in de buurt De toekomst van de jeugd Er op af Participatie en actief burgerschap Stedelijke vernieuwing 2) Adviezen aan KennisNetwerk van Esther Agricola, directeur KEI 3) Nieuws download Nieuwsbrief 12 (PDF, 3.3 Mb en leesbaar met Adobe Reader)  KNA-bestuurssecretariaat | top | Bestuurssecretariaat:NZ Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T 020 - 5 230 151 / 5 230 130 (algemeen nummer ASW) F 020 - 6 382 976 E kennisnetwerk@hetnet.nl  Gerelateerde link(s) op deze site | top | Documentenarchief Bijeenkomsten Programma Aandeelhouders | top |     secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T  020-5230151 - F  020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[5]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/kennisnetwerk.html","KennisNetwerk Amsterdam - Over het Kennisnetwerk Amsterdam","","        bestuurssecretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T  020-5230151 - F  020-6382976 - E  kennisnetwerk@hetnet.nl                         pagina's in de sectie Organisatie:   KennisNetwerk Amsterdam voorgeschiedenis aandeelhouders kosten lidmaatschap bestuur werkorganisatie inloggen contactpersonen KennisNetwerk Amsterdam: voor het werken aan de sociale, economische en fysieke ontwikkeling van buurten en wijken. Eén van de belangrijkste boodschappen die het KennisNetwerk probeert over te brengen is dat opnieuw het wiel uitvinden niet efficiënt is. Probeer kennis te halen bij organisaties die affiniteit met het KNA vertonen. Het KennisNetwerk Amsterdam is kunnen starten dankzij subsidies van de KNHM (Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij) en het VSB-fonds. Inschrijven voor bijeenkomsten -&gt; inschrijven Steun ons  Ja, ik wil aandeelhouder worden! Hoe kunt U aandeelhouder worden?Meldt U aan! Download aanmeldformulier (Word) of aanmeldformulier (Pdf) Wat kost dat?De jaarlijkse bijdrage van de aandeelhouder is naar rato van de eigen financiële vermogens. Klik op overzicht. Wat krijg ik ervoor terug?Een uitgebreid KennisNetwerk voor uitwisseling van veel kennis en kunde over de wijkontwikkeling in Amsterdam en medezeggenschap in vaststellen programmering. Stuur of fax het aanmeldformulier naar het bestuurssecretariaat:Nieuwezijds Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T 020 – 523 01 30 F 020 – 638 29 76E kennisnetwerk@hetnet.nl Adressen  Bestuurssecretariaat:NZ Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T 020 - 523 01 30 F 020 - 638 29 76 E kennisnetwerk@hetnet.nl Programmabureau: WG-plein 4601054 SH AmsterdamT 020 - 589 29 02F 020 - 589 29 01Programmaleider: Ton BouwmanProgrammasecretaris: Gelske Martens Gerelateerde link(s) op deze site  Bestuur   Doel | terug | De stichting KennisNetwerk Amsterdam heeft als doel 'het zowel virtueel als fysiek bijeen brengen van informatie, kennis en kunde van partijen en personen die zich inzetten voor de wijkontwikkeling in de stad'. Met het organiseren van mogelijkheden voor uitwisseling wil het netwerk fungeren als een 'vliegwiel' voor de wijkontwikkeling en met name de sociale pijler daarin. Aanleiding | top | De in gang gezette gemeentelijke 'strategische' wijkaanpak is een nieuwe kans om de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van wijken voor de diverse groepen van bewoners te verbeteren. Werken aan de bovengenoemde problemen van (samen)leven in de wijken is een grote opgave. Daarmee zeggen wij niets nieuws. De kwesties die aangepakt (moeten) worden zijn evenwel complex en vragen de inzet van vele, verschillende partijen. Op de eerste plaats ontbreekt het tussen al deze betrokkenen in veel gevallen aan kruisbestuiving, aan uitwisseling van kennis en ervaringen. Sectoren, organisaties en hun 'kokers' van voorzieningen, de cultuurverschillen daartussen maken het moeilijk om initiatieven met een bredere opzet van de grond te krijgen en tot een succes te maken. Ook de complexiteit van de aan te pakken kwesties pleit voor een netwerk. Er moet geëxperimenteerd worden en die ervaringen zijn van groot belang niet alleen voor de deelnemers maar ook voor anderen die nog in de startblokken staan. Voor wie? | top | Voor opbouwwerkers, huisartsen, wijkagenten, ondernemers Voor projectleiders, directeuren, adviseurs. Voor alle partijene die een actieve rol spelen in de wijk overheden en instanties, bewonersorganisaties, en instellingen Organisatie en werkwijze | top | Het netwerk zoekt antwoorden op vragen. Het netwerk brengt mensen en partijen bij elkaar. Ervaringen worden uitgewisseld en informatie gebundeld en beschikbaar gesteld. Handvatten worden aangereikt voor nieuwe initiatieven. Ideeën voor een, verbeterde aanpak worden gestimuleerd en oplossingsrichtingen uitgewerkt. Resultaten (spin-off) worden in publicaties, hand-outs vastgelegd en verspreid. Zie ook: KNA werkorganisatie Kwesties | top | Voorbeelden van kwesties en vragen Jongeren en veiligheid Hoe samen te leven met verschillende achtergronden en oriëntaties?  (Allochtone) bewoners en buurtbeheer en leefbaarheid Hoe betrek je (allochtone) bewoners bij initiatieven rond buurtbeheer en leefbaarheid?  Bewoners bij stedelijke vernieuwing Hoe regel je de inbreng van bewoners bij stedelijke vernieuwing?  Sociale cohesie in een multiculturele samenleving Wat verstaan we onder sociale cohesie? Wanneer is er sprake van samenhang en welke initiatieven zijn succesrijk om deze situatie te bereiken? Sociale activering en maatschappelijk nuttige taken Welke aanpakken, welke methodes zijn kansrijk? Waarop kan aangesloten worden en welke condities zijn dan nodig? Zie ook: de thema's verbondenheid in de buurt, de toekomst van de jeugd, outreachend werken / er op af, participatie en actief burgerschap, stedelijke vernieuwing  Activiteiten | top | Het netwerk wil bijvoorbeeld: Ronde tafelgesprekken met specialisten Consultatiecirkels voor functionarissen Een databank, een website voor elke belangstellende Workshops voor starters. Zie ook: KNA bijeenkomsten, documentatie / cases, KNA Nieuwsbrief   bestuurssecretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T  020-5230151 - F  020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[6]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/aandeelhouders.html","KennisNetwerk Amsterdam - Aandeelhouders","","        secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T  020-5230151 - F  020-6382976 - E  kennisnetwerk@hetnet.nl                         pagina's in de sectie Organisatie:   KennisNetwerk Amsterdam voorgeschiedenis aandeelhouders kosten lidmaatschap bestuur werkorganisatie inloggen contactpersonen Gemeente (8) terug Bestuursdienst Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Amsterdam (DMO) Dienst Ruimtelijke Ordening (dRO) D ienst Stadstoezicht Dienst Wonen Ontwikkelingsbedrijf (OGA) Project Management Bureau (PMB) Bureau Parkstad Stadsdelen (11) | top | Stadsdeel Amsterdam-Noord Stadsdeel de Baarsjes Stadsdeel Bos en Lommer Stadsdeel Geuzenveld - Slotermeer Stadsdeel Oost / Watergraafsmeer Stadsdeel Osdorp Stadsdeel Oud-West Stadsdeel Oud Zuid Stadsdeel Slotervaart Stadsdeel Zeeburg Stadsdeel Zuidoost Woningbouwverenigingen (9) | top | Algemene Woningbouwvereniging (AWV) de Alliantie Eigen Haard Far West De Key Het Oosten Woningstichting Rochdale Woonmaatschappij Ymere Bewoners (2) | terug | Bewonerskoepel Palladion Huurdersvereniging Amsterdam Wijk- en Welzijninstellingen (9) | top | Combiwel Stichting Dock Stichting Eigenwijks Impuls Stichting Opbouwwerk Noord Stichting Welzijn Binnenstad Wijkcentrum CeintuurWijkcentrum Staatslieden-/Hugo de Grootbuurt St. Wijkopbouworgaan Watergraafsmeer (WOO) Stedelijke instellingen (3) | top | Amsterdams Centrum Buitenlanders (ACB) Amsterdams Steunpunt Wonen (ASW) Beroepsoverleg Opbouwwerk Amsterdam (BOA) Divers (8) top | Altra Jeugdzorg Antaris Bouwfonds MAB Ontwikkeling Hogeschool INHOLLAND School of Social Work, Haarlem Hogeschool van Amsterdam ISCB Matrix Partners Politie (Amsterdam-Amstelland) Zone3  | top |  Steun ons door aandeelhouder te worden van KennisNetwerk Amsterdam | top |  Ja, ik wil aandeelhouder worden! Hoe kunt U aandeelhouder worden?Meldt U aan! Download aanmeldformulier (Word) of aanmeldformulier (Pdf) Wat kost dat?De jaarlijkse bijdrage van de aandeelhouder is naar rato van de eigen financiële vermogens. Klik op overzicht. Wat krijg ik ervoor terug?Een uitgebreid KennisNetwerk voor uitwisseling van veel kennis en kunde over de wijkontwikkeling in Amsterdam en medezeggenschap in vaststellen programmering. Stuur of fax het aanmeldformulier naar het secretariaat:Nieuwezijds Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T 020 – 523 01 30 F 020 – 638 29 76 kennisnetwerk@hetnet.nl Nieuwe aandeelhouders | top |  Hogeschool van Amsterdam, Instituut voor Sociale en Culturele Beroepen (HVA) Antaris (Wonen, Welzijn en Zorg voor senioren in Amsterdam Nieuw-West) Stadsdeel Osdorp Hogeschool INHOLLAND, School of Social Work, Haarlem Zone3 Bestuursdienst Altra jeugdzorg St. Welzijn Binnenstad Stadsdeel Amsterdam-Noord Gerelateerde link(s) op deze site | top |  Bestuur Inloggen voor contactpersonen   Het KennisNetwerk Amsterdam is kunnen starten dankzij subsidies van de KNHM (Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij) en het VSB-fonds.  secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T  020-5230151 - F  020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[7]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/aanmeldingsformulier2006.doc","*Deze getallen in de tabel zijn ingaande 2006 eenmalig met 10% verhoogd","","*Deze getallen in de tabel zijn ingaande 2006 eenmalig met 10% verhoogd Voor het werken aan de sociale, economische en fysieke ontwikkeling van buurten en wijken Aanmeldingsformulier AANDEELHOUDER Organisatie ……………………………………………………………………… Straatnaam ……………………………………………………………………… Postcode ……………Plaats ………………………………………………… Postbus …………………………………………………… Postcode ……………Plaats ………………………………………………… Naam contactpersoon …………………………………………………… dhr/mevr. ……… Functie …………………………………………………… Telefoon / Fax …………………………………………………… Emailadres …………………………………………………… Url-adres organisatie WWW…………………………………………… Op grond van het contributiebedragenoverzicht is onze jaarlijkse bijdrage aan Kennisnetwerk Amsterdam € ………………… Wat kan het Kennisnetwerk Amsterdam voor U of Uw organisatie in 2006 doen? ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… Waarom wil Uw organisatie het Kennisnetwerk Amsterdam ondersteunen? ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… Dit formulier kunt U sturen of faxen naar onderstaand adres:");sQ1[8]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/aanmeldingsformulier2006.pdf","*Deze getallen in de tabel zijn ingaande 2006 eenmalig met 10% verhoogd","","*Deze getallen in de tabel zijn ingaande 2006 eenmalig met 10% verhoogd Voor het werken aan de sociale, economische en fysieke ontwikkeling van buurten en wijken Aanmeldingsformulier AANDEELHOUDER Organisatie Straatnaam Postcode Postbus Postcode ................................................................................. ................................................................................. ...............Plaats ......................................................... ............................................................ ...............Plaats ......................................................... dhr/mevr. ......... Naam contactpersoon ............................................................ Functie ............................................................ Telefoon / Fax ............................................................ Emailadres ............................................................ Url-adres organisatie WWW................................................... Op grond van het contributiebedragenoverzicht is onze jaarlijkse bijdrage aan Kennisnetwerk Amsterdam ..................... Wat kan het Kennisnetwerk Amsterdam voor U of Uw organisatie in 2006 doen? .............................................................................................................................. .............................................................................................................................. .............................................................................................................................. Waarom wil Uw organisatie het Kennisnetwerk Amsterdam ondersteunen? .............................................................................................................................. .............................................................................................................................. .............................................................................................................................. Dit formulier kunt U sturen of faxen naar onderstaand adres: Kennis Netwerk Amsterdam Nieuwezijds Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam tel. 020-5230130 / fax 6382976 e-mail: kennisnetwerk@hetnet.nl Voor extra informatie over aandeelhouders surf naar: www.kennisnetwerk-amsterdam.nl Jaarlijkse bijdrage (2006) aandeelhouders KennisNetwerk De jaarlijkse bijdrage van de aandeelhouder is naar rato van de eigen financiële vermogens. Daarbij wordt de volgende verdeelsleutel gehanteerd*: Streefbedrag (per aandeelhouder per jaar) in Euro's () Aandeelhouder Omzet van (in ) Bijdrage (in ) Lokale overheid en andere grote instituties zoals Kennisinstituten, Woningcorporaties e.a. Wijkwelzijnsorganisaties e.a. Meer dan 4,55 mln. Uw bijdrage* * 3.750 4,55 mln &lt; 4,1 mln. 4,1 mln &lt; 3,65 mln. 3,65 mln &lt; 3,2 mln. 3,2 mln &lt; 2,75 mln. 2,75 mln &lt; 2,3 mln. 2,3 mln &lt; 1,85 mln. 1,85 mln &lt; 1,4 mln. 1,4 mln &lt; 950.000 950.000 &lt; 500.000 3.500 3.250 3.000 2.750 2.500 2.250 2.000 1.750 1.500 1.250 1.000 750 625 Wijkorganisaties; bewonerszelforganisaties e.a. 500.000 &lt; 410.000 410.000 &lt; 365.000 365.000 &lt; 320.000 320.000 &lt; 275.000 275.000 &lt; 230.000 185.000 &lt; 140.000 140.000 &lt; 95.000 95.000 &lt; 50.000 50.000 &lt; 10.000 10.000 of minder 500 450 400 350 300 250 Adres bestuurssecretariaat: P/a. Steunpunt Wonen Amsterdam (ASW) Nieuwezijds Voorburgwal 32, 1012 RZ Amsterdam tel. 020 5230151 - fax 020 6382976 e-mail: kennisnetwerk@hetnet.nl website: www.kennisnetwerk-amsterdam.nl Bestuurssecretariaat : Riekje van Albada Adres programmaleiding en secretariaat: Programmaleider: Ton Bouwman tbouwman@matrix-experts.nl p/a. Matrix Partners WG-plein 460, 1054 SH Amsterdam Programmasecretariaat: Gelske Martens gmartens@matrix-experts.nl tel. 020-5892902- fax 020-5892901");sQ1[9]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/bijdrage.html","KennisNetwerk Amsterdam - kosten lidmaatschap","","secretariaat: Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T 020-5230151 - F 020-6382976 - E kennisnetwerk@hetnet.nl             pagina's in de sectie Organisatie:  KennisNetwerk Amsterdam voorgeschiedenis aandeelhouders kosten lidmaatschap bestuur werkorganisatie inloggen contactpersonen Jaarlijkse bijdrage (2006) aandeelhouders KennisNetwerk Amsterdam | terug | De jaarlijkse bijdrage van de aandeelhouder is naar rato van de eigen financiële vermogens. Daarbij wordt de volgende verdeelsleutel gehanteerd*: Streefbedrag (per aandeelhouder per jaar) in Euro&rsquo;s (€) Aandeelhouder Omzet van (in €) Bijdrage (in €) * Uw bijdrage* Lokale overheid en andere grote instituties zoals Kennisinstituten, Woningcorporaties e.a. Meer dan 4,55 mln. 3.750  Wijkwelzijnsorganisaties e.a. 4,55 mln &lt; 4,1 mln. 3.500   4,1 mln &lt; 3,65 mln. 3.250   3,65 mln &lt; 3,2 mln. 3.000   3,2 mln &lt; 2,75 mln. 2.750   2,75 mln &lt; 2,3 mln. 2.500   2,3 mln &lt; 1,85 mln. 2.250   1,85 mln &lt; 1,4 mln. 2.000   1,4 mln &lt; 950.000 1.750   950.000 &lt; 500.000 1.500  Wijkorganisaties; bewonerszelforganisaties e.a. 500.000 &lt; 410.000 1.250   410.000 &lt; 365.000 1.000   365.000 &lt; 320.000 750   320.000 &lt; 275.000 625   275.000 &lt; 230.000 500   185.000 &lt; 140.000 450   140.000 &lt; 95.000 400   95.000 &lt; 50.000 350   50.000 &lt; 10.000 300   10.000 of minder 250  | top |  Adres bestuurssecretariaat: Adres programmabureau: P/a. Steunpunt Wonen Amsterdam (ASW) Nieuwezijds Voorburgwal 32, 1012 RZ Amsterdam tel. 020 5230151 - fax 020 6382976 e-mail: kennisnetwerk@hetnet.nl website: www.kennisnetwerk-amsterdam.nl Bestuurssecretariaat : Riekje van Albada Programmaleider: Ton Bouwman tbouwman@matrix-experts.nl p/a. Matrix Partners WG-plein 460, 1054 SH Amsterdam Programmabureau: Gelske Martens gmartens@matrix-experts.nl tel. 020-5892902- fax 020-5892901  | top |   secretariaat: Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T 020-5230151 - F 020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[10]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/nieuwsbrief.html","KennisNetwerk Amsterdam - Nieuwsbrieven","","        secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T  020-5230151 - F  020-6382976 - E  kennisnetwerk@hetnet.nl                         pagina's in de sectie Faciliteiten:   cahiers nieuwsbrief links reageren contact laatste nieuws vraag & aanbod [intranet] KennisNetwerk Amsterdam | laatste nieuws | KNA-secretariaat | terug | NieuwsbriefLeden krijgen de Nieuwsbrief van het KennisNetwerk Amsterdam automatisch toegestuurd met de e-mail, in PDF-formaat. Om deze documenten te kunnen openen heeft u de Acrobat Reader van Adobe nodig. Als u deze nog niet op uw computer hebt geïnstalleerd, kunt u het gratis downloaden op de site van Adobe. Niet-leden kunnen op deze pagina de recente uitgaven van de Nieuwsbrief online lezen. Heeft u vragen? Neem dan contact op met het secretariaat.    Recente nieuwsbrieven (PDF) | top |  Nieuwsbrief no. 13 (september 2006) - 0,7 MB Nieuwsbrief no. 12 (februari 2006) - 2,9 MB Nieuwsbrief no. 11 (februari 2006) - 1,2 MB Nieuwsbrief no. 10 (november 2005) - 1,2 MB Nieuwsbrief no. 9 (augustus 2005) - 1,1 MB Nieuwsbrief no. 8 (juni 2005) - 1,3 MB Nieuwsbrief no. 7 (januari 2005) - 2,0 MB    Laatste nieuws | top |  Voor de meest actuele berichten.    KNA-bestuurssecretariaat | top |  Bestuurssecretariaat:NZ Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T 020 - 5 230 151 / 5 230 130 (algemeen nummer ASW) F 020 - 6 382 976 E kennisnetwerk@hetnet.nl    Andere publiekelijk toegankelijke faciliteiten | top |  Op deze site is meer informatie te vinden. De afgelopen jaren zijn diverse bijeenkomsten gehouden over thema's die door de leden zijn aangedragen. De bijeenkomsten hebben dossiers opgelevers, waarvan de cahiers de afronding vormen. Deze cahiers worden op de site voor een ieder beschikbaar gesteld.    Gerelateerde link(s) op deze site | top |  Documentenarchief Bijeenkomsten Programma Aandeelhouders          | top |   secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T  020-5230151 - F  020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[11]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/disclaimer.html","KennisNetwerk Amsterdam","","secretariaat: Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T 020-5230151 - F 020-6382976 - E kennisnetwerk@hetnet.nl              Disclaimer        secretariaat: Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T 020-5230151 - F 020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[12]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/links.html","KennisNetwerk Amsterdam - Links","","secretariaat: Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T 020-5230151 - F 020-6382976 - E kennisnetwerk@hetnet.nl             pagina's in de sectie Faciliteiten:  cahiers nieuwsbrief links reageren contact laatste nieuws vraag &amp; aanbod [intranet] Algemeen terug  Wonen | top |   Huren | top |  Huurders.info  Buurtwerk | terug |   Multiculturele buurt | top |  startpagina.nl Multicultureel  Stedelijke Vernieuwing | top |  startpagina.nl Stedelijke Vernieuwing  Gemeente | top |  amsterdam.nl   | top |   Gerelateerde link(s) op deze site | top |  Reageren Contact Aandeelhouders   Het KennisNetwerk Amsterdam is kunnen starten dankzij subsidies van de KNHM (Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij) en het VSB-fonds.  secretariaat: Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T 020-5230151 - F 020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[13]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/reageren.html","KennisNetwerk Amsterdam - Reactieformulier","","       secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T  020-5230151 - F  020-6382976 - E  kennisnetwerk@hetnet.nl                         pagina's in de sectie Faciliteiten:   cahiers nieuwsbrief links reageren contact laatste nieuws vraag & aanbod [intranet] KennisNetwerk Amsterdam | terug | U kunt hieronder uw reactie, vragen of opmerkingen invullen en vervolgens op de knop &quot;versturen&quot; klikken.   Reactieformulier | top |  Ik heb de volgende opmerkingen en/of vragen: Naam persoon: E-mail (verplicht): Opmerkingen:      Adres bestuurssecretariaat: Adres programmabureau: Bestuurssecretariaat: Riekje van Albada e-mail: kennisnetwerk@hetnet.nl T  020 - 5 230 151  -   F 020 - 6 382 976  p/a Steunpunt Wonen Amsterdam (ASW)  Nieuwezijds Voorburgwal 32, 1012 RZ Amsterdam  website: www.kennisnetwerk-amsterdam.nl  Programmaleider: Ton Bouwman e-mail: tbouwman@matrix-experts.nl T 020 - 5 892 907  -   F  020 - 5 892 901   p/a Matrix Partners   WG-plein 460, 1054 SH Amsterdam Programmabureau: Gelske Martens e-mail: gmartens@matrix-experts.nl T 020 - 5 892 902  -   F  020 - 5 892 901  | top |    secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T  020-5230151 - F  020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[14]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/contact.html","KennisNetwerk Amsterdam - contact","","        secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam T  020-5230151 - F  020-6382976 - E  kennisnetwerk@hetnet.nl                         pagina's in de sectie Faciliteiten:   cahiers nieuwsbrief links reageren contact laatste nieuws vraag & aanbod [intranet] KennisNetwerk Amsterdam | terug | U kunt hier direct uw reactie, vragen of opmerkingen invullen en naar ons opsturen.   Contactgegevens KennisNetwerk Amsterdam Adres bestuurssecretariaat: Adres programmabureau: Bestuurssecretariaat : Riekje van Albada e-mail: kennisnetwerk@hetnet.nl T  020 - 5 230 151  -  fax 020 6 382 976   p/a Steunpunt Wonen Amsterdam (ASW)  Nieuwezijds Voorburgwal 32, 1012 RZ Amsterdam  website: www.kennisnetwerk-amsterdam.nl  Programmaleider: Ton Bouwman e-mail: tbouwman@matrix-experts.nl T 020 - 5 892 907  -   F  020 - 5 892 901   p/a Matrix Partners   WG-plein 460, 1054 SH Amsterdam Programmabureau: Gelske Martens e-mail: gmartens@matrix-experts.nl T 020 - 5 892 902  -   F  020 - 5 892 901  | top |    secretariaat:  Nieuwezijds Voorburgwal 32 - 1012 RZ Amsterdam - T  020-5230151 - F  020-6382976 disclaimer © KennisNetwerk Amsterdam | kennisnetwerk@hetnet.nl INDEX,FOLLOW");sQ1[15]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/case_amsterdam_060330.pdf","Nieuwsbrief 14","","RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 19 APRIL 2006 De `case' Amsterdam Hoe ondersteun je de mantelzorger? KennisNetwerk Amsterdam nodigt u uit voor een Werkconferentie over het thema WMO en de Mantelzorg. Op deze conferentie staat de ondersteuning van de mantelzorg centraal. Donderdag 23 mei 14.00 uur tot 17.00 uur Wibauthuis Wibautstraat 3 (grote zaal) Aanmelden: gmartens@matrix-experts.nl Corporaties moeten het gaan doen in Nieuw-West De corporaties krijgen bij de herstructurering van de westelijke tuinsteden een veel grotere verantwoordelijkheid dan tot nu toe het geval is. Dat werd duidelijk tijdens een bijeenkomst op 30 maart van KennisNetwerk Amsterdam over de richting van de stedelijke vernieuwing in Nieuw-West. Nadat Robert Leferink, directeur van Bureau Parkstad, had uitgelegd wat de hoofdlijnen zijn van het akkoord, kon een aantal betrokken commentaar geven. Harry de Vries (DRO) wees op het klassieke gevaar dat altijd op de loer ligt in stedelijke vernieuwingsgebieden. Het gevaar om de inrichting van de openbare ruimte tot sluitpost van de begroting te maken, waardoor de gebiedskwaliteit snel dreigt te verschralen. Als er geld tekort is sneuvelen bijvoorbeeld al snel de geplande parkeervoorzieningen waardoor je toch weer al het blik op straat krijgt. Nieuwe aandeelhouder Antaris, organisatie voor Wonen, Zorg en Welzijn van ouderen in Amsterdam NieuwWest is toegetreden tot het KennisNetwerk Amsterdam Zie ook: www.antaris.nl Deal Volgens bestuurder Piet Dikken van Stadsdeel Geuzenveld is het nog een hele klus om de plannen die nu op tafel liggen goed duidelijk te maken aan de vele nieuwe raadsleden en bestuurders die de komende tijd in de tuinsteden én de gemeenteraad aan de slag gaan en uiteindelijk hun zegen zullen moeten verlenen aan het akkoord. Terwijl aan dat akkoord echt niet meer gesleuteld mag worden. Een van de onderhandelaars, Gerard Anderiesen van de Algemene Woningbouwvereniging waarschuwde er voor dat de corporaties absoluut de mogelijkheid moeten krijgen om, in ruil voor de investeringen in NieuwWest, voldoende huurwoningen te kunnen verkopen in de rest van de stad. Anders is er volgens Anderiesen geen deal meer. De AWV-directeur wees nog eens op de belangrijke inzet van de corporaties bij de nieuwe plannen, o.a. met de garantie voor 90.000 m2 voor sociale activiteiten tegen een redelijke prijs. PAGINA 1 RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 19 APRIL 2006 Zorgen Een van de zorgen bij de vernieuwing van de tuinsteden is het magere resultaat op economisch gebied. Weliswaar is de werkgelegenheid in het gebied gestegen, dat geldt ook voor de werkloosheid onder de lokale bevolking. Er gebeurt tot nu toe te weinig, vertelde Jaap Storteboom van Bureau Parkstad. De Dienst Werk en Inkomen zou veel actiever moeten zijn, maar DWI bij de operatie betrekken valt niet mee, aldus zijn collega Yvonne Driehuis. `Die zijn zelf steeds aan het reorganiseren.' Een van de ambities in West is om vooral de jongeren meer kansen te bieden. Misschien moet je beginnen ze een eigen woning te geven, stelde Driehuis, want daarmee geeft je ze een stuk rust en daarmee meer kansen op succesvolle scholing. Grotere woningen kunnen leiden tot meer bedrijvigheid, maar die is dan wel vaak illegaal. Wijkagent Herman Jansen had juist deze week nog twee illegale wietkwekerijen ontdekt. Meer moest worden verwacht van bedrijfjes in de `plinten' van de gebouwen, maar Storteboom maakte duidelijk dat de betaalbaarheid van kleine bedrijfsruimten tot nu toe nog een mooie wens was, maar in de praktijk nog lang niet geregeld. Bewoners Een onderwerp dat tot heftige discussie leidde was de participatie van bewoners bij de plannen. Jacqueline Kuhn van het Amsterdams Steunpunt Wonen vroeg de plannenmakers hoe ze dachten eigen initiatieven van bewoners te stimuleren. Ze was niet de enige in de zaal die vraagtekens zette bij de ver uitgewerkte plannen waartussen het zoeken is naar ruimte voor bewonersideeën. Volgens een aanwezige bewoner was alles al voorgebakken en kon men slechts ja zeggen tegen de plannen. Maar Anderiesen en ook Pieter de Jongh van Ymere bezwoeren dat ze juist zitten te wachten op ideeën van onderaf. De Jongh: `We willen vaker individuele en incidentele initiatieven steunen in plaats van de vaste bewoners- en belangengroepen.' Waarop een bewoner verzuchtte dat je wel bereid moet zijn je door een woud van papier te worstelen voor je de bureaucratie hebt overwonnen. Volgens Bert Runhaar van Care West is het minstens zo belangrijk om goed te investeren in sociaal beheer van de vernieuwde wijken. Het zijn volgens hem uiteindelijk de bewonersgroepen die de buurt een sociale structuur kunnen geven. Maar daarvoor zijn dan weer wel de middelen nodig die nu nog vaak ontbreken. PAGINA 2 RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 19 APRIL 2006 `Vooruitgang jongeren en vrouwen bepalend voor toekomst tuinsteden' Robert Leferink, directeur van Bureau Parkstad, schetste tijdens de bijeenkomst van het KennisNetwerk de hoofdlijnen van het akkoord dat de corporaties onlangs sloten met de gemeente Amsterdam en de vier betrokken stadsdelen in Nieuw-West. Een akkoord dat op dit moment opnieuw onderwerp is van onderhandelingen, ditmaal tussen de verschillende partijen die de nieuwe besturen van het Amsterdamse college en van de stadsdelen gaan vormen. Voorafgaand daaraan somde hij de belangrijkste conclusies op uit de evaluatie van vijf jaar stedelijke vernieuwing in de westelijke tuinsteden. Leferink: 'Er is redelijke tevredenheid over de voortgang van de vernieuwing, dat wil zeggen over het tempo van planontwikkeling en de realisatie van de herstructurering. De afgelopen twee jaar zijn in het gebied 1600 woningen per jaar gerealiseerd, dat is 30% van Amsterdamse productie. Maar er zijn ook zorgen, onder meer over het financiële perspectief van de grondexploitatie. De tekorten vallen hier waarschijnlijk veel hoger uit dan geraamd. Bij de huidige stand van de conjunctuur gaat het om ca. 100 miljoen euro. De tekorten zijn voor 80% te wijten aan de conjuncturele ontwikkelingen, slechts 20% komt voort uit eigen beslissingen en is dus beïnvloedbaar.' Structureel geld tekort 'De evaluatie heeft uitgewezen dat de sociale projecten goede resultaten opleveren. Ze hebben echter een wankele financiële basis, het geld ervoor moet elk jaar opnieuw bij elkaar worden gesprokkeld. Geld om de exploitatie van maat- schappelijke en culturele voorzieningen mogelijk te maken, maar ook om de huren betaalbaar te houden. Het tekort voor het maatschappelijk vastgoed bedraagt inmiddels 25 tot 48 miljoen. Een positief punt is dat de nieuwe sociale huurwoningen vooral worden betrokken door bewoners uit het gebied. Ook de koopwoningen gaan voor een groot deel naar mensen uit de tuinsteden. Dat betekent dat de mensen dus in NieuwWest blijven wonen en dat was precies de bedoeling. Ook voor de middengroepen wordt het gebied interessant, zij het dat deze ontwikkeling te traag gaat. Ondanks alle inspanningen is de sociaal economische positie van de bewoners de laatste vier jaar verbeterd, noch verslechterd vergeleken met die van de gemiddelde Amsterdammer. Er is dus geen spiraal naar beneden, maar de achterstand wordt ook niet ingelopen en dat moet wel. De belangrijkste opgave voor de komende tien jaar is daarom de sociale pijler te versterken en deze een stevige financiële basis te geven. We moeten veel meer investeren in de mensen, om te beginnen bij de 20.000 jongeren die in het gebied wonen. De sociaal economische vooruitgang van jongeren en vrouwen in het gebied zal bepalend zijn voor de toekomst van de westelijke tuinsteden.' Eenvormigheid versus diversiteit 'Een andere grote zorg is het gebrek aan diversiteit in woonmilieus in Nieuw-West. Hoewel we een grote diversiteit voor ogen hadden, zie je in de praktijk een grote mate van eenvormigheid ontstaan. Er is een sterke neiging om dezelfde soort nieuwbouw en zelfde soort omgevingen te scheppen en dat heeft alles te maken met het vermijden van financiële risico's. Om de grondopbrengsten te verhogen wordt er overal gestapeld en dat betekent dus overal dezelfde soorten appartementencomplexen. We zullen pas PAGINA 3 RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 19 APRIL 2006 een grotere verscheidenheid krijgen als het probleem van de financiële risico's is opgelost. Economisch gezien is de vernieuwing tot nog toe geen succes geweest. Net als overal zijn ook hier de kleine ondernemers slachtoffer geworden van de herstructurering. Het aantal arbeidsplaatsen in het gebied is weliswaar gestegen, het aantal werkloze bewoners eveneens. Er is dus nog altijd een grote kloof tussen het aanbod van werk en het gebruik dat de bevolking hiervan maakt.' Versterking sociale pijler 'Tot zover de terugblik op vijf jaar vernieuwing. De conclusies uit die evaluatie zijn de basis voor het nieuwe akkoord tussen corporaties en gemeente/stadsdelen. Dat akkoord gaat er vanuit dat de belangrijkste doelstellingen van de vernieuwing worden gehandhaafd en dat we doorgaan in het huidige tempo. De belangrijkste doelstelling voor de komende periode is de sociale effectiviteit van de vernieuwingsplannen te versterken. Het profijt voor de bewoners moet gewoon groter door een sterkere nadruk op de sociale pijler. Tegelijkertijd moeten we zorgen voor een structurele financiering van de sociale programma's. In de raamovereenkomst die nu op tafel ligt is sprake van een verschuiving van financiële en inhoudelijke verantwoordelijkheden van gemeente (lees de stadsdelen) naar de corporaties. Op de eerste plaats gaan de corporaties maatschappelijk vastgoed bouwen zonder financiële bijdrage van de overheid. De exploitatierisico's worden dus voortaan door de corporaties gedragen. Daar staan vrijheden tegenover in de exploitatie van de gebouwen. Ten tweede: de corporaties nemen de financiële risico's over voor alle vernieuwings- en uitvoeringsplannen die in de toekomst worden gemaakt. Ze krijgen in ruil daarvoor de ruimte om zelf te sturen op kwaliteit van de plannen, niet alleen wat betreft de gebouwen, ook die voor de openbare ruimte. De corporaties hebben bovendien als voorwaarde gesteld dat ze mogen doorgaan met de verkoop van sociale huurwoningen in Amsterdam om de investeringen in West te kunnen bekostigen.' Vrijheid binnen kaders 'De bewegingsruimte van de corporaties wordt begrensd door de kaders die door de overheid worden gesteld. De eerder gestelde einddoelen blijven ongewijzigd, zo moet 45% van de nieuwbouw uit sociale huurwoningen bestaan. De overheid stelt ook de ruimtelijke kaders vast. Die betreffen bijvoorbeeld de verdeling van de woonmilieus (dat worden er drie in plaats van negen), de wijze van parkeren, de rooilijnen en hoogte van bebouwing langs belangrijke routes, etc. Binnen die kaders krijgen de corporaties redelijk veel ruimte. Corporaties krijgen ook meer vrijheid in het bepalen van de verhouding tussen sloop en nieuwbouw. Maar ook dat weer binnen raamafspraken over het te bouwen aantal woningen in het gebied. Een belangrijk gevolg van de overeenkomst is dat de corporaties ook verantwoordelijkheden krijgen over de planning van de openbare ruimte. De aanleg van de openbare ruimte blijft ech- ter een zaak van de stadsdelen. Zij krijgen van de corporaties de middelen hiervoor waarvan de hoogte is gerelateerd aan eerder vastgelegde kwaliteitsnormen. Als de risico's van de grondexploitatie door de corporaties worden overgenomen zal er financiële ruimte bij de gemeente en de stadsdelen ontstaan. Die ruimte wordt benut voor de inrichting van een sociaal investeringsfonds Nieuw-West. Het fonds zal worden ingezet om de sociale pijler daadwerkelijk te versterken. Volgens plan zal hiervoor de komende vier jaar ca. 40 miljoen euro voor worden uitgetrokken.' PAGINA 4 RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 19 APRIL 2006 Directeur KEI verwacht meer creativiteit bij stedelijke vernieuwing leggen nu de verantwoordelijkheden bij andere partijen, met wellicht precies hetzelfde effect. We wilden meer private inmenging, op zich prima, maar waar blijft nu weer het publieke. Het is erg actie-reactie.' Wel toonde ze zich erg ingenomen met de grote aandacht voor de sociale pijler in de conceptovereenkomst tussen corporaties en gemeente. Mits dat niet leidt tot een modern soort paternalisme. 'Het is heel sterk dat wordt aangehaakt bij de kracht van de bewoners van Nieuw-West, bij het bestaande potentieel van vooral jongeren. Probeer de mensen te helpen om op de sociale ladder te stijgen.' De sociale pijler mag dan de hoofdrol opeisen in de plannen voor Nieuw-West, duidelijk is dat de investeringen nog te afhankelijk zijn van de fysieke pijler. Het blijft de zwakke plek in het geheel, meende Agricola, die ook vraagtekens plaatse bij de prominente rol die aan de corporaties is toegedicht. 'Kunnen de corporaties wel gebiedsgericht ontwikkelen en de kwaliteit garanderen? Is de overheid in staat dat goed te toetsen? Er is een reëel gevaar dat de samenhang in gebiedsontwikkeling zoek raakt. Het vraagt om z'n minst een heel inhoudelijke en duidelijke rol van de publieke sector.' Ten slotte deed de directeur van KEI een hartstochtelijke oproep het ambitieniveau van de plannen te verhogen. 'Amsterdam heeft een naam hoog te houden in de stedenbouw. Dat zie ik hier niet terug. We moeten de kennis en creativiteit die bestaat onder ontwerpers en stedenbouwkundigen veel beter benutten. De oplossingsrichtingen zijn te eenzijdig. Wellicht omdat er te weinig partijen bij de vernieuwing zijn betrokken. Hoe meer partijen, hoe meer diversiteit in de oplossingen. Kijk maar eens naar de gebieden die we met z'n allen mooi vinden.' Meer ambitie graag! De aanpak van de stedelijke vernieuwing in de westelijke tuinsteden getuigt van lef, stelt Esther Agricola van Kenniscentrum voor stedelijke vernieuwing KEI. Maar ze ziet ook zwakke punten. De plannen hebben volgens haar te weinig ambitie. Agricola was uitgenodigd de vernieuwingsplannen voor de tuinsteden van kritisch commentaar te voorzien. Ze prees uitbundig de Amsterdamse benadering, die ze veel genuanceerder en zuiverder noemde dan die in Rotterdam. 'Veel wijken in steden als Rotterdam en Eindhoven liggen er in fysiek opzicht veel slechter bij. In Amsterdam, zeker ook in Nieuw-West valt de overzichtelijke structuur op, de compactheid en helderheid van de stedenbouwkundige structuur.' Agricola was niet alleen maar gekomen om de loftrompet te steken. Ze plaatste ook een aantal kritische kanttekeningen. Ze vond dat het evenwicht bij de herstructurering in West nog lang niet is gevonden en waarschuwde ervoor niet teveel achter trends aan te hollen. 'We dreigen door te draven van stenen stapelen naar sociaal. We wilden af van blauwdrukken en topdown planning, maar Rapportage van KennisNetwerk Amsterdam Deze Rapportage wordt verspreid door het programmabureau van KennisNetwerk Amsterdam Matrix Partners,WG Plein 460, 1054 SE Amsterdam T: 020-5892907 F: 020-5892901 E: gmartens@matrix-experts.nl Tekst en vormgeving: Hans van der Jagt - Kwartslag Communicatie PAGINA 5");sQ1[16]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/1eHulp_060413.pdf","rapportage 13 april","","RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 9 MEI 2006 Eerste hulp bij ergernissen Overlast en jongeren worden vaak in een adem genoemd. Niet zo verwonderlijk als je beseft dat jongeren nu eenmaal een andere leefstijl hebben dan hun volwassen buurtgenoten en heel andere ideeën hebben over het gebruik van de openbare ruimte. Dat levert meer dan eens heftige conflicten op. Is daar wat aan te doen en kan mediation hierbij wellicht een (preventieve) rol spelen? Dat was de centrale vraag tijdens een bijeenkomst van het KennisNetwerk Amsterdam op 13 april in jongerencultuurcentrum Nowhere. in verschillende workshops nader kennis gemaakt met de methodiek die Inkr8 1 ontwikkeld heeft. Deze methodiek is gebaseerd op simpele uitgangspunten: 1. Het sussen van gemoederen die oververhit zijn is niet eenvoudig. Misschien is het effectiever om er voor te zorgen dat spanningen geen kans krijgen om te exploderen. 2. Dat kun je doen door vaardigheden in te zetten die de meeste mensen eigenlijk wel kennen, maar waarvan ze zich meestal niet bewust zijn. Laat staan dat ze die vaardigheden op een effectieve manier weten te gebruiken. Als je je bewust bent van hetgeen je eigenlijk al weet, dan kun je die vaardigheden en houding gerichter inzetten. 3. Je voorkomt escalatie door waar te nemen zonder (voor)oordeel, actief te luisteren en door open vragen te stellen. Een andere onderlegger van deze aanpak is dat achter ieder verwijt een wens schuilt en dat iedereen die met elkaar in conflict raakt of dreigt te raken, een gezamenlijke connectie heeft. De kwestie die zich vervolgens aandient is hoe dit gezamenlijke positief te benutten valt. Het totaal van deze houding en vaardigheden heet EHBE (eerste hulp bij ergernissen). Het moet er voor zorgen dat jongeren, andere bewoners en bij de buurten betrokken beroepskrachten beter in staat zijn om op eigen kracht mogelijk conflictueuze situaties met jongeren en tussen jongeren en andere gebruikers van de openbare ruimte in goede banen te leiden. De middag begon heel praktisch. De circa zestig aanwezigen kregen meteen enkele communicatieoefeningen. Daarbij bleek elkaar onderbreken en actief om aandacht vragen regelmatig een niet te onderdrukken impuls. De vraag is hoe je dat kunt doen zonder agressie op te wekken. Hoe kun je er voor zorgen dat je gehoord wordt en je oren en ogen open blijven voor hetgeen de ander te vertellen heeft? Hoe voorkom je dat je vooraf al het antwoord van je gesprekspartner hebt geïnterpreteerd, nog voor die zijn mond heeft open gedaan? Hoe kun je op een open manier elkaar tegemoet treden? De start van deze middag maakte zonneklaar dat voor communicatie altijd twee partijen vereist zijn die de wil en motivatie hebben om tot enige vorm van onderlinge uitwisseling te komen. Het belang om elkaar niet alleen te horen maar vooral ook te verstaan werd onderstreept. Gevoed met de wetenschap dat luisteren en op een zinvolle manier interventies plegen voor juiste en duurzame communicatie onontbeerlijk is, werd 1 Trainers van Inkr8 hebben een methodiek ontwikkeld om in een buurt sleutelfiguren en jongeren op te leiden tot trainer in Eerste Hulp Bij Ergernissen (EHBE) en /of bemiddelaar bij conflicten in het gebruik van de openbare ruimte. PAGINA 1 RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 9 MEI 2006 De workshops Zo gezegd zo gedaan, tenminste dat werd het motto van de vier verschillende workshops. Er werd geoefend met het stellen van open vragen. Er werd gezocht naar de bruikbaarheid van het gegeven dat bij mediaton de partijen met elkaar een (sluimerend) conflict hebben en bereid moeten zijn dat op te lossen. Het is dan wel zaak de partijen die werkelijk dat (sluimerende) conflict hebben bij elkaar aan tafel te krijgen en dus niet de vertegenwoordigers of de partijen waarvan men denkt dat die een conflict hebben. De juiste partijen aan de mediatontafel is voorwaarde voor succes. Complicatie hierbij is dat niet iedere partij die bij de overlast betrokken is altijd benaderbaar is voor een confrontatie of gesprek. Na de oefening met `het aanspreken van elkaar' bleek dat met een open respectvolle manier het meeste resultaat behaald werd. Er werd geworsteld met het gegeven hoe je jongeren `passende' verantwoordelijkheid kunt geven, zodat ze ook de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor wat er om hen heen gebeurt. En wat je als overheid of samenleving moet doen om jongeren uit te dagen die verantwoordelijkheid te nemen. Letterlijk citaat 'Ik wilde vroeger ook geen verantwoordelijkheid hebben voor wat ik deed of mijn omgeving, ik ging ook alleen maar rondhangen en grappen uithalen. Door mijn betrokkenheid bij iets positiefs en omdat ik gezien heb hoe het in Marokko is en wat wij hier hebben, ben ik veranderd. Maar ik wil nog steeds dat we in Bos en Lommer een jongerencentrum krijgen dat zeven dagen per week open is en waar leuke dingen voor ons georganiseerd worden'. De vraag waarom voor jongeren leuke dingen georganiseerd moeten worden en wat hen er van weerhoudt die leuke dingen zelf te organiseren, werd niet echt beantwoord. Vervolgens passeerden in de discussie veel voorbeelden de revue van corporaties die ruimte beschikbaar hadden gesteld voor jongeren, maar altijd weer teleurgesteld werden omdat dit direct overlast voor de buurt tot gevolg had. Het beeld ontstond dat iedereen jongeren wel een eigen ruimte gunt maar niemand de verantwoordelijkheid voor goed beheer van die ruimtes en zorg voor de omgeving kan regelen. Vervolgens was er aandacht voor de vraag hoe we er voor kunnen zorgen dat jongeren bij hun kracht blijven en vanuit het positieve, hun betrokkenheid en talenten initiatieven gaan ontwikkelen en niet vanuit narrigheid of onvrede. Dan blijkt het altijd weer moeilijker dan verwacht om zelf niet met de oplossingen aan te komen maar die aan de jongeren zelf over te laten. De casus Robert Scottbuurt In de Robert Scottbuurt (Bos en Lommer) ijvert een groep jongeren al jarenlang voor een eigen ontmoetingsruimte. Toen er een pand vrij kwam honoreerde het stadsdeel dit verzoek, waarschijnlijk meer omdat er een ruimte vrij kwam dan vanuit de motivatie en visie waarom en onder welke condities die ruimte ter beschikking gesteld zou worden. Door onduidelijke afspraken en een gebrek aan juiste investeringen bleek deze voorziening niet succesvol. In het dagelijks leven was het pand meer dicht dan open, jongeren en buurtbewoners die minder positief bij de omgeving betrokken waren veroorzaakten overlast. Ellende alom; de inventaris werd gestolen, overlast voor omwonenden nam hand over hand toe en het stadsdeel greep uiteindelijk in. Niet door de jongeren te helpen om te regelen hoe ze hier wel een plek voor zich zelf van konden maken, maar door het centrum radicaal te sluiten. Inmiddels is besloten dat deze voorziening binnenkort weer open gaat, dit keer niet voor jongeren maar voor tieners van twaalf tot en met vijftien jaar. Het vermoeden bestaat dat dit ergernis zal opwekken bij de groep van vijftien-plussers, PAGINA 2 RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 9 MEI 2006 het was per slot van rekening hun centrum en zij mogen er niet meer in. Alles kan nog mislukken en dan is alle inspanning voor niets. Capabel 2 verwacht dat deze jongeren zich niet geruisloos zullen schikken en voor spanningen in de buurt gaan zorgen. Is het mogelijk om door middel van EHBE (eerste hulp bij ergernissen) of buurt mediaton die spanningen hanteerbaar te maken? Kunnen jongeren en andere bewoners van de Robert Scottbuurt samen met beroepskrachten dank zij mediaton deze situatie in goede banen leiden? En kan de groep jongeren die met hulp van Capabel een mediatontraining heeft gedaan hier een rol in spelen? Opnieuw buigen we ons in groepen over deze vragen en proberen met wat we eerder deze middag geleerd hebben een advies te formuleren. In vier groepen worden antwoorden gezocht op de volgende vragen: o Wie zijn hier de te onderscheiden partijen die mogelijk binnenkort een conflict met elkaar krijgen? o Is mediaton ook als preventief middel in te zetten? o Zijn de jongeren die via Capabel een mediaton training krijgen inderdaad belangeloos of hebben ze zelf een belang, zijn ze partij? o Is mediaton hier de manier om erger te voorkomen? Plenair worden de uitgebrachte adviezen als volgt samengevat. De jongeren die door Capabel zijn getraind, zijn onder de huidige omstandigheden niet de meest aangewezen jongeren om dit conflict te voorkomen. Zij zitten immers in precies dezelfde positie en willen ook graag een eigen ruimte. Verder lijkt het of jongeren en buurtbewoners op een conflict afstormen maar de werkelijke partijen zijn vermoedelijk de jongeren en het stadsdeel. Voor het aanpakken van een buurtprobleem is een goed zicht nodig op alle partijen die een belang hebben. Deze partijen moeten bereid zijn en gemotiveerd worden om mee te doen, het probleem te delen en een rol te spelen bij het zoeken naar een juiste oplossing. Willen de jongeren daar in mee doen, dan is een buitenstaander/partij nodig om hen te coachen de bemiddeling in goede banen te helpen leiden. Een bemiddelende rol kan niet want zij zijn ook partij. Wel kunnen de vaardigheden en houding van jongeren van Capabel gebruikt worden om met de jongeren uit de Robert Scott contact te leggen en te bespreken waar de ergernissen zitten en wat er moet gebeuren om die te verzachten. Het is een aanrader om dit contact te leggen voordat het centrum voor tieners heropend wordt. Verder zal het stadsdeel zich moeten realiseren dat er ook geïnvesteerd moet worden om de andere jongeren uit Bos en Lommer ruimte en mogelijkheden te bieden. Niet alleen halen maar ook brengen. Essentieel hierbij is dat de begeleidende partij de jongerengroep moet adviseren, ondersteunen of faciliteren om zeker te stellen dat wat afgesproken wordt ook daadwerkelijk gebeuren kan. Bij de terugkoppeling werd duidelijk dat de twee partijen die hier om de tafel moeten waarschijnlijk het stadsdeel en de jongeren zijn. Wat nu echter dreigt te gebeuren is dat de jongeren en de bewoners van de Robert Scott met de gebakken peren 2 Capabel is een in Bos en Lommer gevestigd project dat zich richt op het verbeteren van de schoolloopbaan en het toekomstperspectief van jeugd van 0 tot 18 jaar. De doorlooptijd van het project is achttien jaar. In die tijd ontwikkelt het project stapsgewijs een doorlopend en samenhangend aanbod voor kinderen en hun ouders. PAGINA 3 RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 9 MEI 2006 komen te zitten. Het initiëren van actie tussen jongeren en stadsdeel lijkt een eerste must om te onderzoeken of er sprake van mediation kan zijn (in vaktermen pre-mediation). De bruikbaarheid van deze methodiek Volgens corporaties Natuurlijk is dit een goede manier om de communicatie te verbeteren en escalatie te voorkomen maar we moeten niet vergeten dat het hier wel gaat om heel intensieve contacten en dat kan niet altijd overal. Corporaties willen best helpen met goedkope ruimtes maar als de gebruikers dan de overlast voor omwonende niet kunnen managen is het weer snel afgelopen. Het woongenot van de zittende bewoners gaat voor, mediaton of niet. De methodiek is dus eker bruikbaar indien de juiste partijen willen deelnemen en het duidelijk is wie die twee partijen precies zijn. Waarschijnlijk is mediation bij onderlinge burenstrijd makkelijker te hanteren dan bij dergelijke gecompliceerde processen waarbij meerdere belangen door elkaar spelen. ler en makkelijker elkaar te kunnen vinden in een buurt. Ben zeer benieuwd wat dit op gaat leveren. Volgens jongeren Het blijft ingewikkeld want soms ben je helemaal geen partij meer in een conflict en kan iets gewoon opgelost worden maar gebeurt het niet omdat instanties de belangen van jongeren verwaarlozen of omdat het klaarblijkelijk niet te regelen valt. Waarom weten wij niet, De Horizon (?) had al lang open moeten zijn. Dan hadden de jongeren uit de Robert Scottbuurt daarheen gekund en was er geen enkel probleem geweest. Wiens schuld het is dat De Horizon niet open kan totdat er daadwerkelijk gesloopt wordt, weet nieman. Volgens de aanwezigen is het gewoon een kwestie van de sleutel omdraaien. Als het werkelijk zo eenvoudig is, is mediaton overbodig. Maar het lijkt gezien de verontwaardiging en de vastberadenheid om die sleutel niet om te draaien dat er toch meer aan de hand is. Volgens ambtenaren Waar we voor moeten waken is dat er weer een nieuwe methodiek zaligmakend wordt verklaard en daarmee alle bestaande vormen gedegradeerd worden. In Zeeburg loopt het allemaal vrij goed met het jongerenwerk en de jongerenvoorzieningen. Mediaton lijkt dan meer iets voor wanneer de bestaande middelen niet het gewenste effect sorteren. Volgens bewoners Het is een aardige manier om met elkaar om te gaan en misschien is dit ook een manier om nieuwe informatie te krijgen. Bewoners spreken elkaar meestal via formele overleggen en natuurlijk komen daar niet alle invalshoeken aan bod. Zeker voor jongeren zijn bewonersoverleggen en dergelijke structuren te statisch en te star. Het zou best een manier kunnen zijn waarop bewoners op een andere manier en met een bredere blik naar de omgeving kunnen gaan kijken en natuurlijk hebben we daar allemaal baat bij. Volgens politie We werken wel met mediaton, de buurtregisseurs zijn allemaal opgeleid en maken ook gebruik van deze vaardigheden. Maar het blijft redelijk gecompliceerd om de juiste partijen rond de tafel te krijgen. In de openbare ruimte of bij irritaties waar meerdere partijen bij betrokken zijn, is het een heel gedoe deze methode effectief te gebruiken. Misschien wordt het makkelijker als meer bewoners en professionals op deze manier gaan werken. In dat geval zou het kunnen helpen om snel- PAGINA 4 RAPPORTAGE KENNISNETWERK AMSTERDAM 9 MEI 2006 Randvoorwaarden en condities De verschillende partijen bij spanningen of conflicten moeten te onderscheiden zijn en te motiveren zijn om met elkaar in contact te komen en moeten geïnteresseerd zijn en belang hebben in een oplossing. Professionals moeten bewoners en jongeren serieus nemen en in gesprek durven en willen gaan. Er moet een zeker draagvlak en voldoende professionaliteit aanwezig zijn bij bewoners en jongeren om op deze manier te kunnen communiceren. Bewoners en jongeren moeten geen onderdeel van de buurt zijn als ze effectief als mediator willen optreden. Alle betrokken (professionele) instanties moeten goed op de hoogte zijn van de mogelijkheden van buurtmediation, er voor open staan en er gebruik van durven maken. Last but not least, buurt mediaton is een nieuwe beweging die op gang geholpen moet worden. Het lijkt er op dat stadsdelen en mogelijk ook de corporaties, de beste positie hebben om deze methode op gang te brengen. Het laatste woord over buurtmediation is nog niet gezegd. In de stadsdelen Noord en Bos en Lommer wordt met de methode geëxperimenteerd. Het KennisNetwerk Amsterdam houdt u op de hoogte van de uitkomsten. Nieuwsbrief van KennisNetwerk Amsterdam Deze Nieuwsbrief wordt verspreid door het programmabureau van KNA Matrix Partners,WG Plein 460, 1054 SE Amsterdam t:020-5892907 f: 020-5892901 e:gmatens@matrix-experts.nl Tekst: Gelske Martens Opmaak: Hans van der Jagt,Kwartslag Communicatie, PAGINA 5");sQ1[17]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/Rapportage%20Mantelzorg.pdf","Rapportage Mantelzorg","","Rapportage Kennisnetwerk Amsterdam WMO biedt kansen, maar brengt ook risico's met zich mee 14 juni 2006 Mantelzorger schreeuwt om erkenning Niet zo, maar zo! 23 organisaties van consumenten, patiënten, cliënten, mantelzorgers en de vakbeweging boden begin dit jaar de Tweede Kamer het Manifest `WMO, niet zo, maar zo' aan. Het bevat een aantal uitgangspunten en aanbevelingen waaraan een goede WMO moet voldoen: · volwaardige participatie en eigen regie over de persoonlijke situatie. · vraagsturing, keuzevrijheid en zeggenschap · voldoende en adequate woon-, zorg- en welzijnsvoorzieningen. · zorg en ondersteuning verleend door gekwalificeerde medewerkers. · behoud kwaliteit en volume van werkgelegenheid voor medewerkers in de zorg. · rol CAO partijen bij werkgelegenheidsgevolgen wordt vastgelegd. Op 23 mei hield het KennisNetwerk Amsterdam, in samenwerking met DMO, UvA en HvA/ISCB-Karthuizer1, een werkconferentie over de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), toegespitst op de ondersteuning van de mantelzorg. Het motto van de middag was hoe de ondersteuning van mantelzorg het best kan worden aangepakt. In zijn inleiding wees voorzitter Peter Lankhorst er op dat meer dan driekwart van de zorg in Nederland niet door professionals wordt uitgevoerd, maar wordt gegeven door mensen die er niet voor zijn opgeleid en de zorg `erbij' doen. In de nabije toekomst zal een steeds groter beroep op deze mantelzorgers worden gedaan, stelde Lankhorst. `In Amsterdam bestaat meer dan de helft van de huishoudens uit één persoon. Tegelijkertijd wil de regering dat we langer gaan doorwerken. Wie gaat al die zorg straks uitvoeren? En wat wordt in Amsterdam de rol van gemeente, stadsdelen, corporaties, zorginstellingen en bewonersorganisaties bij de ondersteuning van de mantelzorg?' Kansen Nadat Prof. dr. Evelien Tonkens, bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam, de ontwikkeling van de zorgzame samenleving in historisch perspectief had geplaatst (zie pagina 5), werd de mening gevraagd van twee vertegenwoordigers van organisaties voor mantelzorgers over de WMO in relatie tot de mantelzorg. Volgens Ellis van der Meulen van Mezzo, de landelijke vereniging van mantelzorgers, stond men aanvankelijk kritisch tegenover de WMO. De nieuwe wet werd vooral gezien als een manier om ver- der te bezuinigen. In overleg met andere cliëntenorganisaties werd echter besloten ook te kijken naar de kansen die de WMO biedt. Het overleg tussen de organisaties leidde tot een manifest met een hele reeks aanbevelingen die bescherming moeten bieden aan mantelzorgers en hun positie moet versterken. Het werd aangeboden aan de Tweede Kamer en leverde een aantal moties en amendementen op die het regeringsvoorstel behoorlijk hebben aangepast. De wet ligt nu bij de Eerste Kamer. De organisaties zijn blij met de wijzigingen, maar stellen de de leden van de Eerste Kamer voor om nog verder aan de wetstekst te sleutelen totdat er werkelijk een WMO ligt die de toets der kritiek kan doorstaan. Betekent dit dat de cliëntenorganisaties al met al nu positief staan tegenover de WMO? 1 Het praktijk- en onderzoekscentrum van het Instituut voor Sociale en Culturele Beroepen (ISCB) van de Hogeschool van Amsterdam. pagina 1 Rapportage Kennisnetwerk Amsterdam 14 juni 2006 Van der Meulen: `We moeten goed oppassen en alert blijven. Een van de dingen die voorkomen moet worden is dat de indicatieorganen minder hulp gaan toekennen als mantelzorgers actief zijn.' Zoektocht Ook Maria Hoeffnagel van het regionaal Platform Mantelzorg Amsterdam-Diemen toonde zich tegelijkertijd kritisch en optimistisch over de WMO. `De wet biedt kansen om goede voorwaarden voor de mantelzorg te krijgen. En die zijn echt nodig. Op de eerste plaats om mantelzorgers te beschermen die de neiging hebben eerder teveel te zorgen dan te weinig. En verder om grenzen af te bakenen voor potentiële mantelzorgers. Die worden nu nog vaak afgeschrikt door de enorme druk die op hun schouders komt te liggen. Als er goede voorwaarden zijn en mensen weten dat ze niet overbelast raken, zullen ze eerder bereid zijn zorg voor partner, ouders of buren op zich te nemen.' Hoeffnagel gaf als voorbeeld een jonge dementerende man die al 15 jaar door zijn vrouw wordt verzorgd. Ze raakte hierdoor zo overbelast dat ze zelf in de WAO terechtkwam. Nu de man gebruik kan maken van dagopvang en af en toe in een logeerhuis terecht kan ontstaat er lucht en kan de vrouw jaren vooruit en voor haar man zorgen op een goede manier. Hoeffnagel wees er op dat een dergelijke combinatie van mantelzorg en professionele ondersteuning niet zomaar tot stand komt. `Het is een hele zoektocht geweest om dit voor elkaar te krijgen.' Serieus nemen Volgens Elis van der Meulen komt de mantelzorger weer in beeld nu hij harder nodig is. Dat brengt ook risico's met zich mee, zei ze. `Het gevaar bestaat dat er veel meer van die mantelzorger verwacht wordt. Maar het biedt ook de kans om nu eens goed te kijken naar de behoeften en naar de knelpunten.' Volgens Maria Hoeffnagel hebben professionals in de zorg nog lang niet altijd door dat de mantelzorger degene is die veel ervaring heeft, weet waar hij over praat en dus serieus genomen moet worden. `Soms wordt er langs de man- telzorger heen gekeken. Soms wordt er een beroep op de mantelzorger gedaan waar de cliënt bij zit waardoor hij in een onmogelijke positie wordt gebracht. Wie zegt er immers in zo'n situatie nee? Mantelzorgers moeten erkend worden als zelfstandig gesprekspartner, volgens Hoeffnagel. Op de vraag van Lankhorst wat mantelzorgers de komende jaren het hardst nodig hebben, antwoordde Van der Meulen dat er vooral goed moet worden geluisterd naar mantelzorgers. Ze wees op een onderzoek naar respijtzorg, waaruit bleek dat het bestaande aanbod helemaal niet aansluit bij de behoefte van mantelzorgers. Die willen het liefst ondersteuning thuis, in plaats van speciale voorzieningen buitenshuis. Volgens de mantelzorgorganisaties kunnen ook de woningcorporaties iets doen. Ze zouden bijvoorbeeld de regels kunnen versoepelen. Kinderen die nu tijdelijk bij hun ouders intrekken om te zorgen, kunnen hun eigen woning in die periode niet aanhouden. Dat betekent dat ze op straat komen te staan als de ouders overlijden. De corporaties zouden hier flexibeler mee moeten omgaan. Forumdiscussie De vraag hoe het nu verder moet met de ondersteuning van de mantelzorg werd voorgelegd aan een forum met Ayhan Yalin, bestuurder van stadsdeel Bos en Lommer, Evelien Tonkens, bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap aan de UvA, Hans van Harten, directeur van de Federatie van Woningcorporaties en Bart van der Neut, directeur van Raster, een instelling voor maatschappelijke dienstverlening. Allereerst was de vraag wat in Amsterdam op dit punt de rol van de overheid moet zijn. Volgens Evelien Tonkens heeft de overheid de klassieke regierol. Zij moet kijken waar de voorzieningen zijn en waar ze ontbreken. Tonkens wees op het gevaar dat we allerlei zaken gaan regelen over de hoofden van de cliënt heen, zonder dat we nagaan wat de mensen zelf willen. `Terwijl we juist willen dat mensen de gelegenheid krijgen om dingen te doen die aansluiten bij datgene wat in hun leven altijd belangrijk is geweest. Dat is dus meer dan enkel een oppas regelen. De WMO biedt hiervoor wel kansen.' Bestuurder Ayhan Yalin meende dat de overheid bescheidenheid past. `De rol van de overheid is die van de leerling. Alle voorzieningen voor mantelzorg zijn door Den Haag bedacht, niet door ons hier in Amsterdam. Het is onmogelijk om alles wat de WMO wil, te laten uitvoeren door mantelzorgers; bovendien is het onbetaalbaar. Mantelzorgers kunnen kwaliteit bieden die professionals nooit kunnen bieden. De professionals zullen nauw moet gaan samenwerken met de mantelzorgers.' Kunnen professionele hulpverleners de samenwerking met de mantelzorgers aan, wilde Lankhorst weten van Bart van der Neut. Die wees er op dat de maatschappelijke dienstverlening een heel breed terrein is en voorzieningen omvat als schuldhulpverlening, ouderenwerk, sociale raadslieden, enz. Van der Neut zag voor de instellingen voor maatschappelijke dienstverlening twee pagina 2 Rapportage Kennisnetwerk Amsterdam klantgroepen ontstaan: de bewoner die zorg behoeft en de mantelzorger die ondersteuning nodig heeft bij het bieden van zorg. `Als instelling voor maatschappelijke dienstverlening hebben wij voldoende te bieden aan die laatste groep. Wij kunnen voorzieningen verbinden, mensen op weg helpen.' Hans van Harten ging verder in op de rol van de corporaties. `De corporaties zien het als uitdaging om mensen zo lang mogelijk te laten wonen in hun vertrouwde omgeving. Ook als dat lastiger wordt bijvoorbeeld vanwege een handicap. Dat betekent dat we woningen willen aanpassen en aanpasbaar willen bouwen. Als mensen in hun vertrouwde omgeving kunnen bijven wonen, kunnen ze gebruik blijven maken van hun vaste netwerk.' Hij verklaarde zich tegenstander van het aanpassen van de regels voor woningtoewijzing. Volgens Van Harten moest de oplossing niet worden gezocht in institutionele vormen en in verandering van regels, maar in maatwerk. `Corporaties mogen een deel van hun woningbezit buiten Woningnet toewijzen. Daar kunnen we gebruik van maken.' Op de vraag wat in Amsterdam nodig is om de mantelzorg op hoger niveau te brengen, reageerde Tonkens: `We denken er nu nog te economisch over, in de zin van tekorten en vraag en aanbod. Het gaat er echter om dat mensen weer plezier krijgen in het zorgen voor elkaar. Het gaat ook om de verhoudingen in wat voor inspanningen er worden verricht. Sommige mensen doen heel veel in een sociaal netwerk, anderen nauwelijks iets. Dat hoef je niet klakkeloos te accepteren.' Iemand uit de zaal wilde weten wat de WMO betekent voor de werkwijze van de professionele zorg- en dienstverleners? De spreekster formuleerde zelf een antwoord: `Het betekent een behoorlijke omslag in de aansturing en uitvoering van de professionals. Er zal een nieuwe werkwijze moeten worden ontwikkeld die beter aansluit op wat mensen in de wijken willen.' Volgens Bart van der Neut van Raster zijn de instellingen voor maatschappelijke dienstverlening al druk bezig hun organisaties om te bouwen en af te stemmen op de vragen die op hen afkomen. `We gaan meer naar de mensen toe, letterlijk. Het outreachend werken is in opkomst.' Van der Neut wees ook op de beperkingen. De instellingen lopen tegen hun grenzen aan wat capaciteit betreft, zei hij. `We krijgen steeds meer taken op ons bord omdat andere branches zoals de jeugdzorg 14 juni 2006 en de psychiatrie zich terugtrekken op hun kerntaken en de zorg overlaten aan de lokale maatschappelijke dienstverlening. Je kan niet anders dan keuzes maken wie je wel en niet helpt, tenzij de overheid meer middelen beschikbaar stelt.' Van der Neut erkende dat de instellingen hun hulp effectiever moeten organiseren. Dat kan volgens hem door gebruik te maken van een netwerk van welzijnsvoorzieningen in de buurt. Ayhan Yalin zei in een reactie hierop niet te verwachten dat de overheid met extra faciliteiten en middelen komt, zoals Van der Neut wil. `We moeten reëel zijn. Vanuit Den Haag komt er minder geld. Aan de andere kant, bij de gemeente zit ook geld. Wij zijn in ieder geval voor een outreachende werkwijze. Maar meer geld is niet het hele antwoord.' Wilfred Diekmann van HvA/ISCB zag een belangrijke taak voor de opleidingen voor sociale en culturele beroepen. Die moeten volgens hem inspelen op de veranderende rol van de professional in het kader van de WMO en de mantelzorg. Dat gebeurt tot nu toe te weinig, erkende hij. `Er is behoefte aan een andere manier van werken en samenwerken waarbij professionals en mantelzorgers elkaars leerling zijn. Dat moet in de praktijk worden uitgeprobeerd, geëvalueerd en verbeterd.' pagina 3 Rapportage Kennisnetwerk Amsterdam Iemand uit de zaal miste in de discussie over de WMO helderheid over de organisatie van de mantelzorg, zowel op stadsniveau als op individueel niveau. `Het gaat niet alleen om meer middelen maar ook om het effectiever inzetten ervan. We moeten meer kijken naar de kwaliteiten van mantelzorgers. Die worden door de professionals van de maatschappelijke dienstverlening lang niet altijd goed benut en ingezet. Er is veel te weinig aandacht voor de organisatie van de zorg en van mantelzorgondersteuning. Rondom cliënten is een hele brei van zorgverleners. Dat vergt een goede organisatie. Misschien kan het dan wel veel goedkoper en hoeft er minder professionele zorg ingezet worden.' De spreker bleek zelf geruime tijd mantelzorger te zijn geweest en vertelde over zijn eigen ervaring. `Mijn moeder kreeg enige tijd geleden een heftige psychose. De hele familie heeft er toen voor gezorgd dat ze niet opgenomen hoefde te worden. Twee mensen uit de familie namen de hele coördinatie van de zorg op zich. Alle professionals, van de thuiszorger en de huisarts tot de psychiatrisch arts voegden zich in deze organisatie. Door deze coördinatie en organisatie was er geen opname nodig, weinig psychiatrische hulp, hoefde de thuiszorg weinig te worden ingezet. Het vergt van de professionele zorg dat ze de kwaliteit die in de mantel aanwezig is erkennen. Vanuit de familie moest nogal wat druk op de professionals worden gezet.` 14 juni 2006 Vraag van Lankhorst was ook wat bewonersorganisaties kunnen doen? Namens Palladium vroeg Theo van Woudrigem of bewonerscommissies mogelijk een rol kunnen spelen bij het ondersteunen van mantelzorgers. En zouden de woningcorporaties dat dan kunnen stimuleren en faciliteren? Volgens Hans van Harten van de Federatie van Woningcorporaties staat of valt dat bij de bereidheid van bewoners. Aan de corporaties zal het niet liggen, stelde hij. `Wij investeren tegenwoordig niet alleen in woningen, maar ook in maatschappelijk vastgoed, in voorzieningen die bestemd zijn voor gebruik door maatschappelijke dienstverlening , onderijs, welzijn e.d. Daar kunnen ook faciliteiten bijhoren als een ontmoetingsruimte die aansluit bij de behoefte van mantelzorgers aan een eigen plek.' Van Harten zei zich ook te kunnen voorstellen dat wijkconciërges een signalerende functie krijgen naar de mantelzorg.' In zijn afsluitende samenvatting concludeerde Peter Lankhorst dat de WMO kansen biedt, maar ook risico's met zich mee brengt. Het gaat erom dat professionals met elkaar en met de mantelzorgers gaan samenwerking en dat er een goede verdeling van de taken komt. Maar bovenal dat mantelzorgers serieus worden genomen als deskundigen en als gesprekspartner. Kortom om herkennen, erkennen, communiceren en organiseren.' Het mantelzorgspel Henk is dementerend en is bovendien reumapatiënt. Voorlopig woont hij nog thuis, maar dat lukt alleen dankzij zijn vrouw Rita, die hem permanent moet verzorgen en begeleiden. Om dat te kunnen doen heeft zij wel haar fulltime baan moeten opzeggen. Rita wil dolgraag weer meer gaan werken, maar durft haar man niet alleen te laten. Onder leiding van Hans Malschaert van HvA/ISCB speelden de bezoekers van de werkconferentie het Mantelzorgspel. Verdeeld in groepjes kregen ze een rol toebedeeld, als vriend, ouderenadviseur, corporatie, thuiszorger, zoon, huisarts, mantelzorgmakelaar, buurman of maatschappelijk werker en dienden ze antwoord te geven op de hulpvraag van Henk en Rita Op zoek naar pareltjes in de mantel Het programmabureau van KNA werkt met ISCBKarthuizer, UvA en DMO aan een vervolg op de werkconferentie van 23 mei. Op aanbeveling van mantelzorgers willen de initiatiefnemers van de conferentie op zoek gaan naar `slimme oplossingen van zorg in de mantel'. Daaronder verstaan wij efficiënte en werkbare oplossingen voor een passende zorg die mantelzorgers en klanten in de eigen praktijk hebben bedacht. Oplossingen die soms niet zo voor de hand liggen maar met veel creativiteit zijn gerealiseerd, door handig gebruik te maken van de specifieke mogelijkheden. Een beter zicht op deze praktijken kan weer stimulansen geven aan verdere ontwikkeling: gericht onderzoek en experimenten met vernieuwende aanpakken. Wij houden u op de hoogte! pagina 4 Rapportage Kennisnetwerk Amsterdam 14 juni 2006 Van gezinslid tot actief burger In haar inleiding schetste Evelien Tonkens de positie en betekenis van de mantelzorg(er) sinds de jaren vijftig. Voor 1950 Centrale actor Gezin Lokale gemeenschap Communitarischtisch De burger is primair lid van sociale, religieuze of etnische gemeenschap en ontleent daaraan zijn waarden en identiteit. 1950-1980 Overheid 1980-2000 Markt Sinds 2000 Burgers/ Civil society Burgerschapsopvatting Van communitaristisch naar liberaal Liberaal De burger is primair vrij individu met individuele rechten en passieve plichten jegens overheid, bijv. belasting betalen) Communitaristisch en Republikeins De burger is primair lid van een politieke gemeenschap en is georiënteerd op het dienen van de publieke zaak. Cliënt Gezinslid Patiënt Consument Actief burger Verhouding mantelzorgprofessionele zorg Nadruk op mantelzorg Professionalisering Individuele rechten van cliënten; marktsturing (persoonsgebonden budget is exemplarisch); nadruk op mondige cliënten Bureaucratisering; Verwaarlozing van niet-mondige burgers `Gebruikelijke zorg': meer verantwoordelijkheid voor mantelzorgers en vrijwilligers Risico's Verwaarlozing Bureaucratisering Verwaarlozing van eenzame burgers en andere risicogroepen Overvraging van mantelzorgers Overvraging van overheid Overvraging van mantelzorgers en vrijwilligers Uitdagingen Alle partijen actief: overheid, instellingen, burgers, (markt) Democratisering; Erkenning van pluriformiteit én gelijkheid pagina 5 Rapportage Kennisnetwerk Amsterdam 14 juni 2006 W t leren we hiervan voor voor praktijk, beleid en onderzoek? a Die oudere logica's zijn niet geheel weg- ze blijven deels aanwezig, en zorgen voor spanningen · tussen beleidslijnen (bijvoorbeeld in de WMO : aanbesteding (markt), en tegelijkertijd meer zeggenschap van belanghebbenden (actief burgerschap) · tussen identiteiten van betrokkenen: een actief burger heeft andere wensen en rechten dan een familielid of een patiënt, Grootste gevaar is te denken dat één van de partijen (overheid, markt, burgers) het kan oplossen; die al snel overvraagd met alle problemen van dien, zoals we die in het verleden al hebben meegemaakt. worden dan Grootste vraag voor onderzoek en beleid: · hoe kunnen we nieuwe vormen van onderlinge betrokkenheid en steun organiseren, niet alleen tussen burgers onderling maar tok tussen burgers, overheid en instellingen? De verhouding mantelzorg- professionele zorg is niet een kwestie van meer en minder. Het is daarom niet alleen een kwestie van vraag en aanbod (waar beleid zich tot nu toe sterk op richt.) Wat we van mantelzorgers vragen en hoe die dat ervaren, hangt af van de sociale en normatieve inrichting van de verzorgingsstaat en van de opvattingen van burgerschap. · wat ervaren mensen als rechten, wat als plichten, wat als verantwoordelijkheden? · er is geen objectieve maat; de vraag is: wat vinden mantelzorgers zwaar, te zwaar en wat vinden ze onrechtvaardig? · dit hangt samen met gevoelsnormen (feeling rules) Onderzoek naar vraag en aanbod is niet genoeg; in het beoogde onderzoek in het kader van het onderzoeksnetwerk WMO (HvA/UvA) doen we daarom onderzoek naar betekenisgeving en beleving: · wat voor betekenis heeft mantelzorg voor mensen zelf? · wanneer vinden mantelzorgers het een verrijking van hun leven, wanneer een belasting, wanneer een te zware last? Waar hangt dat van af? · welke zorg in welke situaties ervaren cliënten als geschikt voor mantelzorgers, en waaneer hebben ze liever een professional? Waar hangt dat van af? Om daar zicht op te krijgen, is ons onderzoek verdeeld in vier thema's: 1. Spanningen tussen de identiteiten van zorgontvangers en de implicaties daarvan voor mantelzorgers en professionele zorgverleners. Er is een tendens naar actief burgerschap van zowel patiënten en cliënten. Maar er zijn ook oudere rollen waarop zij aangesproken worden en elkaar aanspreken: rollen van patiënt, gezinslid en van consument. Projecten bijvoorbeeld: Wat bezielt de mantelzorger? Waarom zorgt iemand voor een ziek familielid? Is dat belangeloze zorg (agape)? Hoe zien familie-banden eruit waarin mantelzorg bestaat in deze seculiere tijden? Waarom doen die mantelzorgers eigenlijk überhaupt nog iets in seculiere tijden, sterker nog, doen ze het terwijl het ze (fysiek en emotioneel) heel veel kost? Plicht, schuld, wat voor gevoelens spelen een rol? Of zou het toch nog liefde kunnen wezen? Relationeel burgerschap: Exploreren van nieuwe notie van burgerschap zoals die gestalte kan krijgen in informele zorg, namelijk relationeel burgerschap. Evelien Tonkens: `Het gaat er om dat mensen weer plezier krijgen in het zorgen voor elkaar.' pagina 6 Rapportage Kennisnetwerk Amsterdam 2. Publieke en private verantwoordelijkheden 14 juni 2006 De WMO impliceert een verschuiving van publieke en private verantwoordelijkheden. Maar hoe precies? Welke nieuwe verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen overheid, burgers en maatschappelijke organisaties is zichtbaar? Wat vinden de betrokkenen wenselijk? Wat vinden ze noodzakelijk? Hoe kunnen mensen de zorg voor hun naasten en hun andere publieke en private verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld voor werk of maatschappelijke participatie) met elkaar combineren? Mantelzorg en werk: hoe kunnen mensen beide combineren? Wat zijn problemen, wat kunnen overheid en organisaties doen om die te helpen oplossen. Respijtzorg: welke behoeften aan respijtzorg bestaan er en hoe kan respijtzorg het beste worden vormgegeven? Toegang van etnische groepen en lage inkomensgroepen tot formele zorg. Wat is de toegang van een specifieke etnische groep of lage inkomensgroep tot formele zorg, en hoe verandert die onder invloed van de WMO? Welke factoren (SES, taal, cultuur etc.) verklaren een verminderde toegankelijkheid? Zijn professionele zorgverleners voldoende toegerust om zorg te kunnen verlenen aan mensen van niet-westerse allochtone afkomst? 3. Sociale cohesie en de sociale integratie van kwetsbare groepen De WMO verwacht veel van sociale netwerken in wijken. Daarin moeten actieve burgers elkaar ondersteunen. Een mooie gedachte, maar wat is er eigenlijk voor nodig? Wat kunnen overheid en instellingen doen om sociale netwerken te creëren en versterken? Welke groepen lopen het meeste risico op isolement? Zorgbehoefte en sociale cohesie binnen etnische groepen. Wat is de behoefte aan zorg binnen een bepaalde etnische groep en welke mogelijkheden zijn er om aan die behoefte tegemoet te komen via informele zorg? Hoe verhoudt dit zich tot de vaak veronderstelde grotere mate van sociale cohesie binnen allochtone groepen? Thuis voelen: wanneer voelen kwetsbare groepen zich thuis in welke buurt? Wat is daarvoor nodig? 4. Democratische controle en beïnvloeding De WMO verwacht ook veel van democratische invloed op het beleid van belanghebbenden, met name patiënten. Maar hoe moet dat gestalte krijgen? Hoe kunnen ook de meest kwetsbare patiënten vertegenwoordigd worden- ook degenen die zelf niet mee kunnen vergaderen? Welke ruimte komt er voor mantelzorgers en professionals om namens hen het woord te voeren? Projecten: Democratische invloed van belanghebbenden in de WMO: hoe verloopt dat nu, wat zijn obstakels, wat kan er beter? We hebben ook internationale samenwerkingspartners in universiteiten in andere landen. We hebben een eerste conferentie gehad, een tweede volgt in najaar. We zoeken natuurlijk in Nederland ook samenwerkingspartners in instellingen en overheden. We willen daarom graag horen wat jullie vragen zijn en hoe we daar op kunnen aansluiten. Rapportage van KennisNetwerk Amsterdam Deze Rapportage wordt verspreid door het programmabureau van KNA Matrix Partners WG Plein 460 1054 SE Amsterdam T: 020-5892907 F: 020-5892901 E: gmartens@matrix-experts.nl Tekst en vormgeving: Hans van der Jagt, Kwartslag Communicatie Foto's: Jaap Maars pagina 7");sQ1[18]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/cah19.pdf","cah19.pdf","","Samen werken aan de leefbaarheid De Leefbaarheidsmonitor 2003 resultaten, aanpak, rollen en verantwoordelijkheden Verslag werkconferentie 17 februari Cahier 19 Kennisnetwerk Amsterdam Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC) Dienst Wonen Amsterdam, April 2005 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Inhoud: Inleiding De Leefbaarheidsmonitor 2003 Verslag werkconferentie Bijlagen: I: Websites 15 17 27 3 5 7 II: Resultaten van de Leefbaarheidsmonitor 2003: door Jeroen van der Veer, senior beleidsmedewerker AFWC III: Deelnemerslijst Colofon KennisNetwerk Amsterdam -2- Inhoudsopgave Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Inleiding Een leefbare buurt is van grote betekenis voor de kwaliteit van het wonen in de grote stad. De stedelijke visie op de leefbaarheid in Amsterdam1 stelt dat de aanpak en inzet voor de leefbaarheid op straatniveau de sleutel is, tot het bereiken van een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. Corporaties, stadsdelen, bewonersorganisaties, diensten en maatschappelijke organisaties voelen zich aangesproken. Zij alle werken aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. Maar hun rol daarin of hun bijdrage daaraan verschilt nogal omdat hierover verschillende meningen bestaan wie verantwoordelijk is voor wat. In opdracht van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties, Dienst Wonen en de Amsterdamse stadsdelen is in 2003 een groot onderzoek verricht naar leefbaarheid in de stad. Dit leefbaarheidsonderzoek maakt deel uit van het grote tweejaarlijkse onderzoek &quot;Wonen in Amsterdam 2003&quot; waaraan bijna 18.000 Amsterdammers hebben meegewerkt. De uitkomsten laten zien dat in een aantal stadsdelen de leefbaarheid beter kan. Bewoners vinden vooral dat het onderhoud en schoonhouden van straten, pleinen en groen moet verbeteren. De leefbaarheidsrapportage geeft een gedetailleerd beeld van de wijze waarop bewoners de leefbaarheid in hun stadsdeel, wijk en buurt beoordelen en geeft inzicht in de ontwikkeling tussen 2001 en 2003. Naar aanleiding van deze rapportage organiseerde KennisNetwerk Amsterdam op 17 februari 2005 de werkconferentie Samen werken aan de leefbaarheid. Doel was om betrokken partijen te laten discussiëren over een aanpak en met elkaar te beslissen welke maatregelen nodig zijn voor een leefbaarder Amsterdam. In dit verslag vindt u de resultaten en uitkomsten van deze bijeenkomst. KennisNetwerk Amsterdam wenst u veel leesplezier! 1 Een stedelijke Visie op de Leefbaarheid(aanpak) in Amsterdam, Uitwerking in het kader van de Beleidsovereenkomst Wonen Amsterdam 2001-2002, Amsterdams Volkshuisvestingsoverleg, februari 2002. KennisNetwerk Amsterdam -3- inleiding Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Leefbaarheidsmonitor 2003 Uitkomsten in het kort De Leefbaarheisdmonitor is een monitoringsinstrument. Bewoners gaven een reactie en rapportcijfer op 25 aspecten van leefbaarheid. Deze zijn: Totaaloordeel Woningvoorraad Onderhoud woningen Woonomgeving Onderhoud straten/stoepen Groenvoorzieningen Onderhoud groenvoorzieningen Voorzieningen Ontwikkeling buurt Ontwikkeling kwaliteit woningen Ontwikkeling kwal. Woonomgeving Ontwikkeling kwal. Buurtvoorziening Ontwikkeling parkeren Ontwikkeling openbaar vervoer Sociale cohesie Buurtbetrokkenheid Burenoverlast Overlast van personen Overlast door vuil en stank Ongewenste activiteiten Criminaliteit Veiligheid overdag Veiligheid 's nachts Verkeersoverlast Aanbod parkeervoorzieningen Tevredenheid De tevredenheid over de buurt in het algemeen is licht toegenomen tussen 2001 en 2003. Op de vraag: `Hoe tevreden bent u met uw buurt?' geven de Amsterdammers gemiddeld een 7,0 (tegen 6,9 in 2001). De meeste stadsdelen krijgen een ruime voldoende. Bewoners van het Centrum, Oud-Zuid (beide 7,9) en Zuideramstel (7,8) blijken het meest tevreden. Bewoners van Bos en Lommer geven gemiddeld ­ net als in 2001 ­ het laagste cijfer als totaaloordeel voor hun buurt (5,7), een stijging overigens van 0,3 t.o.v. 2001. Vervuiling Bewoners vinden vooral dat het onderhoud en schoonhouden van straten, pleinen en groen moet verbeteren. Van alle overlast ergeren Amsterdammers zich het meest aan vervuiling (rapportcijfer 6,0). Vooral in Bos en Lommer (5,2), Zeeburg (5,5) en Geuzenveld/Slotermeer (5,5) zijn bewoners ontevreden over de mate van vervuiling. De overlast van vervuiling is sterk afgenomen in Oud-West en Zuidoost, maar toegenomen in Geuzenveld/Slotermeer en Zeeburg. Gemiddeld laat het onderzoek wel een kleine verbetering zien ten opzichte van 2001, toen er een 5,7 op dit onderwerp werd gescoord. Met uitzondering van Osdorp wordt het onderhoud en schoonhouden van straten, pleinen en groen het vaakst genoemd als verbeteraspect, gevolgd door de veiligheid op straat. In Osdorp staat de verbetering van de veiligheid op straat bovenaan. KennisNetwerk Amsterdam -5- Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Ontwikkeling sinds 2001 Leggen wij de cijfers voor de buurt van 2001 en 2003 naast elkaar dan laten vrijwel alle leefbaarheidsaspecten een lichte verbetering zien. De tevredenheid over de buurt is het sterkst vooruitgegaan in Bos en Lommer, OudZuid, De Baarsjes en Oud-West (+0,3). Bij de stadsdelen Amsterdam-Noord en Geuzenveld/ Slotermeer is die juist afgenomen (-0,1 en 0,4). In Zuidoost is de tevredenheid van de bewoners over de buurt toegenomen van 6,5 in 2001 naar 6,7 in 2003. Dat is een stijging boven het Amsterdamse gemiddelde. De stedelijke vernieuwing in de Bijlmermeer in combinatie met de aanpak van leefbaarheidsproblemen werpt duidelijk vruchten af. Bron illustratie: NUL20 nr. 15 KennisNetwerk Amsterdam -6- Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Pleidooi voor meer regie van centrale stad bij aanpak leefbaarheidsproblemen 'Leefbaarheid is niemands core business' Leefbaarheid is 'hot'. Richtte de aandacht zich tot voor kort vooral op het bekende 'schoon, heel en veilig', sinds de moord op Theo van Gogh en de gebeurtenissen in de Diamantbuurt, gaat het ook om het prettig en vreedzaam samen leven en wonen in de buurt. Stadsdeelorganisaties, woningcorporaties en maatschappelijke organisaties voelen zich aangesproken, maar de vraag is: wie doet wat en wie neemt het voortouw? Over de beste aanpak, de rolverdeling en de verantwoordelijkheden hield KennisNetwerk Amsterdam in samenwerking met de Dienst Wonen en de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC) in de stad op 17 februari een bijeenkomst in het gloednieuwe Bruggebouw boven de A10. Dat het onderwerp leeft, bleek wel uit de overweldigende belangstelling voor deze bijeenkomst. Meer dan 150 bestuurders, beleidsmakers en uitvoerende professionals hadden zich vooraf gemeld bij het KennisNetwerk. De invalshoek van de bijeenkomst was de samenwerking tussen alle partijen die bij de leefbaarheid in een wijk betrokken zijn: stadsdelen, woningcorporaties, welzijnsinstellingen, politie en andere maatschappelijke organisaties. Een samenwerking die niet als vanzelfsprekend tot stand komt en in de praktijk nogal wat fricties vertoont, aldus Hans van Harten die de bijeenkomst leidde. Als directeur van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties stak hij daarbij meteen de hand in eigen boezem. Uit een imago-onderzoek dat vorig jaar op last van de Federatie was uitgevoerd, bleek dat onder andere de stadsdeelorganisaties vinden dat corporaties veel te weinig aan leefbaarheid doen. De corporaties op hun beurt verwijten de stadsdelen al jaren gebrek aan inzet op dit gebied. Kennelijk zijn er verwachtingen over en weer anders dan de werkelijkheid, concludeerde Van Harten. 'De zaal zit vol met beleidsmakers, maar ook met mensen die met beide benen in de dagelijkse praktijk staan. Het moet dus lukken om de knelpunten en belemmeringen in de samenwerking boven water te krijgen. Het zou al heel wat zijn als we een aantal tips en trucs kunnen bedenken om de knelpunten te omzeilen.' Stijgers en dalers Waar hebben we het over als we praten over leefbaarheid? Sinds enkele jaren wordt het oordeel van Amsterdammers over de leefbaarheid van hun woonomgeving nauwkeurig gemeten. Als onderdeel van een veel breder onderzoek naar het wonen in Amsterdam, werd in KennisNetwerk Amsterdam -7- Verslag werkconferentie Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 2001 voor het eerst gevraagd hoe tevreden bewoners waren over hun buurt en wat ze als grootste ergernissen beschouwden. Omdat Amsterdammers zich ook in 2003 over de leefbaarheid konden uitspreken, zijn inmiddels voorzichtige vergelijkingen mogelijk. Jeroen van der Veer, senior beleidsmedewerker bij de AFWC, was uitgenodigd om een toelichting te geven op de uitkomsten van het meest recente leefbaarheidsonderzoek. Over het algemeen waren Amsterdammers in 2003 iets tevredener over hun buurt dan twee jaar daarvoor, vertelde Van der Veer. Het totaaloordeel over de buurt steeg van 6,9 naar 7. Maar die positieve tendens geldt lang niet voor alle buurten, vertelde de onderzoeker. Er zijn duidelijke stijgers en dalers aan te wijzen. Zo is de leefbaarheid in delen van Amsterdam Noord, Zeeburg en Geuzenveld/Slotermeer er volgens de bewoners flink op achteruit gegaan. Met name het laatstgenoemde stadsdeel springt er in negatieve zin uit. De waardering voor leefbaarheid daalde hier van het toch al niet hoge 6,5 naar een zeer magere 6,1. Aan de andere kant laat Amsterdam Zuidoost, vanouds een zorgenkindje op het gebied van leefbaarheid, een meer dan gemiddelde stijging zien van de tevredenheid over de buurt. Een bewijs, volgens Van der Veer dat de stedelijke vernieuwing hier vruchten begint af te werpen. Voor alle stadsdelen geldt dat vervuiling en criminaliteit onbetwist bovenaan de lijst van grootste ergernissen blijven staan. Maar ook hier zijn verschuivingen waar te nemen. OudWest bijvoorbeeld, doet het wat vervuiling betreft een stuk beter dan in 2001, waarschijnlijk als gevolg van ondergrondse vuilopslag die tussen de twee metingen in dit stadsdeel werd geïntroduceerd, aldus Van der Veer. Gericht beleid van het stadsdeelbestuur en investeren in vernieuwing lijkt dus wel degelijk zin te hebben, was een van de conclusies die de onderzoeker uit de cijfers trok. Hij wees ook op schijnbaar tegengestelde ontwikkelingen. Stadsdeel Bos en Lommer, dat onderaan de lijst staat als het gaat om het totaaloordeel over de buurt, laat de sterkste toename in waardering zien. Maar in het aangrenzende Geuzenveld/Slotermeer is de tevredenheid over de leefbaarheid juist sterk afgenomen. Het lijkt er op dat de leefbaarheidsproblemen zich naar de randen van de stad aan het verplaatsen zijn, aldus Jeroen van der Veer. Niet praten, maar schrijven De tweede spreker op deze middag was Hans Luiten, stadsdeelvoorzitter van Bos en Lommer. Luiten vertelde blij te zijn met de recente uitkomsten van het leefbaarheidsonderzoek. Na jarenlang tegen dalende waarderingscijfers te hebben aangekeken, is voor Bos en Lommer eindelijk een lichte vooruitgang te bespeuren. Het verbaasde hem niet: de verhalen op straat wezen de laatste tijd al in dezelfde richting. Volgens Luiten had met name de opening van het totaal vernieuwde Bos en Lommerplein de waardering van bewoners flink omhoog gestuwd. Alvorens vijf punten te noemen waarop het stadsdeel de laatste jaren heeft ingezet om de leefbaarheid te verbeteren, stelde Luiten vast dat leefbaarheid een containerbegrip is dat op verschillende manieren kan worden ingevuld. Zelf vond hij dat de kern moest worden gezocht in het gevoel van bewoners dat ze grip op hun buurt hebben. 'Je moet er niet alleen voor zorgen dat de straten schoon zijn, maar bewoners vooral het gevoel teruggeven dat de straat en de buurt van hen is en dat ze er verantwoordelijk voor zijn. Ze moeten er weer in gaan geloven dat ze het met z'n allen kunnen doen. Als men dat gevoel mist, ben je kansloos.' De vijf speerpunten waarmee stadsdeel Bos en Lommer dit gevoel onder de bewoners wil terugbrengen zijn volgens Luiten: 1. Stedelijke vernieuwing om de leegloop te stoppen en het vertrek tegen te gaan van bewoners die best in het stadsdeel willen blijven wonen maar er geen geschikte woning kunnen vinden. In Bos en Lommer worden duizenden, met name grotere woningen gebouwd, om aan de behoefte van deze groep tegemoet te komen. Deze woningdifferentiatie moet bewoners vasthouden en hen de kans geven in de buurt te wortelen, aldus Luiten. Behalve woningen worden er ook nieuwe voorzieningen gebouwd zoals een bibliotheek. 2. Versterken van het veiligheidsgevoel. In Bos en Lommer wordt geïnvesteerd in preventieve veiligheid, met name door hanggroepjongeren van straat te halen. Van de veertien groepen die het stadsdeel enkele jaren geleden nog telde, zijn er nog zes over en ook die zitten 'in de klem' volgens Luiten. Het preventieve beleid gaat hand in hand met repressief beleid, stelde hij. 'Groepen die intimideren moet je kost wat kost aanpakken, anders krijg je nooit een veilige wijk, hoe fraai de woningen ook zijn.' Luiten KennisNetwerk Amsterdam -8- Verslag werkconferentie Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 vertelde blij te zijn met de gemeentelijke plannen om een straatverbod mogelijk te maken voor jongeren die permanent overlast veroorzaken. 3. Opknappen van een aantal verloederde plekken, zoals onveilige tunnels. Uit eigen onderzoek bleek dat bewoners de aanpak hiervan hoog waarderen en daardoor de leefbaarheid in hun buurt een hoger cijfer geven. 'Blijkbaar gaat er een positieve werking van uit en krijgen bewoners weer geloof in hun wijk.' 4. Hard aanpakken van overtredingen. Volgens Luiten zijn we veel te lang blijven steken in de jaren zeventig en is er veel te veel getolereerd. Hij noemde met name het hardere optreden tegen overtredingen van de milieuwetgeving. 'Enkele jaren geleden werd er hooguit één bekeuring per maand uitgedeeld. Dat zijn er inmiddels zeventig.' Bos en lommer heeft het aantal milieuagenten van twee naar zes uitgebreid. 'Niet praten, maar schrijven' is het parool. Volgens Luiten om te laten zien dat de overheid het niet pikt als er een rotzooitje van wordt gemaakt. 5. Stimuleren van kunst en cultuur. 'Omdat cultuur de motor is om groepen bewoners tot elkaar te brengen.' Luiten kondigde de opening aan van een multicultureel muziekpodium in de voormalige Pniëlkerk. 'Een begin, maar nog veel te weinig', aldus Luiten die wees op een gebrek aan middelen om op dit gebied meer te kunnen doen. Gevoelig punt De stadsdeelvoorzitter beperkte zich niet tot de successen in de aanpak maar ging ook in op de vraag waar de overheid nog steken laat vallen. 'We doen nog veel te weinig samen met bewoners. Je kunt een nieuw plein aanleggen en goed samenwerken met een projectontwikkelaar, maar ik zou dat toch graag ook met bewoners erbij doen. Ideaal zou zijn als in elk van de zes buurten in Bos en Lommer bewoners zelf een top vijf van leefbaarheidsproblemen samenstellen en dat die vervolgens zouden worden aangepakt door de vier partijen die je daarbij nodig hebt: stadsdeel, corporaties, politie en bewoners zelf.' Luiten noemde de ketenaanpak onontbeerlijk: een strak op elkaar aansluitende aanpak waartussen geen loze ruimte kan vallen. De rol van de corporaties zou wat hem betreft veel groter mogen zijn met name als het gaat om het handhaven van de regels. Concreet noemde hij de illegale onderhuur die in Bos en Lommer naar schatting 20 tot 25% bedraagt en onvoldoende door de corporaties wordt aangepakt. 'Ik snap niet dat corporaties niet om de zoveel tijd van deur tot deur gaan om te controleren wie er exact woont. Ze zou- den dan meteen ook eens kunnen vragen hoe het wonen bevalt.' Sprekend over de samenwerking corporatiesstadsdelen roerde de stadsdeelvoorzitter nog een gevoelig punt aan: de omvang van de financiële bijdrage aan leefbaarheid. Volgens Luiten zou die bijdrage een stuk hoger moeten zijn. Hij beriep zich hierbij op cijfers van de landelijk koepel van woningcorporaties Aedes, die had becijferd dat corporaties gemiddeld ongeveer zeventig euro per bewoner aan leefbaarheid uitgeven. Volgens dit onderzoek blijven de Amsterdamse corporaties daarbij ver achter. Volgens Luiten zouden in Bos en Lommer de corporaties maar twaalf euro per bewoner in leefbaarheid steken. 'Ik zie veel corporaties ontzettend veel doen aan leefbaarheid, maar het zit nog niet altijd in een ketenaanpak waardoor je de problemen beter kunt aanpakken. Die lacune moeten we de komende jaren gaan opvullen.' De opmerking van Luiten dat corporaties te weinig overhebben voor leefbaarheid, riep meerdere reacties op. Volgens Larry Bath, gebiedsmanager bij De Dageraad, zitten de bijdragen van de corporaties verstopt in allerlei bijdragen die wel degelijk met leefbaarheid van doen hebben, zoals steun aan buurtactiviteiten. In de jaarrekening van corporaties staan die bijdragen niet letterlijk onder de kop leefbaarheid vermeld, stelde hij. 'Misschien zouden we dat ten behoeve van de transparantie wel moeten gaan doen.' Ook Luiten zou graag zien dat de bedragen letterlijk in de begrotingen van de corporaties zichtbaar worden. 'Als de bedragen duidelijk en vergelijkbaar zijn, kan daarna de vraag worden beantwoord of die toereikend is.' Volgens Hans van Harten buigt de AFWC zich naar aanleiding van de klachten inmiddels over de vraag hoe het kan dat er zo'n discrepantie bestaat tussen de landelijke en de stedelijke financiële inspanningen op dit gebied. 'Het is vreemd omdat de problemen met leefbaarheid in Amsterdam relatief toch veel groter zijn dan die in de rest van het land. We gaan het uitzoeken en komen er zonder meer op terug.' KennisNetwerk Amsterdam -9- Verslag werkconferentie Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Non-issue Jan Willem Kluit, manager sociaal beheer bij de Amsterdamse Woningbouw Vereniging, zou in zijn inleiding nader ingaan op de rollen en verantwoordelijkheden van de bij de leefbaarheid betrokken partijen. Maar hij liet al direct aan het begin van zijn verhaal weten wat hij het allerbelangrijkste vindt bij de aanpak van de leefbaarheidsproblematiek. 'Er moet veel meer stedelijke ondersteuning komen voor de mensen die in de wijken met leefbaarheid bezig zijn', stelde Kluit. Hij illustreerde zijn stelling met het voorbeeld van een veelbelovend bewonersinitiatief in de Spaarndammerbuurt dat door gebrek aan coördinatie en ondersteuning volledig de mist in dreigt te gaan. 'Een groepje actieve bewoners wilde met het instellen van een 'straatetiquette' een soort heropvoeding op gang te brengen. Het project ging hoopvol van start, maar is inmiddels halfbakken overgenomen door professionals, vertelde Kluit. Hij noemde het geval kenmerkend voor de Amsterdamse leefbaarheidsaanpak. 'Iemand komt met een goed idee, het wordt geconcretiseerd en valt vervolgens weer weg. Dat komt omdat de aanpak van leefbaarheid in Amsterdam sterk versnipperd is. Er zijn talloze projecten met bijbehorende overleggen, meldpunten en servicepunten. Iedereen bemoeit zich met leefbaarheid, maar het is niemands core business'. Kluit vertelde dat de AFWC enkele jaren geleden maar liefst 362 leefbaarheidsprojecten had geteld waarin de corporaties op een of andere wijze participeerden. Volgens Kluit is de centrale stad de aangewezen partij om voor afstemming en coördinatie te zorgen. Hij vond het opvallend dat er in de zaal veel mensen zaten die werkzaam waren in de stadsdelen, maar dat politici van de centrale stad ontbreken en zag er een bewijs in dat leefbaarheid op centraal niveau een nonissue is. 'De uitvoering dient in de wijken te gebeuren, maar de centrale stad dient te coördineren, te regisseren en te faciliteren.' De leefbaarheidsmonitor noemde Kluit een fraai voorbeeld hoe het wel kan: een middel dat stedelijk is ontwikkeld en waarmee in de wijken kan worden gewerkt. De inleider noemde nog twee voorbeelden waar stedelijke regie had ontbroken: bij de inzet van buurtconciërges en de aanpak van overlast door jongeren. Kluit herinnerde eraan dat het bij de buurtconciërges destijds in feite ging om een werkgelegenheidsproject waarbij mensen met weinig kansen op de arbeidsmarkt toch aan het werk werden geholpen. 'Wat ontbrak waren de tools waarmee deze mensen aan het werk konden. Pas sinds kort zien we een kwaliteitsslag en worden de buurtconciërges ook voldoende toegerust zodat ze dit zware werk met succes kunnen doen. De vraag is waarom dit tien jaar heeft moeten duren. Dit had veel eerder stedelijk moeten zijn opgepakt.' Ook de aanpak van overlast noemde de spreker enorm versnipperd. 'Een goed initiatief uit Westerpark is eindelijk overgewaaid naar andere stadsdelen, maar ook dit heeft tien jaar geduurd. Een aantal zaken rond overlast in de stad is ronduit knullig aangepakt. Gelukkig heeft Cohen nu laten weten dat hij de regie nu meer naar zich toe wil gaan trekken en dat er misschien zelfs een portefeuillehouder overlast komt.' Mogelijk zou er ook voor de leefbaarheid een speciale portefeuillehouder moeten komen, suggereerde Kluit. Leuke dingen Naast stedelijke ondersteuning en regie heeft de aanpak van leefbaarheid dringend behoefte aan meer verbeeldingskracht, stelde Jan Willem Kluit. 'Als je bewoners bij de wijk wil betrekken, moet je ook leuke dingen in de aanbieding hebben. Bewoners die in Amsterdam iets aan de leefbaarheid willen doen worden naar een buurtbeheeroverleg gestuurd, een van de meest deprimerende dingen die je kunt bedenken. Het is gewoon heel vervelend om op die manier actief te moeten zijn.' De spreker noemde het Rotterdamse Opzoomerproject een goed voorbeeld hoe het ook kan en hoe een leefbaarheidsproject op stedelijk niveau gecommuniceerd dient te worden met de bevolking.1 'We zouden meer moeten uitdragen wat we als Amsterdammers gemeenschappelijk hebben', aldus Kluit. Hij wees er op dat er dat het opzoomeren in Rotterdam veel energie opleverde onder bewoners en dat daardoor ook de samenwerking van de grond kwam. 'Dat is precies wat we in Amsterdam missen. Hier is ieder met 1 http://www.opzoomermee.nl/ Zie ook: Opzoomeren in Amsterdam, Cahier 8, KennisNetwerk Amsterdam, december 2002. (http://www.bewoners.net/kennisnetwerk/pdf/cah8o pzoomer.pdf) KennisNetwerk Amsterdam - 10 - Verslag werkconferentie Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 z'n eigen project bezig; we zijn niet in staat om de samenwerking vorm te geven.' Professionals weten elkaar weliswaar steeds meer te vinden, maar dat leidt maar al te vaak tot kopieergedrag, volgens Kluit. Het gaat er om dat we van elkaar leren, dat er meer geëvalueerd wordt, stelde hij. 'We hebben in Amsterdam het KennisNetwerk, maar misschien moeten we wel een stap verder gaan en tot een Kenniscentrum komen dat onderzoek gaat doen naar de succes- en faalfactoren. Wellicht moeten we projecten wel cijfers gaan geven, net zoals dat bij het leefbaarheidsonderzoek met buurten gebeurt.' En waarom geen Amsterdamse Raad voor de leefbaarheid, vroeg Kluit zich hardop af. Net als de Raad voor de Stedenbouw zou zo'n orgaan het stadsbestuur van advies kunnen dienen, gevraagd, dan wel ongevraagd. 'Blijkbaar vindt de overheid stedenbouw belangrijk genoeg voor zo'n adviesraad, waarom dan niet de leefbaarheid?' Militaristische aanpak Na een intermezzo van theatergroep Op Sterk Water, waarin een onorthodoxe kijk op het thema leefbaarheid werd gegeven, was het woord aan een forum van 'experts'. De stadsdeelvoorzitter van Geuzenveld-Slotermeer, Robin de Bood, werd als eerste gevraagd te reageren op de dalende waarderingscijfers voor zijn stadsdeel. De Bood kon niet veel anders dan wijzen op de grote sociale problematiek onder de bewoners. 'Ik kan me voorstellen dat je het dan niet zo nauw neemt met zwerfvuil.' Dat elk nadeel zijn voordeel heeft, blijkt ook hier weer, vertelde De Bood. 'Dankzij' de negatieve statistieken, krijgt het stadsdeel fors hogere bijdragen onder andere uit de GSB-pot, meldde de stadsdeelvoorzitter. Geuzenveld-Slotermeer gaat met het geld extra investeren in stedelijke vernieuwing om te proberen het ongunstige tij te keren. Toos Kloppenburg, bestuurslid van de bewonerskoepel Palladion, reageerde op de stelling van Jan Willem Kluit dat werken aan leefbaarheid ook leuk moet zijn. 'De initiatieven moeten van bewoners komen, maar het mag geen verplichting worden.' aldus Kloppenburg. Ze noemde het een praktische probleem dat bewoners steeds moeilijker te porren zijn om mee te gaan doen. 'We hebben te maken met vergrijzing; de actieven zijn klaar met hun loopbaan. Jongere mensen die je juist wilt betrekken, hebben gewoon geen tijd.' Wellicht zou Palladion een soort intermediair kunnen zijn en faciliteiten kunnen bieden waarvan bewoners gebruik kunnen maken om 'leuke' dingen in de buurten van de grond te krijgen, opperde ze. Rogier Noyon, onderzoeker bij woningcorporatie Het Oosten, ging nog eens in op het verwijt van Hans Luiten dat de Amsterdamse corporaties veel minder voor leefbaarheid uittrekken dan het landelijk gemiddelde. Noyon noemde het onderzoek waarop deze cijfers gebaseerd zijn boterzacht. 'Ik weet zelf hoe lastig het is in te vullen wat je als corporatie precies aan leefbaarheid uitgeeft. Het zou ook niet goed zijn als een corporatie een bijdrage in de kas van het stadsdeel stort en het verder voor gezien houdt. Leefbaarheid is veel meer dan zorgen dat de boel schoon, heel en veilig is.' Volgens Noyon moet je het breed zien en ook investeringen in de stedelijke vernieuwing en in projecten als het door Luiten genoemde multiculturele centrum meetellen. 'Dan kom je op heel andere bedragen uit.' In een directe reactie stelde Hans Luiten dat het vooral gaat om een andere aanpak van de problemen. Hij wees op het succes van de ketenaanpak bij de problematiek van hangjongeren. 'Justitie in de buurt loopt als een trein omdat de stappen van de deelnemende partners nauwkeurig op elkaar worden afgestemd. Hier wordt veel tijd en geld gestoken in het afstemmen van werkprocessen.' We zouden van deze aanpak kunnen leren, vond Luiten, want bij de leefbaarheid, 'het meest elementaire probleem van Amsterdam' gaat het er heel anders aan toe. 'We gaan met elkaar in een zaaltje zitten en iedereen kijkt in z'n eigen organisatie of er misschien wat aan gedaan zou kunnen worden. In plaats daarvan zouden we de problemen stuk voor stuk moeten benoemen en ze vervolgens op een bijna militaristische wijze moeten oplossen.' KennisNetwerk Amsterdam - 11 - Verslag werkconferentie Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Afblijven Voorzitter Van Harten voerde de discussie naar de stelling van Kluit dat er meer stedelijke coördinatie moet komen bij de aanpak van leefbaarheid. Robin de Bood: 'Meer regie, zoals dat in Rotterdam gebeurt met het opzoomeren, is prima. Maar het gaat toch vooral om het lokale netwerk waarbinnen afspraken gemaakt moeten worden over de aanpak van knelpunten. De mensen die dagelijks in de buurt bezig zijn moeten de problemen oplossen.' Aan Jan Willem Kluit werd gevraagd wat hij zich voorstelde bij een wethouder voor leefbaarheid. Wat zou zo iemand dan moeten doen? Kluit: 'Een portefeuillehouder zou bijvoorbeeld de genoemde ketenaanpak kunnen organiseren op leefbaarheidsgebied. Of eens een goede evaluatie laten maken van het buurtconciërgeproject.' Hoewel Kluit eerder geklaagd had over gebrek aan belangstelling van stedelijke diensten en politici, waren die wel degelijk aanwezig. Een van hen, Dus Fabius van DMO, stelde dat de rol van de centrale stad vooral gezien moet worden als een faciliterende. 'We gaan het niet zelf zitten doen omdat we veel te ver weg zitten. Het moet in de stadsdelen gebeuren. Wat wij doen is het creëren van de mogelijkheden en middelen en het inzetten van expertise.' Kloppenburg (Palladion) reageerde hierop door een lans te breken voor initiatieven van onderop, van bewoners. 'Veel bewonersinitiatieven sterven een zachte dood omdat ze door professionals worden overgenomen', stelde ze. Zelf had ze het meegemaakt in Amsterdam-Noord waar een goed draaiend project met buurtconciërges om zeep werd geholpen nadat de buurtconciërges ambtenaar waren geworden en onder toezicht van het stadsdeel kwamen te staan. 'Vanaf dat moment waren bewoners niet meer welkom in de begeleidingscommissie en werden de conciërges aan allerlei regeltjes onderworpen. Ze mochten bijvoorbeeld niet meer helpen met de Bewonersnieuwsbrief. Gevolg: einde nieuwsbrief!' Zorg dat het geld en de middelen er zijn, maar blijf in godsnaam van bewonersinitiatieven af, verzuchtte Kloppenburg. Luiten was het er helemaal mee eens, maar wees tegelijkertijd op een ander kwetsbaar punt. Vaak komen er prachtige ideeën van bewoners, maar gebeurt er niets mee omdat niet duidelijk is wie de probleemeigenaar is, stelde Luiten. 'Dat is de grote frustratie van bewoners. Ze kaarten iets aan, maar er gebeurt vervolgens niets mee of pas na hele lange tijd.' Van Harten vroeg zich daarop af wat er dan precies mis gaat: 'Overal in de stad worden buurtbeheerconvenanten gesloten, waarin de rol van alle betrokken partijen wordt vastgelegd. Is dat dan wel de manier om die keten strakker te organiseren, of gaat ieder gewoon weer z'n eigen gang?' Luiten herhaalde dat het, in Bos en Lommer althans, nog steeds niet goed lukt om de rol van bewoners helder te krijgen. 'Ondanks het mooie convenant en ondanks alle goede bedoelingen, blijven er dingen liggen. Het werkt niet strak genoeg. We doen het op dit terrein allemaal wat knullig en zouden de werkprocessen professioneler moeten aanpakken. Wat dat betreft kunnen we nog veel leren van het bedrijfsleven.' Buurtconciërges Inhakend op de roep om meer waardering voor bewonersinitiatieven vroeg Van Harten naar de ervaringen van welzijnsorganisatie Impuls. Zijn stadsdelen en corporaties een bedreiging voor deze initiatieven van onderop? Volgens Fred Martin, bestuurslid bij Impuls, eist de lokale overheid inderdaad steeds meer professionalisering. Die eis geldt ook voor de welzijnsorganisaties, maar het mag tegelijkertijd niets kosten, aldus de spreker. Ook hij noemde het voorbeeld van de buurtconciërges in NieuwWest. Een geslaagd werkgelegenheidsproject, waaraan een einde was gekomen omdat het niet aan de verwachtingen van het stadsdeel voldeed, aldus Martin. 'Met het buurtconciërgeproject hebben we vierhonderd probleemgevallen op de arbeidsmarkt ingezet op de moeilijkste sociale functie die je kunt bedenken. Wie valt het dan te verwijten dat er niet uitkomt wat er van werd verwacht.' Het heeft allemaal te maken met verschillende interpretaties van het begrip leefbaarheid, stelde Martin. 'We moeten het eerst met z'n allen eens zien te worden over wat we onder leefbaarheid verstaan.' Een projectleider uit de Dapperbuurt beaamde dat de oorspronkelijke taak van de buurtconcierges veel te zwaar was voor de groep mensen die deze functie moest gaan uitoefenen. Maar dat betekent niet dat deze groep van geen waarde is voor de leefbaarheid, merkte de spreekster op. 'Deze mensen hebben een enorm sociaal netwerk in de buurt. Ze hebben KennisNetwerk Amsterdam - 12 - Verslag werkconferentie Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 goede contacten met bewoners die niet snel zullen binnenlopen bij een dienstencentrum.' In de zaal zaten overigens ook enkele buurtconciërges. Een van hen verklaarde de aanduiding 'buurtconciërge' beledigend te vinden. 'We moeten het gewoon complexbeheerder noemen zoals bij de AWV.' Zekere regie Na dit uitstapje leidde voorzitter Van Harten de discussie weer terug naar de vraag wie de regie moet hebben in de slag om de leefbaarheid. Is het stadsdeel niet de vanzelfsprekende partij voor deze rol? Ja, volgens Robin de Bood, de stadsdelen moeten de partijen bij elkaar brengen, dat wil zeggen niet alleen de professionals die in de buurten werken maar ook de managementlagen daarboven. 'Een zekere regie is akkoord', aldus Rogier Noyon, 'maar er zijn bij de corporaties erg veel mensen bij leefbaarheid betrokken: huismeesters, schoonmakers, tuinonderhoudslieden, mensen van het klachtenonderhoud, en noem maar op. Dat is niet gemakkelijk te regisseren. Corporaties proberen iedereen die bij leefbaarheid betrokken is in de richting te sturen van allround serviceverlener en leefbaarheidsbewaker. Op dit moment is iedereen nog teveel met z'n eigen kleine stukje bezig.' Robin De Bood: 'Uiteraard kan het stadsdeel niet bepalen wat er binnen een complex dient te gebeuren. Het gaat er om dat de problemen binnen de complexen te maken hebben met de problemen op straat en omgekeerd. Bij het samenbrengen van complexbeheerder, buurtregisseur, opbouwwerker, jongerenwerker, enz. heeft het stadsdeel uiteindelijk een regisserende en faciliterende rol.' Behalve de stadsdeelvoorzitter van Geuzenveld-Slotermeer werden ook vertegenwoordigers uit Zeeburg naar een reactie gevraagd op de slechte cijfers uit het leefbaarheidsonderzoek. Want ook dit stadsdeel, en dan met name de Indische Buurt, kwam er niet goed vanaf. Dagelijks bestuurder Jan Hoek van stadsdeel Zeeburg vertelde niet geschrokken te zijn van de cijfers. Hij was al veel langer op de hoogte van het ongenoegen van de bewoners. Bij het vergroten van leefbaarheid gaat het om langer lopende processen, aldus Hoek. 'We zijn al veel langer bezig de buurten weer schoner te maken en met een stevige herstructurering samen met de corporaties. Dat zijn activiteiten die pas op langere termijn zoden aan de dijk zetten.' Volgens Hoek is het erg belangrijk te investeren in projecten waar de buurt trots op kan zijn. 'Het is leuker wonen in de Staatsliedenbuurt sinds de Westergasfabriek een cultureel centrum is geworden', meende hij. 'Het gaat om herkenningspunten waar bewoners een goed gevoel bij hebben en waardoor ze met andere ogen naar hun buurt gaan kijken.' Gebiedsmanager Larry Bath: 'Als je op korte termijn de leefbaarheid wilt verbeteren, ontkom je niet aan het maken van een toekomstvisie en investeringsplannen. Anders is het dweilen met de kraan open.' Hans van Harten Bommetje Van Harten vond het een duidelijk verhaal, maar wenste toch nog een bommetje neer te leggen. 'Vervuiling blijkt een belangrijke graadmeter voor leefbaarheid te zijn. Is het niet gewoon een kwestie van niet lullen, maar poetsen? Verspillen we niet te veel tijd aan praten over samenwerking en moeten we niet gewoon goed doen waar we voor zijn?', vroeg hij de forumleden. Volgens Hans Luiten moet er toch echt meer gebeuren dan alleen meer schoonmaken en meer afvalbakken plaatsen. Het is steeds een combinatie van voorzieningen, voorlichting en betrekken van bewoners, meende hij. 'In Bos en Lommer hebben we niet alleen ondergrondse containers geplaatst, maar zijn buurtconciërges huis-aan-huis gegaan om voorlichting te geven. Een paar jaar gelden hadden we nog alleen die bakken neergezet en het verder voor gezien gehouden. Maar dan werkt het dus niet.' Noyon: 'Het is niet een kwestie van vuil opruimen alleen. Daarvoor zijn de problemen te ingewikkeld. Luiten heeft gelijk dat er meer aan de hand is. Het heeft ook te maken met opvoeden en met handhaven. Je moet de problemen integraal aanpakken.' KennisNetwerk Amsterdam - 13 - Verslag werkconferentie Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Marijke Andeweg (projectmanager bij DMO) wilde weten hoe er gedacht werd over het gebrek aan voorzieningen als knelpunt in de leefbaarheid. Hoe zouden stadsdelen en corporaties hier kunnen samenwerken? Luiten vertelde nog eens hoe blij hij is met het nieuwe multiculturele theater dat straks in Bos en Lommer wordt gevestigd. Cultuur houdt op bij Westerpark, stelde hij bezorgd vast. Daarna is er in westelijke richting heel lang niets meer tot aan de Meervaart in Osdorp. Corporaties en stadsdelen zouden de handen ineen moeten slaan om dit soort voorzieningen te creëren die erg belangrijk zijn voor de leefbaarheid, aldus de stadsdeelvoorzitter. Een toehoorder zei het helemaal eens te zijn Noyon: 'Meer betrokkenheid van een partij die we zelden in dit verband zien: het midden- en kleinbedrijf.' Kloppenburg: 'Een duidelijker visie van de corporaties op de leefbaarheid' De Bood: 'Meer aandacht voor het plaatsingsbeleid en het omgaan met asociaal woongedrag.' Luiten: 'Ik ga de centrale stad vragen de creativiteit meer op de agenda te plaatsen.' Martin: 'Alle partijen die iets voor de leefbaarheid kunnen betekenen om de tafel zetten.' En Hoek tenslotte: 'De centrale stad kan een belangrijke rol spelen in leefbaarheidscampagnes.' Zelf vatte Van Harten de belangrijkste conclusies van de bijeenkomst nog eens kort samen: Wat betreft de leefbaarheid zou de centrale stad meer in beeld moeten komen om de versnippering tegen te gaan. We moeten ontzettend oppassen om kleinschalige bewonersinitiatieven niet te laten verpletteren door professionals en als laatste: een sluitende ketenaanpak is van wezenlijk belang. Hans van der Jagt met de noodzaak van dit soort voorzieningen, maar benadrukte nog eens dat het erg belangrijk is dat je hierbij goed naar de specifieke kracht van de buurt moet kijken. Ze waarschuwde ervoor niet in elke buurt een zelfde soort voorziening neer te zetten maar rekening te houden met het buurteigene. Kloppenburg hield een pleidooi voor de kleinschaligheid als reactie op de centrale regie. 'Ik merk dat dit soort bewonersactiviteiten vaak gebagatelliseerd wordt, terwijl het voor de betrokkenheid van bewoners van erg groot belang is. Het gaat om mensen die de ogen en oren van de buurt zijn.' Volgens Robin de Bood moeten we oppassen ons niet te veel te fixeren op probleemgebieden. Overal worden nieuwe complexen geopend. Te gemakkelijk wordt er vanuit gegaan dat het hier dan voortaan met de leefbaarheid wel goed zit. Zorg er voor dat je de nieuwe bewoners vanaf het begin betrekt bij het beheer, aldus De Bood. 'Het gaat niet vanzelf.' Conclusies De dagvoorzitter stelde tot slot van de bijeenkomst de vraag aan alle forumleden wat ze nodig achten voor meer leefbaarheid en wat ze met name van andere partijen verwachten: Kluit: 'Iets meer bevlogenheid en creativiteit van alle partijen.' KennisNetwerk Amsterdam - 14 - Verslag werkconferentie Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Websites http://www.lemoninternet.nl/ Voor de resultaten van de Leefbaarheidsmonitor 2003 van Amsterdam kunt u ook kijken op de website van Lemon: www.lemoninternet.nl Hier zijn de resultaten te bekijken voor alle Amsterdamse stadsdelen en buurtcombinaties. Met dit gebruikersvriendelijke computerprogramma is het mogelijk op een eenvoudige manierkaarten tabellen en grafieken te maken. http://www.afwc.nl/publicaties De Leefbaarheidsrapportage 2003, uitgevoerd in opdracht van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties, Dienst Wonen en de Amsterdamse stadsdelen, is te downloaden van de site van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC) onder publicaties (doorklikken naar leefbaarheid). http://afwc.nl/pdfs/WIA2004_LEEFBAARHEID.pdf (9,2 Mb - af te raden zonder een snelle internetverbinding) http://www.nul20.nl/nr15/1vd_1.html Een samenvatting van de resultaten van het leefbaarheidsonderzoek is te lezen in het juli-nummer van Nul20 van jaargang 2004. Archief KennisNetwerk Amsterdam U kunt ook de dossiers bekijken over aspecten van leefbaarheid eerder behandeld door KennisNetwerk Amsterdam in de periode 2004-2005: http://www.bewoners.net/kennisnetwerk/leafbbbk04.html http://www.bewoners.net/kennisnetwerk/leafbbbk05.html KennisNetwerk Amsterdam - 15 - bijlage I Websites Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Wonen in Amsterdam 2003 Leefbaarheid De resultaten in kort bestek Jeroen van der Veer (senior beleidsmedewerker) Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties KennisNetwerk Amsterdam - 17 - Bijlage II Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 18 - Bijlage II Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 19 - Bijlage II Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 20 - Bijlage II Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 21 - Bijlage II Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 22 - Bijlage II Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 23 - Bijlage II Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 24 - Bijlage II Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 25 - Bijlage II Leefbaarheidsmonitor 2003 Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Deelnemerslijst Naam Marijke Andeweg Edmee Adriaan Mohammed Asfad Ruud de Beer Janny van Beeren Karel Bentvelzen A.van den Berg Sandra Blesing Hans Blok Huub de Boer Ada Bolder Jaap Broekema Gabriella Broer Erica de Bruijne Elfriede Bruynder Hans Buijs Jos Buskermolen Simone Crok Maarten Dahmen Chris de Wild Propitius Hans van Deelen Bas Donker van Heel Eibert Draisma Patricia van Driel Jan van den Dries Marie-Joze Duizendstra Dus Fabius Sandy Gaartman Dolf Geerts Fred Gersteling Petra Goudsbloem T.C.H. van de Graaf Bart Groeneveld Bert Groenevelt Julia Groenewold Petrina Groesbeek Mirjam Groet Henk Grool Linda de Haas Mich van Hees Diane van Herpen Marijke Hiemstra Martijn ter Hoeve Lean 't Hooft Cor Hoogenveen David Hoogewoud Nanette van der Horst Nicoline van Huijstee Sjoukje Hukema Paul Jansen Orlando Jonathas Functie Projectmanager Wijkcoördinator Gaasperdam Opbouwwerker Gebiedscoördinator Bestuurslid Coördinator Buurtservice en extreme overlast Adviseur ASW Adviseur ASW Procesbegeleiding Bewoners Organisatie DMO Stadsdeel Zuidoost Stichting DOCK DRO Stadsdeel Zeeburg Bewonerskoepel Palladion Stadsdeel Oud-Zuid AWV Stadsdeel Bos en Lommer ASW ASW Stadsdeel Bos en Lommer OGA E-mailadres m.andeweg@dmo.amsterdam.nl e.l.adriaan@zuidoost.amsterdam.nl masfad@dock.nl bee@dro.amsterdam.nl jvb@zeeburg.nl bergavanden@oudzuid.amsterdam.nl sblesing@awv.nl h.blok@bosenlommer.amsterdam.nl h.d.boer@steunpuntwonen.nl a.bolder@steunpuntwonen.nl j.broekema@bosenlommer.amsterdam.nl g.broer@oga.amsterdam.nl Eigenhaard Olympus Wonen e.debruijne@eigenhaardolympuswonen. nl Medewerker relatiebeheer Woonmaatschappij Zomers ebruynder@woonmaatschappij.nl Buiten Rochdale hbuijs@rochdale.nl Accountmanager De Dageraad jbuskermolen@dedageraad.nl Onderzoeker O+S Gemeente Amsterdam s.crok@os.amsterdam.nl Opbouwwerker Opbouwwerk Noord maarten@dekadekrant.nl Lid Dagelijks Bestuur Stadsdeel Amsterdam Noord e.blokland@noord.amsterdam.nl sociaal-cultureel Impuls hans.vandeelen@impuls.nl buurtwerker Journalist Nul20 gbdvh@wxs.nl Coördinator Wijkcentrum Jordaan & eibert@wcjordaan.nl Woonspreekuur Gouden Reael Senior cultureel werker Impuls patricia.vandriel@impuls.nl Opbouwwerker Stichting MDSO jdries@welzijns.net PWV Wonen wssociaalbeheer@pwvwonen.nl Teamleider Unit SSP DMO d.fabius@dmo.amsterdam.nl MDSO sgaartman@welzijns.net Interim management SYNTOS geerts@syntos.nl Bestuurslid Wijkcentrum Ceintuur bestuur@wijkcentrumceintuur.nl Relatiebeheerder Bureau Erfpacht p.goudsblom@oga.amsterdam.nl Woningcorporaties Afdeling BS&P Rochdale tgraafvande@rochdale.nl Opbouwwerk Noord bartgroeneveld@planet.nl Medewerker EigenHaard Olympus Wonen b.groenevelt@ehow.nl Hoofd communicatie De Dageraad jgroenewold@dedageraad.nl Beleidsadviseur Ruimtelijke Stadsdeel Osdorp pgroesbeek@osdorp.amsterdam.nl Ordening Procesbegeleiding OGA m.groet@oga.amsterdam.nl Bewoners Adviseur Sociaal Beheer Stadsdeel Oud-West h.grool@oudwest.amsterdam.nl Hoofd Gebouwbeheer Het Oosten l.dehaas@hetoosten.nl ASW m.v.hees@steunpuntwonen.nl Beleidsmedewerker Staf AWV dvanherpen@awv.nl Woondiensten Complexbeheerder Osdorp Rochdale mhiemstra@rochdale.nl Beleidsmedewerker Stadsdeel mterhoeve@oost-wgm.amsterdam.nl Oost/Watergraafsmeer Procesbureau vernieuwing Stadsdeel lvthooft@geuzenveld.amsterdam.nl Geuzenveld/Slotermeer Buurtregisseur Gulden Politie cor.hoogenveen@amsterdam.politie.nl Winckelbuurt Amsterdam/Amstelland AWV dhoogewoud@awv.nl Projectmedewerker Bureau OGA n.vanderhorst@oga.amsterdam.nl Erfpacht P'oema p.oema@hetnet.nl Procesbegeleiding Bewoners Complexbeheerder Overtoomse veld OGA Rochdale s.hukema@oga.amsterdam.nl ojonathas@rochdale.nl KennisNetwerk Amsterdam - 27 - Bijlage III Deelnemerslijst Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Naam Aggie Jorna W. Kempes Ivo Klooster Marianne de Kock Anneke van Koert José Kokken Jos de Koning Herbert Koobs Nanne Koot Mevr. H. Kraak Rutger Krabbendam Peter Kramer Willie Krop Jonneke Kruse Floor Kuiper M. Kuitert Eric Kurpershoek Cigdem Kuvvet Nico Kuyvenhoven Yvonne Langerhuizen Dhr. T. Lanzaat Gerard Lebbink Karoline Legel Francis Lensink Ellen Lindeman Karin van der Linden Beebs Loomans Niels Luijer Diana Machiels Fred Martin Marieke van de Meer Hillechien Meijer Eef Meijerman Jan Meijers Bert Meintser Emir Mesekiran Simone Mesman Teun Meurs Iris Molenaar Annemieke Molenaar Freya Mostert Stacha Nelis Heleen van der Niet Joost Nieuwenhuijzen Kim Oostveen Rosalinde van Ophem Jeroen Overweel H. Pauw Marlies Pennings Majo Piersma Dhr. T. Platte Jan Ponse Functie Sociaal beheer Organisatie E-mailadres ajorna@rochdale.nl wkempes@pmb.nl I.klooster@eigenhaardolympuswonen.nl mkock@centrum.amsterdam.nl vankoert.indischebuurt@opbouwwerknoord.nl jkokken@centrum.amsterdam.nl jko@dekey.nl buurtbeheer@combiwel.nl n.koot@westerpark.nl j.ckraak@tiscali.nl r.krabbendam@dmo.amsterdam.nl p.kramer@hetoosten.nl willie.krop@impuls.nl jonneke@wijkopbouworgaan-wgm.nl fkuiper@welzijns.net m.kuitert@studio-seven.nl ekurpershoek@rochdale.nl cigdemk@zeeburg.nl bellamy@12move.nl y.langerhuizen@hetoosten.nl t.lanzaat@buurtbeheer-amsterdam.nl lebbinkg@oudzuid.amsterdam.nl karoline.legel@zuideramstel.amsterdam. nl f.lensink@hetoosten.nl e.lindeman@os.amsterdam.nl kvdl@euronet.nl blooman@awv.nl n.luijer@oudzuid.amsterdam.nl dmachiels@buurtwerknoord.nl fred.martin@impuls.nl wssociaalbeheer@pwvwonen.nl himeijer@dedageraad.nl e.meijerman@steunpuntwonen.nl jan.meijers@amsterdam.politie.nl b.meintser@steunpuntwonen.nl e.mesekiran@oga.amsterdam.nl smesman@rochdale.nl teun.meurs@debakkerij.org imolenaar@awv.nl a.molenaar@oudwest.amsterdam.nl fmostert@geuzenveld.amsterdam.nl snelis@geuzenveld.amsterdam.nl hvanderniet@dedageraad.nl jnieuwenhuijzen@rochdale.nl koostveen@dock.nl rvanophem@rochdale.nl j.overweel@oudzuid.amsterdam.nl h.pauw@ymere.nl marlies.pennings@zuideramstel.amsterd am.nl mpiersma@rochdale.nl h.platte@ymere.nl j.ponse@baarsjes.amsterdam.nl Rochdale PMB Eigenhaard Olympus Wonen coördinator Meldpunt Zorg stadsdeel Amsterdam en Overlast Centrum Opbouwwerker Opbouwwerk Noord in Zeeburg teamcoördinator Sociale stadsdeel Amsterdam Ontwikkeling Centrum Accountmanager De Key Buurtbeheer Combiwel Beleidsmedewerker Wonen Stadsdeel Westerpark Stichting Bij de Tijd Procesmanager Ruimtelijk DMO Sociaal Directeur Woonruimte Het Oosten Medewerker Buurtbeheer Impuls Opbouwwerker Wijkopbouworgaan Watergraafsmeer Projectleider Dienstencentrum Steunpunt/Opbouwwerker Dapperbuurt Dapper Studio Seven Afdeling BS&P Rochdale Gebiedscoördinator Stadsdeel Zeeburg Indische Buurt Project Bellamy voor elkaar Stichting DOCK Projectleider Buurtbeheer Het Oosten Stichting Zicht Op Oost Sector REO, Afdeling Stadsdeel Amsterdam Ruimtelijk Beleid Oudzuid Wijkcoordinator Stadsdeel ZuiderAmstel Relatiebeheerder Onderzoeker Buurtcoördinator Manager Staf Woondiensten Onderzoeker NW SDW Secretaris Raad van Bestuur Gebiedsontwikkelaar Regionaal projectbureau Veilig Wonen Procesbegeleider Bewoners Het Oosten O+S Stadsdeel de Baarsjes AWV Stadsdeel Amsterdam Oudzuid Stichting Buurtwerk Noord Impuls PWV Wonen De Dageraad ASW Politie Amsterdam/Amstelland ASW OGA Rochdale Stichting de Bakkerij Complexbeheerder Osdorp AWV Stadsdeel Oud-West Beleidsmedewerker Wonen Stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer Wijkmanager Slotermeer Stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer Woonconsulent De Dageraad Rochdale Stichting DOCK Rochdale Hoofd Wijkcoördinatie Stadsdeel OudZuid Ymere Wijkcoördinator Stadsdeel Stadsdeel Zuideramstel Zuideramstel Sociaal beheer Rochdale Ymere Onderzoeker Stadsdeel de Baarsjes KennisNetwerk Amsterdam - 28 - Bijlage III Deelnemerslijst Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Naam Imelda v/der Ploeg Peter Prins Pia Rauhala Milosj van Renesse Robby Rijssel Cees Roffelsen Jaap Ruijgers Tys de Ruijter Roland de Ruiter Liesbeth van Schaar Jan van Schaik Mevr. R. Schleijpen Carla Schröder Dick Schuiling Sandra Schuurman Ingrid Seeboldt Corinne Sieger Wim Siegers Saskia Somberg Broer Soolsma Joke Soolsma Hans Stapkorsius Marieke Stenvers Jaap Storteboom Liesbeth Stricker Antoinette Tanja Willem Teune Eric Thelen Manon Tjoa Dhr. J. Tjon-A-Sam Marieke Top David van Traa Reiny van Twillert Chiquita van Veen Mette Vernooij Marianne Volkers Lies ter Voort Rene Wagenaar Corina Warmenhoven Wilma Wassenaar Klary Welbedacht Ed West Iris Westerterp Mariska White Mevr. C. Wijmans D. de Wit Madeleine Witmaar Lo Woudstra Jaap van zanten Ans van Zeggeren Fenneke van der Zijl Functie Medewerker S&O Adviseur Opbouwwerker Medewerker Sociaal Beheer Regiomanager Senior Maatschappelijke ontplooiing Portefeuillehouder Ruimtelijke Ordening Beleidsmedewerker Organisatie Bureau Jeugdzorg Amsterdam Matrix Partners MDSO Rochdale Stichting Buurtwerk Noord Palladion Stadsdeel Zeeburg E-mailadres i.vanderploeg@bja.nl pjprins51@freeler.nl prauhala@welzijns.net MVanRenesse@rochdale.nl rrijssel@buurtwerknoord.nl palladion@wxs.nl jaapruijgers@zeeburg.nl dwesterborg@geuzenveld.amsterdam.nl rderuiter@oost-wgm.amsterdam.nl l.vanderschaar@oga.amsterdam.nl jsk@dekey.nl r.schleijpen@ymere.nl c.schroder@noord.amsterdam.nl d.schuiling@uva.nl sandra@afwc.nl i.seeboldt@chello.nl cj.sieger@hccnet.nl wsiegers@rochdale.nl s.somberg@ymere.nl bsoolsma@oost-wgm.amsterdam.nl jsoolsma@welzijns.net hans.staphorsius@impuls.nl m.stenvers@mediationdoorleerlingen.nl jstorteboom@bureauparkstad.nl l.stricker@slotervaart.amsterdam.nl atanja@oost-wgm.amsterdam.nl w.teune@wonen.amsterdam.nl e.thelen@oga.amsterdam.nl tjoa@afwc.nl j.tjonasam@buurtbeheer-amsterdam.nl mtop@dedageraad.nl dtraa@bda.amsterdam.nl r.vantwillert@ehow.nl cve@dekey.nl mvernooij@rochdale.nl m.volkers@dmo.amsterdam.nl lvoort@bda.amsterdam.nl rwagenaar@rochdale.nl cwa@dekey.nl w.wassenaar@zuidoost.amsterdam.nl k.welbedacht@welzijndebaarsjes.nl e.west@oga.amsterdam.nl I.westerterp@wonen.amsterdam.nl mwh@dekey.nl cwijmans@dedageraad.nl d.dewit@slotervaart.amsterdam.nl mwitmaar@buurtwerknoord.nl lwa@dekey.nl jaap.van.zanten@amsterdam.politie.nl azeggeren@centrum.amsterdam.nl f.v.d.zijl@sigra.nl Stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer Stadsdeel Oost/Watergraafsmeer Senior projectmedewerker OGA Beheermedewerker De Key Studentenhuisvesting Ymere Beleidsadviseur Wonen Stadsdeel Amsterdam Noord voorzitter AFWC Samenwerkende AFWC woningcorporaties Coordinator meldpunt Stadsdeel Bos en Lommer overlast Wijkcoördinator Wijkservicepunt Sloterkade Rayonmanager Rochdale Hoofd communicatie Ymere Teammanager Stadsdeel Buurtbeheer Oost/Watergraafsmeer Opbouwwerker MDSO/Transvaal Medewerker Impuls Inkr8 Bureau Parkstad Gemeente Amsterdam Lid Dagelijks Bestuur Stadsdeel Slotervaart Portefeuillehouder Stadsdeel Buurtbeheer, Welzijn Oost/Watergraafsmeer WIA onderzoeker Dienst Wonen Projectleider OGA Communicatieadviseur AFWC Stichting Zicht Op Oost Gebiedsontwikkelaar De Dageraad Rayon oost Bestuursadviseur BDA Eigenhaard Olympus Wonen Accountmanager Wonen De Key Coördinator Rochdale Bewonerszaken Projectleider DMO Senior bestuursadviseur Bestuursdienst Amsterdam Rochdale Accountmanager Wonen De Key Coördinator Integraal Zuidoost Wijkbeheer Akros Afdeling Financiële OGA administratie Beleidsmedewerker Dienst Wonen Accountmanager Rayon De Key Sloterplas De Dageraad Stadsdeel Slotervaart Directeur Stichting Buurtwerk Noord Account manager De Key Buurtregisseur Politie Amsterdam/Amstelland Stadsdeel Amsterdam Centrum Beleidsmedewerker SIGRA KennisNetwerk Amsterdam - 29 - Bijlage III Deelnemerslijst Samen werken aan de leefbaarheid 17 februari 2005 Naam Organisatie Ton Bouwman Isla Bouwman Christel Baeten Bas van Meggelen Jeroen van der Veer Forumleden Jan Willem Kluit Robin de Bood Hans Luiten Toos Kloppenburg Rogier Noyon Larry Bath Jan Hoek Dagvoorzitter Hans van Harten Directeur AFWC harten@afwc.nl Functie Programmaleider Medewerker Senior beleidsadviseur Beleidsadviseur Beleidsonderzoeker Manager sociaal beheer Lid dagelijks bestuur Organisatie KNA KNA Dienst Wonen AFWC AFWC E-mailadres tbouwman@matrix-experts.nl doormart@xs4all.nl c.baeten@wonen.amsterdam.nl vmeggelen@afwc.nl vdveer@afwc.nl jwkluit@awv.nl rdbood@geuzenveld.amsterdam.nl h.luiten@bosenlommer.amsterdam.nl kaatjemossel@chello.nl r.noyon@hetoosten.nl lbath@dedageraad.nl db@zeeburg.nl AWV Stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer Voorzitter dagelijks bestuur Stadsdeel Bos en Lommer Voorzitter Palladion Manager Het Oosten Manager rayon Oost De Dageraad Stadsdeelbestuurder Stadsdeel Zeeburg KennisNetwerk Amsterdam - 30 - Bijlage III Deelnemerslijst Colofon Teksten: Ton Bouwman (Matrix Partners) en Hans van der Jagt (Bureau Kwartslag) Eindredactie: Huib Akihary (ASW) Foto's: Jaap Maars, Jeroen van der Veer (AFWC) Reproductie en verzending: Indra van Vlokhoven Uitgave: KennisNetwerk Amsterdam Programmaleiding en Secretariaat: Ton Bouwman en Gelske Martens Matrix Partners WG-Plein 460 1054 SH Amsterdam T: 020-5892907 E: kennisnetwerk@hetnet.nl Bestuurssecretariaat: Riekje van Albada Nieuwezijds Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T: 020-5230151 E: kennisnetwerk@hetnet.nl www.kennisnetwerk-amsterdam.nl");sQ1[19]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/cah20.pdf","cah20.pdf","","Panel als instrument voor burgerparticipatie Verslag van de expertmeeting 31 maart Cahier 20 KennisNetwerk Amsterdam Amsterdam, Mei 2005 Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 Inhoud: Inleiding Verslag expertmeeting Bijlagen: I II Buurtpanels In Amsterdam-Noord, een avondje praten met de voeten op tafel De vrouwen van buurtpanel Transvaal 13 17 21 23 25 27 3 5 III Buurtspiegels in de Oostelijke Binnenstad IV Literatuur V Websites VI Deelnemers Colofon KennisNetwerk Amsterdam -2- Inhoudsopgave Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 Inleiding In veel gemeenten en wijken wordt gezocht naar nieuwe vormen om bewoners te betrekken bij allerlei kwesties van de eigen woon- en leefomgeving. Conventionele vormen van participatie zoals bewonerscommissies, buurtplatforms, verenigingen van huurders blijken voor vele bewoners niet aantrekkelijk. Ze zijn te star, worden gedomineerd door (autochtone) vergadertijgers en eisen te veel tijd en vermogen om in goed overleg met elkaar tot een besluit te komen. Deze vormen van overleg blijken zich ook moeizaam te verhouden tot de mix van culturen en leefstijlen die hedendaagse stadswijken karakteriseren. Daar komt bij dat een steeds groter deel van de samenleving zich afspeelt op het internet. De afgelopen jaren is de digitale kloof steeds kleiner geworden en heeft inmiddels meer dan driekwart van alle huishoudens in Nederland een internetaansluiting. Digitale technieken, zo is de verwachting, zullen ons leven meer en meer gaan beïnvloeden. Kortom er zijn meerdere redenen om ook op het terrein van de woon- en leefomgeving van mensen nieuwe vormen en instrumenten van participatie te ontwikkelen . In de zoektocht naar nieuwe vormen gebruiken steeds meer lidorganisaties van KennisNetwerk Amsterdam het instrument (buurt)panel om bewoners actief te betrekken bij de buurt- en wijkontwikkeling, of om huurders bepaalde vragen voor te leggen. Zo lijkt ook in Amsterdam deze nieuwe vorm te worden omarmd door professionals en ambtenaren verantwoordelijk voor wijkaangelegenheden. Panels zijn er inmiddels in meerdere soorten en maten. Ze zijn verschillend qua niveau, buurt of wijk, of qua onderwerp en samenstelling en varieren van breed en divers tot specifiek voor één categorie zoals de klantenpanels of panels voor ouderen. In sommige buurten zijn er buurtpanels, zijn in de Transvaalbuurt, in Amsterdam-Noord en in de Venserpolder in Zuidoost, alle geïnitieerd door de Wijkalliantie (voorheen stichting de Wijk is van ons allemaal). Ook zijn er woningcorporaties die experimenteren met bewoners- of huurders dan wel klantenpanels of woonateliers. Stadsdelen werken met klankbordgroepen; wijkopbouworganen met buurtspiegels. Maar hoe ze allemaal ook onderling kunnen verschillen, het zijn vormen waarbij een selectie van bewoners eenmalig of gedurende een afgebakende periode reageren op vragen of kwesties. Vraagstelling Maar wat verstaan we eigenlijk onder een panel? In welke gevallen is een panel een effectief instrument voor bewonersparticipatie bij processen van wijkbeheer en -ontwikkeling? Wat voor eisen stelt dat aan het ontwerp van een panel? Kan het ook digitaal? Hoe bouw je zo'n instrument dan op? Wat is daar voor nodig? En hoe houd je een met veel moeite opgebouwd panel vitaal? Kortom, de centrale vraag die op deze bijeenkomst beantwoord dient te worden luidt: Is een panel een bruikbaar instrument voor bewonersparticipatie in eenh multiculturele wijk en zo ja wat is dan een bruikbaar recept voor toepassing? Voor de beantwoording van deze vraag werkten mee: Arne Steeneken, adviseur klantinformatie Woonbron-Maasoevers Rotterdam Leida van Duijn, hoofd afdeling sociaal beheer Rochdale Surdar Truijens, beleidsmedewerker sector stadsdeelwerken stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, contactambtenaar buurtbeheer Cyriel Thomas, opbouwwerk in Amsterdam-Noord Leon Deben, universitair hoofddocent stadssociologie UvA afdeling Sociologie en Antropologie Joke Soolsma, opbouwwerk MDSO In dit verslag vindt u de resultaten en uitkomsten van de bijeenkomst. KennisNetwerk Amsterdam wenst u veel leesplezier! KennisNetwerk Amsterdam -3- inleiding Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 KennisNetwerk Amsterdam -4- inleiding Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 © Jaap Maars Fotografie KennisNetwerk praat over ervaringen met (buurt)panels Vitale vorm van participatie of modewoord voor bewonersorganisatie? Is een (buurt)panel een geschikt middel om de participatie van bewoners te bevorderen in de multiculturele wijk en zo ja, aan welke eisen moet zo'n panel dan voldoen? Dat was de centrale vraag tijdens een bijeenkomst van het KennisNetwerk Amsterdam op 31 maart ten kantore van het stadsdeel Oost-Watergraafsmeer. Panelleden en begeleiders toonden zich enthousiast, maar er waren ook kritische geluiden: 'een buurtpanel is gewoon een slimme markeringterm voor de aloude bewonersorganisatie.' Antoinette Tanja, portefeuillehouder welzijn van stadsdeel Oost-Watergraafsmeer die de bijeenkomst opende, wees op de initiatieven in de Transvaalbuurt en in de nieuwbouw van Park De Meer op het terrein van het voormalige Ajax-stadion. Het buurtpanel werd hier ingezet, volgens Tanja, omdat het nodig was dat bewoners zich actief met hun buurt gingen bemoeien. Het stadsdeelbestuur is in ieder geval trots op de resultaten, meldde de portefeuillehouder. Ze riep de aanwezigen op na te denken over hoe het beter kan en hoe de kennis die er in de stad over het fenomeen buurtpanels bestaat kan worden gebundeld. Dagvoorzitter Ton Bouwman vroeg nadrukkelijk niet alleen de successen te melden, maar ook de minder florissante ervaringen op tafel te leggen. Wat zijn de valkuilen en knelpunten? Soorten en maten In de plaats van Jan Foolen van het VerweyJonkerinstituut die zich wegens ziekte op het laatste moment voor de bijeenkomst moest afmelden, zette Bouwman in het kort een theoretische kader neer van het fenomeen panels. De panels blijken sterk in opkomst. Ze zijn er in alle soorten en maten: klantpanels, huurderspanels, categorale panels, bewonerspanels, kwaliteitspanels en buurtpanels. Als je ze zou moeten rangschikken op een participatieladder (een oplopende reeks waarin wordt gelet op de mate van participatie en zeggenschap) kom je uit op een driedeling: reagerende panels die puur antwoord geven op de vraag van bijvoorbeeld een lokale overheid, adviserende panels die gevraagd, maar soms ook ongevraagd advies geven over bijvoorbeeld de kwaliteit van de KennisNetwerk Amsterdam -5- Verslag expertmeeting Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 dienstverlening van een organisatie en tenslotte de buurtpanels, een nieuw fenomeen. De eerste categorie, die van de reagerende panels, kenmerken zich door hun kleinschaligheid en tijdelijke karakter. Ze zijn homogeen, dan wel divers van samenstelling. De functie van de panels is dat ze de vragenstellers duidelijkheid bieden over opvattingen, wensen en problemen die er in de groep leven. Het voordeel van dit soort panels is dat ze niet te 'zwaar' zijn. Er is geen langdurig vooronderzoek nodig voor je er mee aan de slag kunt. De kracht van de panels is het enthousiasme van de groep en de chemie die er ontstaat tussen de deelnemers bij het formuleren van de reactie. Wel is een gedegen voorbereiding nodig op punten van de samenstelling, de werkwijze en de vraag om de reagerende panels tot een succes te maken. Bij de adviserende panels ligt de lat een stukje hoger. Hier is een gedegen vooronderzoek nodig. Het oordeel van dit soort panels dient onafhankelijk tot stand te komen. Kenmerkend is ook dat deze panels een veel langduriger bestaan leiden dan de puur reagerende panels en dat er flink in geïnvesteerd zal moeten worden om tot bevredigende resultaten te komen. Met de derde categorie, de buurtpanels, is de laatste jaren veel geëxperimenteerd ook in Amsterdam (Noord, Oost/Watergraafsmeer, Geuzenveld). De panels zijn opgezet door de Wijk is van ons allemaal, tegenwoordig de Wijkalliantie geheten en ontwikkelen zich meestal tot buurtgroepen die zich actief bemoeien met de wijk. Buurtpanels kenmerken zich door een hoog doe-gehalte. De panelleden zitten er niet alleen om te praten, ze willen ook actief in de buurt aan het werk. De meeste buurtpanels bestaan uit relatief jonge deelnemers uit verschillende lagen van de bevolking. Buurtpanels draaien op een vaste kern met daarom heen een groep meewerkenden. De panels zijn autonoom, maar hebben wel ondersteuning van professionals nodig. Drie dimensies Na deze schets van panels in soorten en maten werd Leon Deben gevraagd de buurtpanels te bekijken vanuit het perspectief van de participatie. Zijn buurtpanels een goed instrument om de burger actief bij zijn directe woonomgeving te betrekken? De stadssocioloog en voorzitter van de PvdA-fractie van stadsdeel Centrum, toonde zich kritisch. Er zijn allerlei groepen in buurten die bij zouden moeten dragen aan een sterkere sociale cohesie, binding en participatie, begon Deben en hij somde ze nog maar eens op: buurtspiegels, klankbordgroepen, buurtcomité's, bewonerscommissies, zelforganisaties, beheercommissies en buurtpanels. Maar weten we eigenlijk wel waar we het precies over hebben als het over sociale cohesie gaat, vroeg Deben zich af. Hij had zelf onderzoek in Almere en Zoetermeer gedaan naar dit begrip en was tot de conclusie gekomen dat sociale cohesie te maken heeft met participatie, met meedoen in de samenleving en met binding en identificatie. Deben ging dieper in op deze drie dimensies. Wat participatie betreft komt het er kortweg op neer of mensen nog kunnen, willen en mogen meedoen. Hebben ze de capaciteiten, de middelen en mogelijkheden, maar ook: willen ze het nog wel, hebben ze er nog zin in? Mogen mensen nog meedoen, of worden ze uitgesloten? Wat dat laatste betreft wees de spreker op het gevaar dat in ieder geval ook buurtpanels onbedoeld mensen uitsluiten die niet zo gemakkelijk te bereiken zijn. Dat is hetzelfde gevaar dat enqueteurs lopen die op straat alleen de vriendelijke voorbijgangers benaderen en de nurkse links laten liggen. In de verschillende beschrijvingen van buurtpanels viel het hem op dat de leden zelf vaak gelijkgezinden zoeken ter aanvulling. Ook buurtpanels moeten kritisch kijken naar samenstelling en representativiteit, betoogde de socioloog. Als tweede dimensie van sociale cohesie noemde Deben de samenhang. Die is in onze samenleving, na het wegvallen van de verzuiling, op losse schroeven is komen te staan, volgens Deben en gezocht moet worden naar nieuwe verbanden. Hij wees op Amerikaanse onderzoek van Robert Putnam naar de teloorgang van het verenigingsleven in de VS1. De veronderstelling van de onderzoeker was dat de etnische gemeenschappen over een grote cohesie zouden beschikken, maar was daar hij inmiddels van teruggekomen. Met de 'bonding' binnen de eigen groep zat het wel goed, maar de 'bridging', de brug slaan naar andere (etnische) groeperingen in de samenleving, wilde het maar niet vlotten2. Als derde dimensie van 1 In zijn boek Bowling Alone sloeg deze Amerikaanse onderzoeker alarm over de Amerikaanse samenleving die als los zand uit elkaar valt (New York, 2000). 2 Ook in Amsterdam neemt de afstand tussen bevolkingsgroepen eerder af dan toe getuige de recente uitkomsten van de diversiteits- en integratiemonitor 2004, O&S, Amsterdam, december 2004. KennisNetwerk Amsterdam -6- Verslag expertmeeting Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 sociale cohesie wees Deben op het belang van identificatie. Ben je trots op je straat, op je buurt, hou je ervan, voel je je er veilig en heb je er wat voor over? Die identificatie bestaat uit tal van rationele en subjectieve aspecten. Het is belangrijk te weten waarom mensen in een bepaalde buurt of straat wonen en blijven wonen. Deben ging zo uitvoerig in op de begripsbeschrijving omdat hij vond dat er nogal eens gemakzuchtig mee wordt omgesprongen. Begrippen als samenhang en sociale cohesie worden gebruikt zonder dat duidelijk wordt gemaakt waar het precies over gaat, was zijn kritiek. Deben sloot zijn inleiding af met een aantal kritische opmerkingen. Zo vond hij dat er bij de beoordeling van panels gelet moet worden op de aard en de schaal van betrokkenheid. 'Er moet altijd onderscheid worden gemaakt tussen actieve en passieve betrokkenheid. Veel mensen zijn passief bij de buurt betrokken en er in geïnteresseerd, maar hebben geen zin in buurtvergaderingen en alle andere rompslomp. Je moet oppassen dat de actieve lieden zich niet te snel opwerpen als zaakwaarnemers voor en vertegenwoordigers van het passieve deel.' Ook de schaal van participatie is van belang, volgens Deben. Het moet overzichtelijk en invoelbaar zijn, je moet dus dichtbij huis blijven, vond hij. Ook iets om in de gaten te houden is het leiderschap. Expresssief leiderschap kan belangrijk zijn om een panel kracht te geven, volgens Deben, die meteen ook waarschuwde voor het ontkennen van elke vorm van hiërarchie binnen panels. 'Als dat gezegd wordt moet je op je hoede zijn.' De spreker vroeg zich tenslotte af of de buurtpanels zich ook bezighouden met de kwetsbaren in de samenleving. 'Deze panels moeten verder gaan dan geveltuinen en schoonmaakacties. Het zijn toch weer de actievelingen in de buurt die je daarmee bereikt. Maar wat wordt er gedaan met de bewoners die zich juist terugtrekken? Buurtpanels zouden goed moeten letten op signalen waaruit blijkt dat mensen in een sociaal isolement terechtkomen. Dat soort signalen kunnen zijn: dichte gordijnen, vuilnis wat buiten blijft staan, enz. Buurtpanels, maar zij niet alleen, zouden gevoelig moet zijn voor wat er in een straat gebeurt en zich met dit soort risicogroepen moeten bemoeien, vond Deben. Hij wees op het verdwijnen van de wijkagent die vaak als geen ander wist waar zich sociale narigheid afspeelde. Spraakverwarring De oproep aan buurtpanels om ook aan de sociale problemen van individuele bewoners aandacht te besteden, leidde tot instemming, maar ook tot kritiek. Mieke Richter van het buurtpanel uit de Transvaalbuurt, voelde zich wel aange- sproken. 'We hebben ons tot nog toe hiermee nauwelijks beziggehouden maar we gaan het daar zeker over hebben. Er is veel onzichtbare ellende in de buurt.' Karin van der Linden, buurtcoördinator bij stadsdeel De Baarsjes was het erg oneens met Deben. 'Daar moeten buurtpanels zich niet mee bemoeien. Een buurtpanel is samenlevingsopbouw, terwijl dit soort problemen een zaak is voor de hulpverlening.' Volgens Richter blijkt uit de praktijk echter dat veel sociale problemen tussen de instanties invallen. We komen er niet door steeds door te verwijzen, stelde ze. Joke Soolsma, opbouwwerker in de Transvaalbuurt en als ondersteuner betrokken bij het buurtpanel, merkte op dat dit panel wel degelijk signalen afgeeft over bewoners met wie het niet goed gaat, maar dat professionals daar iets mee moeten doen. 'De problematiek is soms zo zwaar en ingewikkeld dat buurtpanels daar zelf niet veel mee kunnen, maar ze kunnen de signalen wel doorgeven aan bijvoorbeeld het opbouwwerk of de buurtregisseur. Dat is ook een vorm van samenlevingsopbouw.'Toos Kloppenburg van Bewonerskoepel Palladion wees op een dreigende spraakverwarring. In Amsterdam-Noord kent ze buurtpanels die als klankbordgroep functioneren en de opvattingen en wensen van bewoners weerspiegelen. Dat zijn volgens haar heel andere clubs dan de panels waarover tot nog toe op deze bijeenkomst werd gesproken. Ook Eef Meijerman (ASW) was in verwarring. Hij hoorde over panels die als een verkapte bewonersorganisatie optreden, maar was nu juist op zoek naar een vorm van bewonersparticipatie die niet wordt geplaagd door de verschillende nadelen van deze reeds lang bestaande vormen, zoals verstarring, slecht bereik onder allochtonen, gedomineerd door vergadertijgers, enz. Het lijkt er nu op, aldus Meijerman, dat het enige verschil tussen de oude soort organisaties en de buurtpanels zit in het ontbreken van statuten bij laatstgenoemde vorm. In feite gaat het in beide gevallen om organisaties die bestaan uit een kleine groep actieve bewoners die zich uit de sloffen werken om iets voor elkaar te krijgen. 'Wat mij zo leuk lijkt bij een panel is dat KennisNetwerk Amsterdam -7- Verslag expertmeeting Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 een bewoner individueel actief kan zijn vanuit zijn eigen visie en bevrijd is van de last van verantwoording en de hele vergadercultuur. Ik zie nu bij de buurtpanels hele organisatievormen opduiken. De kracht van een panel zou juist moeten zijn dat je er makkelijk in en uit kan stappen.' Cyriel Thomas (opbouwwerker in AmsterdamNoord) waarschuwde voor erosie van het begrip panel. Hij pleitte ervoor de term enigszins zuiver te houden. Dat zou ook verwarring bij bewoners voorkomen. 'Een panel betekent dat je naar bewoners stapt, hen hoort over een bepaald onderwerp en hen vervolgens niet meer lastigvalt. In die vorm is een panel aardig om de mensen te betrekken, maar ook om iets te weten te komen over wat er in een buurt speelt en leeft.' Naar de mening van Thomas zijn veel buurtpanels in feite actieve bewonerscommissies die wellicht ooit uit een panelvorm zijn ontstaan. Er is niets mis met de methode om mensen in eerste instantie te vragen wat ze van de buurt vinden en de actieve personen die daaruit voortkomen vervolgens te organiseren, maar noem het dan liever geen buurtpanel, stelde hij anders zet je mensen op het verkeerde been. 'Je moet je ook realiseren dat je na een aantal jaren de zaak toch weer moet opkloppen en misschien een nieuwe raadpleging moet houden.' dit soort panels is een goede indruk te krijgen van het oordeel van de klanten over ons werk, vertelde Steeneken. Woonbron wil met de panels vooral de meningen peilen van de 'gewone' bewoner, als aanvulling op de inbreng van de georganiseerde bewonerscommissies. Een deel van de huurders en kopers van Woonbron krijgt een paar keer per jaar telefonisch en schriftelijk vragen voorgelegd bijvoorbeeld over de service en dienstverlening. De animo om mee te doen is redelijk groot, deelnemers ontvangen een kleine vergoeding, en jaarlijks worden de panels 'ververst'. Ook via de website wordt geprobeerd achter de opvattingen van bewoners te komen, maar volgens Steeneken staat dit onderdeel nog in de kinderschoenen en moet vooral de techniek nog verder worden ontwikkeld. Als belangrijkste knelpunt van de klantenpanels noemde hij de representativiteit. Woonbron worstelt voortdurend met de vraag of alle bevolkingsgroepen wel evenredig vertegenwoordigd zijn in de panels. Uit de presentatie van Steeneken bleek overigens wel dat dit soort panels veel meer van doen hebben met representatief onderzoek dan met de buurtpanels zoals die in verschillende delen van Amsterdam bestaan. Pauze Na de pauze werd er in drie rondes verder gepraat over het fenomeen panel en specifiek over de gebruikswaarde, over de randvoorwaarden en condities en over wat er bij de opbouw komt kijken om een panel van de grond te krijgen. De nadruk lag daarbij op de ervaringen van mensen die in de praktijk bij de opzet van buurtpanels betrokken zijn. Bruikbaar instrument? Volgens Esther Jakobs, onderzoeksadviseur bij de Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam, is een panel een zeer bruikbaar instrument. 'Het gaat allemaal niet vanzelf, we zijn er al ruim drie jaar mee bezig, maar het is voor ons een heel nuttig instrument gebleken, omdat het vrij snel gedegen informatie oplevert over een grote groep Amsterdammers.' O+S werkt met zogeheten digitale panels, die vergelijkbaar zijn met het klantenpanel van Woonbron. Ook de problemen liggen op hetzelfde vlak, vertelde Jakobs. Zo kost het O+S veel moeite om allochtone Amsterdammers bij het onderzoek te betrekken. Er moet echt specifieke actie naar deze groep worden ondernomen om hen te bereiken, volgens Jakobs. O+S kan rekenen op een respons van 65% en dat noemde Jakobs een heel redelijk resultaat. Het onderzoeksbureau hoopt binnenen bijlage V Na deze discussie liet Arne Steeneken zien hoe bij Woonbron, een grote corporatie in Rotterdam, klantenpanels functioneren3. Het doel van Zie Nieuwsbrieven 1-7 Woonbron Rotterdam http://www.woonbron.nl/downloads/nieuwsbrief1.pdf 3 KennisNetwerk Amsterdam -8- Verslag expertmeeting Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 kort te starten met een panel op stadsdeelniveau, waarmee onderzocht kan worden hoe schoon bewoners hun buurt vinden. De uitkomsten hiervan zullen aanleiding zijn tot gerichte actie op buurt- en wijkniveau. Met het oog op de gebruikswaarde vroeg Eef Meijerman (ASW) zich af wie de agenda bepaalt van de panels. Hebben bewoners invloed op de vragen die gesteld worden? En merken bewoners dat er iets met de uitkomsten gebeurt? De meerwaarde van panels stijgt enorm wanneer bewoners betrokken worden bij de agenda, stelde Meijerman. Hij zei verder positief te staan tegenover informatieve panels zoals die in Rotterdam worden uitgevoerd, omdat de uitkomsten ervan door de opdrachtgever, in dit geval de woningcorporatie, waarschijnlijk serieuzer wordt genomen dan de signalen van de georganiseerde bewonerscommissies. Panels kunnen er daarom, mits bewoners invloed hebben op vraagstelling e.d. en er duidelijke afspraken zijn over de resultaten, aan bijdragen dat de dienstverlening wordt verbeterd, aldus Meijerman. Aanvullend stelde Thomas, in navolging van Meijerman dat bewoners ook zelf de ruimte moeten krijgen om de agenda mede te bepalen en niet uitsluitend hoeven te reageren op wat anderen zoals overheid of corporaties bedenken. Mieke Richter beaamde dat vanuit de praktijk in de Transvaalbuurt: 'Aanvankelijk was de agenda volgens een vast stramien opgesteld. Inmiddels komen de agendapunten steeds meer van de panelleden zelf. Ze hebben ook allemaal een eigen expertise ontwikkeld. De een is goed in het schrijven van een tekst, de ander in het aanklampen van bewoners. Het loopt steeds meer vanzelf. Toos Kloppenburg (Palladion) zag de waarde van de informatieve panels ook wel in, maar waarschuwde voor het wekken van valse verwachtingen. Zij bleef bang voor conflicten tussen deze vorm van bewonersinbreng en die van de bestaande huurdersorganisaties. 'Het moet heel erg duidelijk zijn dat zo'n panel er enkel en alleen is voor de raadpleging van bewoners en niets te doen heeft met inspraak'. Joke Soolsma (MDSO) was het hier absoluut mee eens. 'De status moet heel erg duidelijk zijn om teleurstelling bij bewoners te voorkomen.' Zij vond verder wel dat informatieve panels à la Woonbron heel goed te combineren zijn met de geluiden van de niet representatieve buurtpanels. In Oost waren de leden van het buurtpanel met de stadsdeelvoorzitter gaan praten over wat zij gehoord hadden tijdens een zelf belegde 'buurtbrainstorm'. Representatief? Vervolgens richtte de aandacht in de ronde zich op het vraagstuk van de representativiteit van een panel. 'Natuurlijk is het panel in Transvaal niet representatief, stelde Joke Soolsma, maar de leden ervan weten wel wat er speelt en zijn in contact met veel bewoners. De geluiden over de sfeer en de beleving van mensen is een goede aanvulling op een 'koud' onderzoek.' In dat verband herkende Mieke Richter zich overigens niet in de typering jong en gekleurd, een van de kenmerken van de panels zoals die aan het begin van de middag waren neergezet. Dat geldt in ieder geval niet voor het buurtpanel In de Transvaalbuurt, vertelde ze. Meijerman reageerde onmiddellijk. Geen toeval, stelde hij. 'Panels draaien, net als bewonersorganisaties op mensen die meer vrije tijd hebben. Je ziet meestal een ondervertegenwoordiging van mensen die werken en kinderen moeten verzorgen.' Alles bij elkaar genomen zag Meijerman niet zo veel onderscheid tussen panels zoals die in de Transvaalbuurt draaien en de aloude bewonersorganisatie. In de literatuur was hij zelfs al panels tegengekomen die hun achterban moesten raadplegen en volgens hem had dat helemaal niets meer met panels te maken. Kenmerkend voor panels is immers dat de leden zich niet hoeven te verantwoorden over wat ze zeggen, stelde hij. Voorzitter Bouwman wilde weten hoe je voldoende diversiteit in de samenstelling van een buurtpanel kunt bereiken. Volgens Christine Hermans van O+S moet je vooral niet teveel eisen stellen aan die samenstelling. Opdracht- KennisNetwerk Amsterdam -9- Verslag expertmeeting Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 gevers willen vaak een representatief forum uit de buurt waarin alle bevolkingsgroepen even- redig zijn vertegenwoordigd, maar dat garandeert absoluut geen productieve discussie en een goed resultaat, stelde ze. 'De enige eis die je moet stellen is dat mensen iets met de buurt hebben en zich daarvoor willen inzetten. De rest komt vanzelf.' Deben was het daar helemaal mee eens. 'Bewoners willen wat, zoeken wat andere mensen erbij en gaan aan de slag. Als je een indruk wilt hebben van wat er zoal leeft in een buurt, is dat prima. En als je een werkelijk representatief beeld wilt, moet je naar O+S gaan voor een degelijk onderzoek.' Hermans nogmaals: 'Je moet een onderscheid maken tussen de vragen waar je een antwoord op zoekt. Als je de diepte in wilt en overwegingen en motivaties wilt weten en suggesties wilt krijgen, dan moet je geen al te hoge eisen stellen aan representativiteit. Maar als je precies wilt weten hoeveel procent van de buurtbewoners het met een plan eens is, moet je daar juist wel op letten. Dat is een heel andere aanpak.' Het is een mooi streven om alles en iedereen in je buurtpanel te vertegenwoordigen, maar een perfecte samenstelling bereik je nooit, volgens Hermans. Ze pleitte voor een pragmatische aanpak: 'Je wilt natuurlijk geen groep die uit één hoekje van de buurtsamenleving komt, maar enige vorm van variatie is al voldoende.' Volgens Cyriel Thomas moest het ook weer niet te gemakkelijk worden opgevat. 'Je zult er best wat moeite voor moeten doen om een gevarieerde samenstelling te bereiken. Als je jongeren of oudere migranten wilt betrekken, zul je actiever in die kringen moeten gaan werven. Maar inderdaad, motivatie is net zo belangrijk.' Meijerman wees erop dat het niet alleen om diversiteit in leeftijd of sekse of afkomst gaat, maar dat wellicht meer moet worden gekeken naar verschillen in leefstijlen. Het belangrijkste is dat je voorkomt dat een panel een eenzijdig geluid geeft, meende hij. Fenna Bolderheij van de Stichting Bij de Tijd wilde terug naar de vraag hoe je er voor kunt zorgen dat niet alleen de superactieven meepraten en participeren. Francis Lensink van woningcorporatie Het Oosten: 'Wij hebben ons het afgelopen jaar gericht op het betrekken van bewoners die we slecht bereiken. In drie projecten hebben we een verschillende aanpak gekozen. In de Geuzentuinen hebben we voor een hele open benadering gekozen, dus: gewoon bij mensen aanbellen en vragen wat er leeft en speelt. In Nieuwendam hebben we gewerkt met een woonatelier. Bewoners hebben in tien bijeenkomsten onder leiding van een procesbegeleider en een architect hun woonwensen vertaald naar concrete ontwerpen. Uitgangspunt was steeds om met de wensen van bewoners daadwerkelijk iets te doen. We wilden mensen behouden voor de participatie door aan concrete tastbare resultaten te werken. Zodat ze zien dat het wel degelijk nut heeft om mee te praten.' Voorwaarden De tweede ronde ging over de randvoorwaarden en condities. 'Wat is er per se nodig wil een informatief panel een succes worden?' vroeg Bouwman aan de aanwezigen. Volgens Mieke Richter is de continuïteit van belang. Panelleden moeten op elkaars inzet kunnen vertrouwen, vond ze. In Transvaal werd je in ieder geval wel geacht naar de bijeenkomsten te komen en was vrijblijvendheid uitgesloten. Steeneken (Woonbron) meende dat een panel staat of valt bij een goede gespreksleider en Meijerman vond het van het grootste belang dat de zaak niet statisch wordt en daarmee aan dezelfde kwalen gaat lijden als de bewonersorganisatie waarbij het altijd om dezelfde mensen draait. Van der Linden (De Baarsjes) was het hiermee niet helemaal eens. Bewonersorganisaties kunnen best dynamisch en flexibel zijn, stelde ze. Leida van Duijn van Woningstichting Rochdale meende dat het belangrijk is dat duidelijk wordt vastgesteld waar het in een panel over gaat en dat de verantwoordelijkheden van bewoners en corporatie duidelijk worden vastgesteld. In de Bijlmer had Rochdale een leefbaarheidspanel opgezet waarin bewoners in drie sessies de knelpunten hadden geïnventariseerd. Voor de panellleden was het belangrijk te weten wat er met alle informatie werd gedaan, vertelde Van Duijn. Terugkoppeling is essentieel, stelde ze. KennisNetwerk Amsterdam - 10 - Verslag expertmeeting Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 Je moet duidelijk maken wat je wel en niet doet en waarom. Ton Bouwman wilde weten wat voor eisen er aan de begeleiding van de panels moet en worden gesteld. Tijd is een belangrijke factor stelde Joke Soolsma, de begeleidster van het buurtpanel in de Transvaalbuurt. Ze besteedt per week minstens vier uur aan het panel. Een panel is veel meer dan een groepje bewoners dat activiteiten organiseert, stelde ze. Het is vooral de bijdrage die het panel levert aan de sociale cohesie die het de moeite maakt om er zoveel tijd in het panel te steken. Ze vond het verder erg belangrijk dat de begeleiding betrokken is bij het panel en ook bereid is om de handen uit de mouwen te steken. Tenslotte is het van groot belang dat de buurtpanels, zeker in de beginfase van hun bestaan, ondersteuning krijgen van andere partijen, zoals corporaties, stadsdeel, buurtregisseur, enz., vond Soolsma. 'Buurtpanels moeten serieus worden genomen. Bewoners moeten merken dat er iets met hun deskundigheid gebeurt.' Lis Weimar, onderzoeker bij regiopolitie Amsterdam/Amstelland, vertelde over de elektronische groepsdiscussies die de politie heeft opgezet. Procesbegeleiding is een heel belangrijk punt, volgens Weimar. 'Daar is veel kennis van zaken voor nodig zodat je de juiste doelgroep kiest, de juiste vragen stelt en de juiste partners bereikt.' Ze vond het bij de panels ook van belang dat het duidelijk is wel doel wordt nagestreefd en waar en wanneer beslist moet worden. Toos Kloppenburg vond het belangrijk dat het duidelijk is wie de vragen aan het panel stelt. 'Dat bepaalt de invalshoek en de manier waarop mensen reageren.' Opsommend noemde Ton Bouwman als voorwaarden: een duidelijk protocol over de agenda en werkwijze, een duidelijke vraagstelling en duidelijkheid over wat er met de resultaten gebeurt, een goede voorbereiding en ondersteuning. Vitaliteit De laatste vraag deze middag luidde: hoe houdt je een panel vitaal? Volgens Joke Soolsma is dat aan de panelleden zelf. Als begeleider kun je alleen faciliteiten bieden, de mensen moeten het verder zelf doen, vond ze. Cyriel Thomas meende dat je panels bijtijds moet stoppen om te voorkomen dat ze vastroesten. Bijtijds verversen kan ook, stelde hij. 'Wat let je om na een paar jaar een nieuwe groep actieve bewoners aan te trekken?' Meijerman stemde hiermee in: 'Zodra een panel een langjarig bestaan leidt, is de vitaliteitsvraag aan de orde.' Afsluitend Ton Bouwman rondde de discussie af met een opsomming van de succes- en faalfactoren van de buurtpanels waarbij hij doelde op de panels die snel en flexibel een mening kunnen geven over buurtkwesties. Succes vereist dat het altijd moet gaan om een duidelijk afgebakende opdracht of vraag, vooraf moet helder zijn wat er met de uitkomsten gebeurt (wat ook met de scherpte van de vraagstelling heeft te maken). `Borging' van de resultaten is een vereiste voor de levensvatbaarheid van een panel. Er moet voldoende informatie beschikbaar zijn over het onderwerp dat aan de orde is en de werving moet doordacht zijn om een evenwichtige samenstelling te bereiken. De begeleiding dan wel de gespreksleiding van een panel moet zicht hebben op de verschillende belangen van de panelleden en de panels moeten vitaal blijven door regelmatige verversing of aanvulling. Bouwman noemde ook enkele faalfactoren. Voor elke toepassing is het vereist dat de gebruiker van het instrument zich goed rekenschap geeft van de specifieke situatie, de gewenste resultaten en de beschikbare middelen. Als er verkeerde verwachtingen worden gewekt bij de deelnemers maar ook de opdrachtgevers kan het fout gaan, mensen raken teleurgesteld en haken af. Bijvoorbeeld wanneer de ideeën van het panel in de formele inspraak worden afgewezen. Bovendien kan er een conflict ontstaan wanneer een panel op hetzelfde terrein bezig is als bijvoorbeeld een formele huurdersorganisatie. Hans van der Jagt KennisNetwerk Amsterdam - 11 - Verslag expertmeeting Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 Buurtpanels In Amsterdam-Noord Een avondje praten met de voeten op tafel Wees gewaarschuwd als je als argeloze bewoner enige interesse voor je woonomgeving laat blijken en uit nieuwsgierigheid een vergadering van het plaatselijke buurtcomité bezoekt. Voor je het weet wordt in meegezogen in het vergadercircus en voor je het weet je er tot je nek in. Veel mensen hebben daar geen tijd voor, willen die verplichtingen en verantwoordelijkheden gewoon niet. Maar ze zijn wel betrokken bij hun buurt. Buurtpanels zijn voor hen het ideale platform om toch hun zegje te doen. Niet verplichtend, je komt alleen als jij dat wilt en het mag gerust bij die ene keer blijven. In Amsterdam-Noord zijn gunstige ervaringen opgedaan met deze flexibele overlegvorm. Klankbordgroepen heten de buurtpanels in Noord. Maar er wordt hetzelfde mee bedoeld: op een redelijk snelle manier wordt een divers samengesteld gezelschap van buurtbewoners gevraagd naar hun mening over een actueel thema dat in de buurt speelt of een belangrijke ontwikkeling die er zit aan te komen. De deelnemers worden altijd op persoonlijke titel geworven en hoeven geen rekening te houden met wat voor achterban dan ook. Heel belangrijk noemt opbouwwerker Cyriel Thomas dit gegeven. 'Als panellid neem je enkel en alleen je eigen kennis mee. Dat wil overigens niet zeggen dat de leden van een buurtpanel geen netwerk hebben, of niet actief zijn in een buurt. Ze hoeven alleen geen rekenschap af te leggen naar anderen.' Ideale mix Opbouwwerk Noord ondersteunt en faciliteert de panels. Soms staan opbouwwerkers aan de wieg ervan, in andere gevallen wordt het opbouwwerk gevraagd de begeleiding over te nemen nadat een groep bewoners is geactiveerd. Dat laatste was bijvoorbeeld het geval in de Van der Pekbuurt waar medewerkers van 'De wijk is van ons allemaal', huis aan huis aanbelden om bewoners op te peppen zich met hun buurt te gaan bemoeien. Bij de samenstelling van een panel is diversiteit erg belangrijk. Een mix van leefstijlen, jong-oud, man-vrouw, allochtoon-autochtoon, laaghoogopgeleid is het ideaal. Die wordt soms bereikt door naar willekeur op een aantal adressen aan te bellen en bewoners te vragen mee te doen, zoals in de Van der Pekbuurt gebeurde, maar ook soms juist door heel gericht te werven. De buurtpanels moeten het hebben van mensen die weinig tijd hebben, maar wel een woordje mee willen praten over de buurt of iets wat zich daar afspeelt, zonder zich onmiddellijk vast te leggen. Anders dus dan de vergadertijgers, de beroepsvrijwilligers die gepokt en gemazeld zijn in het praatcircus en die altijd wel te porren zijn voor een avondvullende bijeenkomst. Belangrijk is ook dat een panel een positie heeft in een buurt en niet los staan van alles en iedereen, stelt Thomas. 'Er wordt informatie vergaard, er wordt over een onderwerp nagedacht en het moet duidelijk zijn wat er met die informatie en adviezen gebeurt. Een panel moet dus niet in de lucht hangen, maar ingebed zijn in een geheel van buurtactiviteiten.' Een buurtpanel is een uitstekend middel om meer en andere mensen te bereiken dan de traditionele bewonersoverleggen, denkt Thomas. De panels onderscheiden zich hiervan omdat de deelnemers geen last hebben van allerlei verantwoordelijkheden en rompslomp. Ze gaan op uitnodiging naar een bijeenkomst over een afgebakend onderwerp waarin ze geïnteresseerd zijn en hoeven zich vooraf niet door taaie nota's of verslagen te werken. Fris van de lever kunnen ze laten horen wat ze van een plan of idee vinden. Het is trouwens niet alleen reageren op plannen wat buurtpanels doen, ze kunnen ook zelf met initiatieven en voorstellen komen. Sterker nog de praktijk in Noord leert zelfs dat de klankbordgroepen ontstonden op een moment dat er slechts sprake was van een probleem dat opgelost moest worden en er nog helemaal geen concreet plan van wie dan ook op tafel lag. Thomas: 'De deelnemers vinden het leuk om zelf met ideeën te komen en willen niet alleen in de reactieve rol zitten.' Actief of reactief, kenmerkend voor de panels blijft het gebrek aan zeurende verplichting voor de deelnemers. Als ze het bij een eenmalige bijdrage willen houden, even zo goede vrienden. Het is de verantwoordelijkheid van de organisatie dat de bijeenkomsten interessant genoeg zijn om naar toe te gaan, stelt Thomas. Als er weinig of geen mensen komen, is men er blijkbaar niet in geslaagd een geschikt thema op de agenda te zetten of zijn plaats en tijd mogelijk niet aantrekkelijk. Het falen ligt in ieder geval niet aan de weggebleven deelnemers, is zijn stelling. 'Wij verwachten iets van de mensen, dan is het dus onze taak het interessant genoeg te maken om te komen.' KennisNetwerk Amsterdam - 13 - Bijlage I Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 Deelname aan een panel is dus niet verplichtend. Maar het is zeker ook niet vrijblijvend, stelt Thomas. 'Een panel is geen theekransje. Het gaat altijd ergens over en van de deelnemers wordt veel motivatie verwacht en een kritische bijdrage. Met de benen op tafel In De Banne wordt op termijn de verouderde serviceflat Kadoelerbreek gerenoveerd en de omgeving ervan vernieuwd. Naast de al jaren bestaande bewonerscommissie oude stijl heeft Opbouwwerk Noord hier ook twee klankbordgroepen geformeerd, een voor de zittende en een voor de toekomstige bewoners van het complex. Omdat het te verwachten valt dat zich binnen afzienbare tijd veel allochtone ouderen voor dit soort woonvoorzieningen zullen gaan melden, is voor laatstgenoemd panel bewust gezocht naar paneldeelnemers uit deze hoek. Het opbouwwerk vroeg aan verschillende zelforganisaties hen in contact te brengen met allochtonen die straks mogelijk in de gerenoveerde serviceflat willen trekken. Het kader van de organisaties was daarbij niet groep die gezocht werd. Juist de mensen daarachter, die je meestal niet aan de vergadertafel tegenkomt, moesten worden bereikt . 'Het is èn-èn, benadrukt Thomas, het kader heb je evengoed nodig, maar het moet niet de enige partij zijn die meepraat. De mix is belangrijk. te geven. Als het bijvoorbeeld ging om het nabijgelegen winkelcentrum, spraken we daar af met de winkeliers èn de ouderen.' Buurtpanels hebben grote voordelen ten opzichte van de traditionele vormen van overleg, stelt Thomas. 'Deelnemers kunnen met de benen op tafel vrijelijk over een onderwerp praten. Het gaat dus puur om de inhoud. Je hebt geen ballast die je hindert vrij te kijken en te oordelen.' Bij het project Kadoelerbreek kon een interessante vergelijking worden gemaakt tussen de werkwijze van de traditionele bewonerscommissie en die van de panels. Thomas: 'Je ziet dat de oude bewonerscommissie heel erg bezig is met zaken als kostenbeheersing, de relatie met de verhuurder, met service, etc. Allemaal zaken die erg belangrijk zijn, maar die erg kunnen belemmeren bij het over de muurtjes heenkijken en verder denken dan de bestaande structuren.' 'Het blijft vergaderen' Buurtpanels worden altijd in het leven geroepen naar aanleiding van een actueel thema. In Noord was dat bijvoorbeeld de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Het Stadsdeel wil de gelegenheid gebruiken om de openbare ruimte rond het tracé opnieuw in te richten. Een van de ideeën is om de drukke toegangsweg naar de IJ-tunnel te verdiepen zodat de twee groenstroken aan weerszijden verbonden kunnen worden tot een nieuw stadspark, het Noorderpark. Het opbouwwerk kreeg van het Stadsdeel de opdracht geïnteresseerde omwonenden bij het plan te betrekken en koos voor het panelmodel. De eerste lichting meepraters werd gerekruteerd uit het bestaande netwerk van het opbouwwerk, aangevuld met belangstellenden die op een oproep in de huis-aan-huisbladen waren afgekomen. Zo ontstond een wisselende groep deelnemers die al dan niet komen opdagen, afhankelijk van de agenda. Ter plekke leggen projectleider, architect of andere deskundigen uit wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn en kan er gereageerd worden. De tips en adviezen worden opgetekend door de organisatie en zijn soms wel, maar vaak ook niet terug te vinden in de bijgestelde plannen. Dat laatste is op zich geen probleem, volgens Thomas, als de inbreng maar beargumenteerd terzijde wordt geschoven. De groeiende belangstelling voor de buurtpanels wordt onder meer ingegeven door de hoop dat met deze vorm ook bewoners worden bereikt die het gewoonlijk laten afweten bij reguliere vormen van overleg. Is daar in Noord iets van te merken? Thomas: 'Een buurtpanel is zeker laagdrempeliger. Je bereikt Bij de benadering van allochtone ouderen werden onorthodoxe methoden niet geschuwd. De senioren in spé werden niet alleen geïnterviewd over hun toekomstwensen en verwachtingen, maar ook meegenomen naar de plekken waarover ze een mening mochten geven. Thomas: 'We hebben geprobeerd zo weinig mogelijk met hen om de vergadertafel te zitten en zoveel mogelijk ter plekke informatie KennisNetwerk Amsterdam - 14 - Bijlage I Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 meer mensen, ook zij die niet al actief zijn in de buurt. Maar het blijft natuurlijk wel vergaderen. Iemand die dat een vreemd fenomeen vindt, zal ook niet aan een buurtpanel meedoen. Dat geldt voor migranten, maar bijvoorbeeld ook voor tieners en jongeren.' Wel een hoger bereik dus en een meer gevarieerde inbreng, geen middel waarmee je alle mensen over de drempel krijgt die gewoonlijk buiten beeld blijven. Daar staat tegenover dat men in Noord ook niet bewust uit is op een representatieve inbreng uit de buurt. Het panel hoeft de bevolkingssamenstelling beslist niet te weerspiegelen. Die opstelling blijkt meer een pragmatische dan een principiële achtergrond te hebben. 'Het is praktisch te ingewikkeld om al die verschillende groepen in je panel te krijgen. Daar komt bij dat een buurtpanel er niet is om het draagvlak voor een plan te versterken. Het is puur een test voor de plannenmakers om te zien of ze op de goede koers zitten.' Representativiteit is heel relatief, stelt Thomas. Als een plan in de formele inspraak terechtkomt kunnen er plotseling wel heel andere belangen spelen. Dat bleek bijvoorbeeld bij de bouwplannen voor de Van Hasseltzone, rond de plek waar straks een van de twee noordelijke metrostations zal verrijzen. Hoewel veel ideeën van de klankbordgroep in het plan werden meegenomen, vielen buurtbewoners tijdens de inspraak uiteindelijk over het in hun ogen te forse bouwprogramma en werd het plan alsnog afgeschoten. Aanvankelijk tot teleurstelling van het opbouwwerk dat veel tijd en energie in het project had gestopt. Pas later drong het besef door dat het een geen diskwalificatie van het ander betekende. Cyriel Thomas: 'We zagen in dat de bijdrage van het buurtpanel en de resultaten van de formele inspraakprocedure twee verschillende zaken zijn die volstrekt gescheiden moeten blijven. Het panel heeft bijgedragen aan de kwaliteit van de plannen maar is er niet om die plannen ook door de inspraak te krijgen. Een panel besluit niets, stelt niets vast, maar constateert slechts. De plannenmakers moeten er maar mee doen wat ze willen. Een panel is dus nadrukkelijk geen belangenorganisatie die druk op de ketel wil zetten.' Loopgraven Buurtpanels kunnen dus bijdragen aan de kwaliteit en de verdieping van plannen. En ze kunnen een bron zijn voor authentieke ideeën waaraan bestuurders zelf nooit hadden gedacht. Overheden, maar bijvoorbeeld ook woningbouwcorporaties, hebben die boodschap de laatste jaren goed begrepen, volgens Thomas. Ze nemen buurtpanels daarom zeer serieus. 'Bestuurders willen graag weten wat er speelt in de buurt en plannenmakers willen weten of wat ze gaan maken, straks ook gebruikt gaat worden.' Daarbij komt nog het tijdselement. Met het horen van een buurtpanel wordt veel tijd gewonnen omdat bewoners fris en vrij kunnen reageren, zonder dat ze rekening hoeven te houden met een morrende achterban. Dat is een groot voordeel ten opzichte van formeel overleg met een bewonersplatform dat eindeloos lang kan duren omdat de overlegpartners zich nogal eens verschansen in de loopgraven. Lastig blijft wel dat tussen het bedenken en uitvoeren van plannen meestal vele jaren liggen. Hoe betrek je bewoners bij iets waarvan ze voorlopig nog niets zullen zien? Sterker nog, waarvan ze de uitvoering misschien niet eens zelf zullen meemaken. In de klankbordgroep Kadoelerbreed praten tachtigjarigen mee over een toekomstige serviceflat die waarschijnlijk pas na hun dood zal worden geopend. 'Je zult heel erg over het hier en nu moeten praten', zegt Thomas. 'Het moet voor de deelnemers interessant genoeg zijn om zich in de materie te verdiepen en een mening te geven.' Alleen door dichtbij huis te blijven en aan te sluiten bij de directe belangen van de deelnemers, kan voorkomen worden dat bewoners een panel als een ver-van-hun-bed-show gaan zien. Met dit uitgangspunt vallen zelfs bredere onderwerpen of thema's die pas in de toekomst zichtbaar zullen worden te bespreken. Thomas geeft als voorbeeld een discussie over toekomstige voorzieningen met allochtone vrouwen die Nederlandse les volgen. 'Dat zijn meestal moeders met schoolgaande kinderen die veel gebruikmaken van buurtvoorzieningen. Je kunt hen dan de vraag voorleggen hoe ze hier straks willen wonen, wat ze daarbij nodig hebben, enz. Je moet het dus heel concreet maken. Als het over algemene of abstracte plannen gaat, haken ze af.' Geen monopolie Hoe enthousiast men ook is over de buurtpanels, Opbouwwerk Noord waakt ervoor de klankbordgroepen het monopolie op bewonersinbreng te geven. Het is een middel, niet hèt middel om de stem van bewoners te laten doorklinken, is de stelling. Daarom worden er vaak meerdere overlegvormen naast elkaar ingezet. In het geval van het Noorderpark werden bijvoorbeeld ook individuele gebruikers van het park benaderd, los van de klankbordgroep. Gewapend met digitale camera en opschrijfboekje togen opbouwwerkers naar het park om de meningen te polsen van sportvissers, voetballertjes, zonaanbidders en voortijlende joggers. Hun KennisNetwerk Amsterdam - 15 - Bijlage I Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 hartenkreten werden daarna wel ingebracht in de bijeenkomst van de klankbordgroep. Cyriel Thomas: 'De klankbordgroep is natuurlijk maar een beperkte groep gebruikers van het park die vaak ook maar een klein deel van het park kent. Je moet altijd breder kijken.' Met die optiek worden in Noord ook moderne middelen ingezet. Op de website van Opbouwwerk Noord kunnen belangstellenden zich aanmelden als lid van een nieuwsgroep, waarna ze via e-mail uitgenodigd worden voor de bijeenkomsten van de klankbordgroep en het laatste nieuws ontvangen over het onderwerp van hun interesse. De digitale bewonersinbreng is nog summier, erkend Thomas en vooral aanvullend op de fysieke bijeenkomsten van het panel. Het zal die volgens hem ook nooit kunnen vervangen. Hij is ervan overtuigd dat het faceto-face contact, de life interactie tussen bewoners en plannenmakers altijd nodig blijft. Als vrije en flexibele vorm van bewonersoverleg, lijken de buurtpanels zeker de toekomst te hebben. Maar verstarring ligt altijd op de loer. Cyriel Thomas: 'Het gevaar is dat je van een panel een officiële club wil maken, dat je de vorm gaat institutionaliseren. Voor je het weet ben je dan weer terug bij de oude reguliere bewonerscommissie. Dat moet je vooral niet doen. Je moet juist steeds zorgen dat de drempel nog lager wordt, dat de deelname nog breder wordt en nog minder verplichtend. Je moet aan het model blijven sleutelen.' Hans van der Jagt KennisNetwerk Amsterdam - 16 - Bijlage I Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 De vrouwen van Buurtpanel Transvaal `Hoe kun je iets voor de buurt betekenen als je voor je eigen mensen niet eens goed zorgt?' Een pleinontbijt, buurtbrainstorm of lentefeest. Met vrolijke en ludiek getinte acties probeert het buurtpanel Transvaal de bewoners meer bij hun wijk te betrekken. Het bonte gezelschap van voornamelijk vrouwen kent geen hiërarchie. 'We hebben geen baas. Iedereen heeft zo z'n eigen sterke punten.' Ana Maria Bühler woont al vijftien jaar in de Transvaalbuurt. Ze maakte hier de donkerste tijden mee toen de buurt werd geteisterd door drugsoverlast en trof op een dag zelfs een lijk voor haar deur. Uit een auto die al weken in de straat stond, begon een wel erg penetrante geur op te stijgen. Toen ze op een avond poolshoogte ging nemen, zag ze door een gat in de hoedenplank een herenschoen steken. Aan die schoen zat een voet. Na twee slapeloze nachten durfde ze eindelijk de politie te bellen. 'Ik ben Argentijnse. Als je bij ons een lijk vind, ben je meteen de eerste verdachte.' Op de eerste rij Het zou niet de eerste en zeker ook niet de laatste dode zijn die in de jaren negentig in de buurt werd gevonden. De Transvaalbuurt telde een groot aantal drugspanden waar driftig werd gehandeld en van waaruit ook prostitutie werd bedreven. Dat leverde op straat heftige taferelen op en af en toe dus een dodelijk slachtoffer. Ana Maria en haar man waren, na renovatie van hun woonblok, teruggekeerd in de Christiaan de Wetstraat en kwamen schuin tegenover een van de beruchtste dealers te wonen. Ze zaten nu op de eerste rij om de handel eens goed te kunnen bekijken. Wat ze dagelijks aan de overkant zagen gebeuren, tart elke beschrijving. 'Mijn man was in die tijd werkloos en stond achter de gordijnen te vloeken bij wat hij allemaal zag gebeuren. Maar de politie deed helemaal niets. Blijkbaar had die handelaar goede vrienden.' Pas na ruim tien jaar zware overlast werd het drugspand ontruimd, na aanhoudende klachten van omwonenden. De vlam sloeg pas echt in de pan toen de drugshandelaar een week later doodgemoedereerd zijn toko heropende in een kraakpand even verderop. Het was het moment waarop bij Ana Maria alle stoppen doorsloegen. In een pamflet dat ze huis aan huis in de buurt verspreidde zette ze al haar woede op papier en riep de bewoners op het recht in eigen hand te nemen als het Stadsdeelbestuur niet in wilde grijpen. Een van die epistels kwam terecht bij het net door het Stadsdeel opgerichte Steunpunt Veiligheid en daar schrokken ze zich rot. Ana Maria werd subiet uitgenodigd haar krachten op iets vreedzamer wijze in te zetten en daarmee was de basis gelegd voor wat later het buurtpanel Transvaal zou gaan heten. Vooralsnog was ze het enige actieve lid, maar dat deerde Bühler in het geheel niet. 'Ik was ontzettend kwaad na alles wat er gebeurd was en wilde daar wat tegen doen. Verder had ik geen idee wat wel of niet kon.' Hechte band Kort na de oprichting van de bewonersgroep riep het Steunpunt Veiligheid de hulp in van 'De Wijk is van ons allemaal', een stichting die activiteiten steunt van bewoners die iets willen doen aan de leefbaarheid en de sfeer in een buurt. De stichting, inmiddels omgedoopt tot de Wijkalliantie, ging voortvarend aan het werk en begon simpelweg huis aan huis bewoners te vragen actief te worden. Ook werd een schoonmaakactie georganiseerd op het Krugerplein. Het leverde een flinke versterking op waardoor echt een levensvatbare panel ontstond dat inmiddels is uitgegroeid tot een groepje van elf actieve bewoners. Op papier althans, want in de praktijk doen er zes of zeven het feitelijke werk. Het is een bont gezelschap van voornamelijk vrouwen dat zich met overtuiging stort op de leefbaarheidsproblemen van met name het Krugerplein en omgeving. Minstens een keer per twee maanden komt de club bij elkaar. Eigenlijk is er weinig verschil met het aloude buurtcomité, erkent Annelies van Benthem. Zij werd vorig jaar tijdens een 'pleinthee' aangeklampt op straat door leden van het buurtpanel en draait sindsdien volop mee. 'We zijn gewoon een actieve club bewoners die dingen in de buurt organiseert met steun van professionals.' Volgens Ana Maria is het wel iets meer. 'We geven ook onze mening over plannen van het Stadsdeel.' Kenmerkend voor het buurtpanel Transvaal is volgens beiden de hechte band tussen de leden. Buiten de officiële bijeenkomsten hebben de deelnemers ook informeel contact met elkaar. 'We zijn vrouwen', verklaart Ana Maria. 'Menselijke contacten komen eerst, daarna pas de zaken. Als er bijvoorbeeld iemand van ons ziek is, dan wordt die door de rest gesteund. Als je niet voor KennisNetwerk Amsterdam - 17 - Bijlage II Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 &quot;Leuk aan het buurtpanel is dat het zich inzet voor heel concrete, zichtbare zaken. Inmiddels is het mij ook duidelijk hoe buurtpanel en stichting en steunpunt, evenals woningbouwverenigingen met elkaar samenwerken. Ook dat als je wat meer inzicht zou willen krijgen in bestuurlijke zaken, je ook welkom bent in de buurtbeheergroep. Kortom als buurtbewoner kun je heus zelf aardig wat doen aan het leefbaar maken en houden van je buurt. Bijzonder blijf ik het vinden hoe de stichting er toe gekomen is om de buurtbewoners persoonlijk te gaan benaderen. Dat werkt dus! Tot nu toe ontmoet ik louter enthousiasme en na tien jaar fiets ik weer met plezier iedere dag mijn buurt in.&quot; Mieke Richter (Transvaalbuurt) de mensen in je eigen panel kunt zorgen, hoe kun je dat dan wel voor de buurt doen?' Kortgeleden meldden zich schoorvoetend ook twee mannen voor het panel. De sfeer verandert daardoor, zeggen beiden. 'Vrouwen zijn tegelijk ook moeders. Ze willen de boel altijd bij elkaar houden. Met mannen erbij wordt het rommeliger.' Toch voelen ze er niets voor de deur voor mannelijke actievelingen gesloten te houden. 'Een buurtpanel mag geen elitegroepje worden', stelt Annelies van Benthem. Actieve deelname en inzet zijn voor de twee belangrijkere criteria om leden al dan niet te weigeren dan het geslacht . 'Als we een activiteit afspreken moet iedereen de mouwen opstropen. We hebben handen nodig, geen monden', verwoordt Ana Maria de ongeschreven regel. De ploeg is in ieder geval wel zeer multicultureel van samenstelling. Naast de Argentijnse Ana Maria is er een Spaanse, een Hindoestaanse, een Marokkaanse, een Kroatische en een Deense buurtbewoonster actief. Het zou voor belangstellende nieuwkomers wel eens moeilijk kunnen zijn om bij zo'n hechte club binnen te dringen. Maar dat wordt ontkend. Buurtpanel Transvaal acht zich open genoeg naar de buurt. 'Wie wil kan meedoen', zegt Bühler. 'Iedereen die maar een beetje interesse toont, wordt meteen uitgenodigd voor een bijeenkomst. We willen graag groeien.' Van Ben- them: 'Er zijn natuurlijk grenzen. Vergaderen met vijfentwintig mensen werkt niet, het moet dus redelijk compact blijven. Als we blijven groeien, moeten we naar een andere vorm gaan zoeken.' Voorlopig zijn extra krachten nog meer dan welkom, want het panel is geen vergaderclub. Er moet gewerkt worden. Elk voorjaar wordt een lentefeest op het plein georganiseerd, op zomerse woensdagmiddagen trekken de leden met een groepje kinderen naar het nabijgelegen Oosterpark, en buurtbewoners worden op gezette tijden uitgenodigd aan te schuiven aan het openbaar pleinontbijt. Er wordt door de dames zelfs al stiekem gefantaseerd over een buurtbrede actie die het imago van de Transvaalbuurt moet opkrikken. 'Iedereen denkt dat dit een afbraakbuurt is, maar wij wonen hier ontzettend goed. Het is een leuke buurt en we zijn er trots op.' Geen baas Hoe formeel of informeel werkt het buurtpanel in de Transvaalbuurt en hoe ligt de verhouding met professionals? 'De kracht van dit panel is dat we volledig autonoom zijn, stelt Ana Maria Bühler. 'We zijn vrijwilligers en we hebben geen baas. We zijn allemaal gelijk aan elkaar. Iedereen heeft zo z'n eigen sterke punten.' Veel van het onvermijdelijke papierwerk wordt gedaan door de opbouwwerkster van het steunpunt. Zij verstuurt de uitnodigingen en maakt verslag van de bijeenkomsten. Daar houdt de bemoeienis wel zo'n beetje bij op. Volgens Ana Maria is die professionele begeleiding echter onontbeerlijk. 'De opbouwwerkster organiseert de communicatie tussen de leden. Dat blijft nodig.'. Annelies twijfelt. 'Misschien zouden we het zelf ook wel kunnen organiseren.' Het zijn in ieder geval de panelleden die de ideeën voor nieuwe activiteiten bedenken en vervolgens ook uitvoeren. Zo werd er afgelopen najaar een 'buurtbrainstorm' gehouden in het buurthuis. Op deze avond konden bewoners hun hart luchten over alles wat hen niet zint in de buurt. Leden van het buurtpanel bedachten de uitnodiging, stopten die in de brievenbussen, leidden de discussie in enigszins redelijke banen en schreven alles wat ze hoorden op grote flappen. Het allochtone deel van de Transvaalbuurt, toch al gauw de helft van de bevolking, liet zich op de brainstormavond nauwelijks zien. Ook het buurtpanel loopt tegen het probleem op dat deze categorie bewoners nauwelijks warm loopt voor buurtgerichte activiteiten en al helemaal niet naar een buurtvergadering te krijgen is. De volgende brainstormsessie willen ze daarom eens in de moskee houden. Ana Maria blijft optimistisch. 'Het begint langzamerhand te komen. Het beste is de mensen gewoon direct aan te spreken.' Voor een praatje hoeft ze KennisNetwerk Amsterdam - 18 - Bijlage II Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 trouwens vaak niet eens zelf het initiatief te nemen. De strijdbare Argentijnse is door de jaren zo'n bekende verschijning in de buurt geworden dat ze regelmatig wordt aangeklampt door medebuurtbewoners, ook Marokkaanse. 'Ik heb heel veel tijd geïnvesteerd om contact te krijgen met Marokkaanse gezinnen. Misschien heb ik door mijn afkomst meer geduld met mensen die niet zo goed Nederlands spreken. En ik doe veel met de kinderen, die zijn vaak de sleutel om contact te krijgen. Kerststal Het buurtpanel heeft een eigen budget van duizend euro. Dat geld gaat niet zozeer op aan organisatorische kosten -uitnodigingen en dergelijke worden betaald door het steunpuntmaar wordt vooral gestoken in de feestelijke acties: koekjes voor bij de koffie, een kerstboom op het plein, stoepkrijt en ballonnen voor het kinderfeest, enzovoorts. Leuke dingen zijn ook belangrijk, zegt Annelies. En Ana Maria: 'Leuke en serieuze zaken gaan bij ons hand in hand. Als kinderen meedoen aan een lentefeest komen de ouders ook. Op zo'n manier werk je ook aan de sociale cohesie van de wijk.' Voor beiden functioneert het panel op dit moment perfect. Echte knelpunten kunnen ze niet opnoemen. Bühler had nooit durven dromen dat zoveel verschillende mensen zo'n hecht collectief zouden vormen. Ze denkt dat dat komt omdat vrouwen niet de baas over elkaar willen spelen. Dat ontbreken van enige hiërarchie is de basis voor het succes, meent ze. Er hoeft in het buurtpanel Transvaal nooit gestemd te worden, in principe moet iedereen achter de activiteiten van het panel staan. Zo niet, dan gaat het feest niet door. Het gebeurt niet zo vaak maar af en toe zijn er toch heftige discussie binnen de groep. Zo leidde het idee van een levende kerststal op het Krugerplein tot een enorme spraakverwarring en veel commotie. Wellicht wordt het plan door de moslims als provocatie opgevat , meende de opbouwwerkster. Maar het Marokkaanse panellid zag er weer geen enkel probleem in. Uiteindelijke besloten ze het plan maar te schrappen en het voortaan niet meer over politiek en religieus gevoelige onderwerpen te hebben. In hoeverre het politiek bestuur van het stadsdeel zich iets gelegen laat liggen aan het buurtpanel is niet helemaal duidelijk. Volgens de twee leden geeft het buurtpanel gevraagd en ongevraagd advies aan Stadsdeel Oost/Watergraafsmeer. Het panel voelt zich in ieder geval voldoende serieus genomen door de ambtenaren die hun gezicht regelmatig laten zien bij de activiteiten. 'Dat is omdat de Transvaalbuurt als probleemgebied te boek staat,' speculeert Annelies. 'En daar kunnen we na- tuurlijk op een goede wijze misbruik van maken.' Maar mogelijk is de welwillende houding ook terug te voeren op het strijdbare imago van Ana Maria en haar militante optreden in het verleden waarvoor het stadsdeel hem stilletjes knijpt. 'Als er niet wordt geluisterd, dan moet je andere middelen gaan gebruiken', zegt de Argentijnse beslist. 'Ik weet precies waar ze bang voor zijn.' Hans van der Jagt KennisNetwerk Amsterdam - 19 - Bijlage II Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 Buurtspiegels in de Oostelijke Binnenstad Een buurtspiegel wordt gevormd door een groep van 10-15 actieve bewoners, die wat betreft samenstelling representatief is voor een buurt. Dat betekent dat zij naar leeftijd, culturele en sociale achtergrond sterk kunnen verschillen. Wat zij echter gemeen hebben is het feit dat ze in dezelfde buurt wonen en leven. En dat ze talenten hebben. In elke buurt lopen mensen met talenten rond. De een kan goed met zijn handen werken, de ander kan goed plannen bedenken. Iedereen kan wel iets. Tegelijkertijd heeft ook iedereen een mening over de buurt waar hij woont. Jij ook, ongetwijfeld. Je vind je buurt misschien wel mooi en groen, maar te druk. Of je ziet groepjes jongeren rondhangen. Of je stoort je aan medebewoners die hun tuintje of hun portiek niet goed onderhouden. Of je kent een buurman of buurvrouw die psychische problemen heeft of erg eenzaam is. Of je kent je medebewoners niet omdat ze wat betreft leeftijd, taal of leefwijze van jou verschillen. Waarom zouden bewoners daar niets aan kunnen doen? Er is zoveel talent in de buurt. Je moet alleen weten van elkaar wie wat kan, en wie wat wil doen. Zo kun je samenwerken aan een mooie, veilige en gezellige buurt. In de Oostelijke Binnenstad is veel talent al zichtbaar. Er zijn tal van mensen die laten zien dat ze zich druk maken om de buurt. Soms in georganiseerd verband, soms in hun eentje. Soms met veel publiciteit, soms in alle stilte. Gemeenschappelijk is dat ze zich verantwoordelijk voor hun woonomgeving; of dat ze grenzen stellen aan gedrag van anderen. Voorbeelden zijn er genoeg. Lees de wijkkranten er maar op na of kijk in het jaarverslag van het Wijkcentrum. Maar ook in je eigen omgeving ken je vast wel mensen die zich verantwoordelijk voelen voor hun directe omgeving. een groep bewoners maakt zich druk om het verdwijnen van de laatste goedkope supermarkt op de Eilanden. Ze hebben zich georganiseerd om er voor te zorgen dat er een goedkope buurtsuper terugkeert. Bijvoorbeeld op het Wienerterrein of op een andere geschikte locatie. een andere groep bewoners organiseert al jaren de Groene Straatdag. Onder het motto 'houdt de buurt groen' stimuleert ze ondermeer de aanleg van geveltuintjes en drijvende tuinen. weer een andere groep bewoners is gestart met de voorbereiding van een grote optocht (Pa-tata-toe) die jaarlijks in september over de Eilanden moet trekken. Doelstelling is om na afsluiten van de vakantieperiode (&quot;we zijn weer thuis&quot;) de kennismaking met medebewoners van verschillende leeftijden, culturen en sociale achtergronden te stimuleren. Een optocht met muziek, dans en theater moet dit mogelijk maken. Een buurtspiegel is een aanvulling op de bestaande groepen actieve bewoners. Sterker nog: ze zullen in belangrijke mate ook gebruik maken van alles wat al gebeurt. Als er al zoveel gebeurd in de buurt, waarom is het dan nodig om Buurtspiegels te vormen? Er zijn twee belangrijke redenen: Een buurtspiegel richt zich op de buurt als geheel met alles wat er speelt. Ze richt zich dus niet op één probleem of vraagstuk dat in de wijk speelt (hondenpoep, behoud van enkele woningen; verkeersveiligheid in een straat; verzorgen van taallessen) maar op het samenleven tussen mensen in het algemeen. Een buurtspiegel is door haar samenstelling in staat verschillende invalshoeken van het wonen in een wijk te benaderen. Een student die hier tijdelijk op een goedkope zolderkamer woont, kijkt anders aan tegen het verminderen van het aantal parkeerplaatsen in zijn straat, dan de hoogopgeleide tweeverdiener in het appartement verder op in de straat of weer anders dan de Marokkaanse moeder wier kinderen veel op straat spelen. Een buurtspiegel vormt - de naam zegt het al een spiegel van de buurt. De deelnemers weerspiegelen de buurt en aan de andere kant kijken zij zelf ook goed in de spiegel. Soms gebeuren er dingen in de buurt die je ergernis wekken, waarvan je schrikt of die je helemaal lam kunnen slaan. Je kunt in die ergernis of verlamming blijven steken, maar je kunt er ook iets mee gaan doen. De deelnemers aan de buurtspiegel zijn degenen die iets met deze situatie willen. Bijvoorbeeld door met andere buurtbewoners er over te praten. En er voor te zorgen dat andere buurtbewoners zich bij de activiteiten of de discussie van de buurtspiegel betrokken weten. In die zin is de buurtspiegel een open club. Niet echt een duiventil waar iedereen maar in en uitvliegt, maar ook geen naar binnen gekeerde club. Een buurtspiegel komt gedurende een langere periode regelmatig bijeen (1 keer per 6-8 KennisNetwerk Amsterdam - 21 - Bijlage III Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 weken) en praat met elkaar over het wonen in de wijk. Ze zoekt medestanders onder meer bij bestaande groepen actieve bewoners. Maar ze zoekt deze ook onder groepen die meestal niet zo snel worden bereikt. Het is als het gooien van een steen in een vijver. Door hun activiteiten gooit een buurtspiegel als het ware een steen in de buurtvijver die daarvoor nog als spiegel was. De steen veroorzaakt steeds grotere kringen: het zijn groepen bewoners die door de activiteiten van de leden van de buurtspiegel ook in beweging komen. Het uiteindelijke doel is het samenwerken aan een mooie, veilige en gezellige buurt. KennisNetwerk Amsterdam - 22 - Bijlage III Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 Literatuur Bewonerspanel leefbaarheid, Rochdale, vestiging Zuidoost, Amsterdam 2004. Bowling Alone, The Collapse and Revival of American Community, Robert D. Putnam, Somon & Schuster, New York 2000. Buurtpanel Gerard Dou, terugblik op een experiment, A.F. Bouwman, Matrix Partners, Amsterdam, juli 1999. Buurtpanels in de steigers in Amsterdam, een analyse van het procesverloop, A. Raspe, J. Foolen, Verwey-Jonker Instituut, Utrecht, mei 2003. Buurtpanels, Interculturele Bewonersnetwerken, Stichting de Wijk i.s.m. Verwey-Jonker Instituut, april 2004. ICT en burgerparticipatie, wat werkt en hoe?, Kenniscentrum Grote Steden/Social Quality Matters, Den Haag, februari 2005 ICT en integratie van etnische groepen, wat werkt en hoe? Kenniscentrum Grote Steden/Social Quality Matters, Den Haag, februari 2005. &quot;Leefbaarheid doe je samen!&quot;, Bewonerspanel Leefbaarheid 14 juni, 29 juni en 28 september 2004, Woningstichting Rochdale, vestiging Zuidoost, Amsterdam 2004. Spectrum van Participatie, kwaliteitspanels en andere trends, J. Foolen, A. Raspe, A. de Gier, Verwey-Jonker Instituut, Utrecht 1998. &quot;Mensen met toekomst&quot;, Handleiding voor het organiseren van toekomstverkennende ouderenpanels, Theo Royers, Jos de Wit, Gabrielle Verbeek, NIZW. Werkmap Kwaliteitspanel welzijnssector, Verwey-Jonker Instituut, Utrecht, (geen datum) KennisNetwerk Amsterdam - 23 - Bijlage IV Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 Websites KennisNetwerk Amsterdam: http://www.bewoners.net/kennisnetwerk/leefb050331.html CYAS - Amsterdams Steunpunt Wonen http://www.cyburg.org/projecten/cyas.html http://www.cyas.nl/ De Wijkalliantie - buurtpanels http://www.wijkalliantie.nl/wijken/wijkenaz/artikel/amsterdam Verwey Jonker Instituut Buurtpanels in de steigers in Amsterdam, een analyse van het procesverloop, A. Raspe, J. Foolen, VerweyJonker Instituut, Utrecht, mei 2003 http://www.verwey-jonker.nl/publicaties/con_pub.asp?P=418 http://www.verwey-jonker.nl/images/dynamisch/d6613259.pdf (pdf bestand) Stichting de Wijk i.s.m. Verwey Jonker Instituut Buurtpanels, Interculturele Bewonersnetwerken, Stichting de Wijk i.s.m. Verwey-Jonker Instituut, april 2004 http://www.verwey-jonker.nl/images/dynamisch/D6173225_handleiding.pdf Politie Rivierenbuurt http://www.politie-amsterdam-amstelland.nl/frameset/get.cfm?id=275 Woonbron Rotterdam Nieuwsbrieven 1-7 http://www.woonbron.nl/downloads/nieuwsbrief1.pdf http://www.woonbron.nl/downloads/nieuwsbrief2.pdf http://www.woonbron.nl/downloads/nieuwsbrief3.pdf http://www.woonbron.nl/downloads/nieuwsbrief4.pdf http://www.woonbron.nl/downloads/nieuwsbrief5.pdf http://www.woonbron.nl/downloads/nieuwsbrief6.pdf http://www.woonbron.nl/downloads/nieuwsbrief7.pdf KennisNetwerk Amsterdam - 25 - Bijlage V Panel als instrument voor burgerparticipatie 31 maart 2005 Deelnemers Naam Mevr. A. Tanja Mevr. J. Soolsma Mevr. M. Richter Mevr. C. Hermans Mevr. E. Jakobs Dhr. H. Koobs Mevr. K. van der Linden Dhr. E. Meijerman Dhr. J.W. Kluit Mevr. D. van Herpen Dhr. J. Bosma Mevr. I. Houtepen Mevr. T. Kloppenburg Mevr. F. Lensink Mevr. J. Taekema Mevr. L. Weimar Mevr. F. Bolderheij Mevr. H. Kraak Dhr. A. Steeneken Mevr. L. van Duijn Mevr. S. Truijens Dhr. M. Terhoeve Dhr. L. Deben Mevr. A. Weber Organisatie Mevr. H. Bots Dhr. H. de Boer Dhr. C. Thomas Dhr. H. van der Jagt Dhr. T. Bouwman Mevr. G. Martens Organisatie en functie Lid Dagelijks Bestuur stadsdeelraad oost-wgm Opbouwwerk MDSO Panellid Wij van de Wijk Senior onderzoeksadviseur O+S Senior onderzoeksadviseur O+S Buurtbeheer Combiwel Buurtcoördinator stadsdeel de Baarsjes Directeur Amsterdams Steunpunt Wonen Manager sociaal beheer AWV Afdeling woondiensten AWV Opbouwwerker Wijkopbouworgaan Watergraafsmeer Bestuurslid bewonerskoepel Palladion Bestuurslid bewonerskoepel Palladion Relatiebeheer bewonerscontacten Het Oosten Docent Politie Academie Onderzoeker Politie Medewerker Stichting bij de Tijd Coördinator Stichting bij de Tijd Klantpanelbeheerder Woonbron Maasoevers Hoofd sociaal beheer Rochdale Beleidsmedewerkster buurtbeheer Stadsdeel oost-wgm Beleidsmedewerker Stadsdeel oost-wgm Stadssocioloog UvA Medewerker Wijkcentrum Oostelijke Binnenstad Woonconsulent Ymere Consulent ASW Opbouwwerk Noord Journalist Kwartslag KNA programma secretaris KNA programma secretariaat E-mail adres a.tanja@oost-wgm.amsterdam.nl jsoolsma@Welzijns.net m.richter@zonnet.nl c.hermans@os.amsterdam.nl e.jakobs@os.amsterdam.nl buurtbeheer@combiwel.nl kavdl@wanadoo.nl e.meijerman@steunpuntwonen.nl jwkluit@awv.nl dvanherpen@awv.nl johan@wijkopbouworgaan-wgm.nl palladion@wxs.nl palladion@wxs.nl f.lensink@hetoosten.nl jose.taekema@amsterdam.politie.nl lis.weimar@amsterdam.politie.nl bijdetijd@stichtingbijdetijd.nl bijdetijd@stichtingbijdetijd.nl asteeneken@woonbron.nl lvanduijn@rochdale.nl struijens@oost-wgm.amsterdam.nl mterhoeve@oost-wgm.amsterdam.nl deben@pscw.uva.nl angelie@wcob.nl h.bots@ymere.nl h.d.boer@steunpuntwonen.nl thomas@opbouwwerk-noord.nl kwartslag@quicknet.nl tbouwman@matrix-experts.nl gmartens@matrix-experts.nl KennisNetwerk Amsterdam - 27 - BijlageVI Deelnemers Colofon Teksten: Ton Bouwman Matrix Partners en Hans van der Jagt, Bureau Kwartslag Eindredactie: Huib Akihary, ASW Foto's: Jaap Maars Reproductie en verzending: Indra van Vlokhoven Uitgave: KennisNetwerk Amsterdam Programmaleiding en Secretariaat: Ton Bouwman en Gelske Martens Matrix Partners WG-Plein 460 1054 SH Amsterdam T: 020-5892907 E: kennisnetwerk@hetnet.nl Bestuurssecretariaat: Riekje van Albada Nieuwezijds Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T: 020-5230151 E: kennisnetwerk@hetnet.nl www.kennisnetwerk-amsterdam.nl");sQ1[20]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/cah21_bij.pdf","Pleidooi voor meer regie van centrale stad bij aanpak leefbaarheidsproblemen","","Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Workshop 1 door: Herma Hoeve, Tuinstadtheater Theater als middel bij buurtbetrokkenheid Wijktheater is het maken van toneelstukken van persoonlijke verhalen en maatschappelijke thema's met bewoners onder professionele begeleiding en deze stukken te spelen in de buurt. Wijktheater levert op die manier een bijdrage aan de ontwikkeling van een nieuwe toneelcultuur en maatschappelijk bewustzijn. Door wijktheater krijgen buurtbewoners een kijkje in elkaars keuken waardoor begrip en sociale cohesie bevorderd wordt. In de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam is onlangs de Stichting Tuinstadtheater opgericht. Zij maakt wijktheater over actuele zaken waar bewoners mee geconfronteerd worden. De eerste voorstelling ging over stadsvernieuwing. De voorstelling werd gespeeld door Nederlandse en Marokkaanse bewoners die de stadsvernieuwing aan den lijve ondervonden. Hun ervaringen en visie zijn in het stuk verwerkt. Zo wilden de spelers laten zien dat zij niet enkel `dom volk' waren, maar dat zij wilden meedenken in de ontwikkeling van hun wijk. Het stuk is 10 keer gespeeld en door de buurt enthousiast ontvangen. Het publiek herkent zich erin en wil na het spel ervaringen delen met de spelers. Voor de studiedag van KennisNetwerk Amsterdam heeft het Tuinstadtheater de workshop Theater als middel bij buurtbetrokkenheid verzorgd. Er is gekozen voor een praktische invulling van de workshop. Over theatermaken kan je veel zeggen, maar om te weten wat het oplevert moet je gewoon gaan spelen. De work- shopleden waren buurtwerkers, ambtenaren en raadsleden. Na een korte oefening waarbij de workshopleden de ruimte en hun manier van lopen door de ruimte verkenden, hebben de deelnemers elkaar een interview afgenomen om er achter te komen in wat voor buurt zij woonden of werkten. De interviewer vertelde daarna aan het publiek over de desbetreffende buurt. Het publiek kon vragen stellen. Op deze manier kwam de interviewer erachter in hoeverre hij/zij een aardig beeld van een onbekende buurt kon weergeven en of hij goed geluisterd had. Een voorwaarde voor het maken van wijktheater is heel goed luisteren naar bewoners en doorvragen als de essentie van de boodschap niet helder is. Hierna werd de groep in tweeën gedeeld en heeft elke groep een scène gemaakt over een thema dat kenmerkend was voor een buurt waar zij woonden of werkten. De ene groep koos Hondenpoep, de andere groep koos Een nieuwe buurtbewoner. Na de keuze van het thema hebben de groepen geïnventariseerd wat zij van het onderwerp wisten en welke ervaring zij daar mee hadden. Vervolgens hebben zij een situatie gekozen die zich binnen dat thema zou kunnen afspelen. Na een korte oefening hebben ze de scènes aan elkaar laten zien en werden er vragen over de motieven achter de handelingen van de personages gesteld. De hondenpoepscène werd gespeeld door een kind, een vader, een hondenbezitter en een buurtbewoner die een bemiddelende rol op zich nam. Het kind had in de poep getrapt, de vader wordt boos en roept de hondenbezitter ter verantwoording. Deze ontkent dat het om Bijlage 1 - 25 - Workshop 1: Tuinstadtheater Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 de poep van zijn hond gaat, waarna er een ruzie ontstaat die de buurtbewoner wil sussen. Door vragen aan de spelers blijkt dat het kind regelmatig onder de hondenpoep thuiskomt, dat hij en zijn vriendjes dat niet leuk vinden, maar dat zij daar niet over praten en al helemaal niet tegen mensen met honden. De vader wordt er boos over en spreekt hondenbezitters er op aan, maar hij heeft ook geen oplossing en houdt er eigenlijk wel van om steeds over het probleem te zeuren op feestjes en in de kroeg. De hondenbezitter vindt dat hij belasting betaald en daarom niet de poep van zijn hond hoeft op te ruimen. De buurtbewoner probeert de boel te sussen, maar ziet eigelijk geen oplossing voor deze status-quo. Wat het kind zegt is eigelijk het interessantste. Hij heeft er het meeste last van, maar hij en zijn vriendjes waren nooit op het idee gekomen dat ze er iets over konden zeggen. Ze namen de situatie zoals die was. Het is wel vervelend dat de ouders steeds boos worden, maar ja, dat is nu eenmaal zo. De buurtbewoner durft geen stelling te nemen, waardoor de anderen hun houding kunnen volhouden. Het spelen van een scène zoals deze geeft inzicht in de belangen van de betrokkenen en hoe zij daarmee omgaan. In De nieuwe buurtbewoner spelen een oudere bewoonster, een nieuwe buurman en een buurtconciërge. Tijdens de verhuizing probeert de oudere bewoonster al contact te leggen, maar de nieuwe bewoner houdt dat af. Ook als ze hem uitnodigt voor een kopje thee om kennis te maken gaat hij daar niet op in. Als de nieuwe bewoner dan ook nog eens veel lawaai gaat maken, schakelt ze de buurtconciërge in. Deze man komt erachter dat de nieuwe buurman bang is dat ze hem toch niet begrijpen, omdat hij niet goed Nederlands spreekt en dat het daarom maar beter is om zo min mogelijk contact te hebben met de buren. De buurtconciërge laat hem kennismaken met zijn buurvrouw en zo ontstaat een aardig contact. Na vragen blijkt dat de buurtconciërge dit probleem vaker tegenkomt. Als mensen slecht Nederlands spreken, durven ze geen contacten te leggen in de buurt. De buurvrouw denkt dat de man onaardig is en dat gevoel wordt versterkt door het lawaai. Zij gaat zich aan hem ergeren. In deze scène is te zien wat de effecten zijn van een idee over zichzelf of iemand anders op het samenleven in een buurt. Om de scène te verhelderen, moet een keuze gemaakt worden tussen geen contact durven leggen of burenoverlast veroorzaken. Bij het maken van een wijktheaterstuk wordt de tekst bepaald door de ervaringen van de bewoners. Die ervaringen worden d.m.v. interviews en improvisaties duidelijk Dan kan een tekst geschreven worden die het eigene van de taal en de houding van de spelers in zich heeft. Want dan kunnen er spelers op het toneel staan die naturel zo zichzelf lijken, die de dilemma's uit hun leven tonen, intiem, sterk en kwetsbaar. Een voorwaarde voor deze werkwijze is wederzijds vertrouwen. Bijlage 1 - 26 - Workshop 1: Tuinstadtheater Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Workshop 2 door: Martine Fransman, Kunstenaars&Co Creativiteit en originaliteit bij het oplossen van maatschappelijke kwesties Doel van de workshop is te laten zien wat kunstenaars kunnen betekenen in projecten in een wijk. Nevendoel is om de deelnemers te enthousiasmeren om zelf dit soort activiteiten binnen hun eigen organisatie te gaan ontwikkelen. In de workshop is een voorbeeld gegeven van een project dat Kunstenaars&CO samen met Buurtopbouwwerk Noord heeft opgezet voor een groep jongeren in Amsterdam-Noord. De kunstenaars hebben samen met de jongeren een plan opgesteld om te onderzoeken wat er speelt bij jongeren en hoe je met die kennis een kunstproject kan maken en bruikbare informatie aan beleidsmakers kunt verstrekken. Het uiteindelijke resultaat was een voetbaltoernooi, waarvan kunstenaars foto's, een geluidsmontage en een korte film hebben gemaakt. De film, die onder andere aan de wethouder en tijdens een buurtfeest aan bewoners is vertoond, laat op unieke wijze zien wat de jongeren willen, zonder dat een dik beleidsrapport werd opgesteld. De film Voetbalkooi (regie Harro Henkemans) is aan de deelnemers van de workshop getoond. Daarna is gepraat over de meerwaarde van het werken met kunstenaars. Zij kunnen bijvoorbeeld: inspireren en prikkelen, met inventieve oplossingen komen, in staat worden geacht een onorthodoxe kijk te hebben, blanco kijken naar de &quot;problematiek&quot;, geldende conventies doorbreken en mooie en bijzondere projecten ontwikkelen. Kortom hun rol is anders dan de professional die normaal in de wijk werkt. Uitgangspunt is dat bij deze projecten kunstenaars weliswaar kunnen bijdragen aan bijvoorbeeld de oplossing van een maatschappelijk probleem, maar deze inbreng nooit is `overnemen'. gebaseerd op Hun de artistieke kwaliteit. Dat leidt tot andere vragen, andere strategieën, andere oplossingen en andere expertise. De slotvraag in de workshop was wat de deelnemers de volgende werkdag zouden gaan doen met hun nieuw verworven kennis. Twee voorbeelden: 1. een wethouder gaat leefbaarheidsgelden en gelden voor veiligheid ook inzetten om kunstenaars een rol te laten spelen in het proces met buurtbewoners. 2. een opbouwwerker was door de verhalen in de workshop extra gestimuleerd om haar participatieproject met buurtbewoners en kunstenaars te gaan realiseren. Kunstenaars&CO doet meer projecten waarin kunstenaars worden uitgenodigd te werken binnen projecten die bijdragen aan het verbete- Bijlage 2 - 27 - Workshop 2: Kunstenaars&Co Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 ren van sociale omstandigheden in een wijk. Daarom heeft Kunstenaars&CO samen met het Landelijk Centrum Opbouwwerk (LCO) een brochure uitgebracht die inzicht geeft in de mogelijkheden om kunstenaars in de wijk te zetten (uitgedeeld aan workshopdeelnemers). In deze brochure &quot;Uit de Kunst in de Wijk&quot; staat de aanpak beschreven. Aan de hand van voorbeelden wordt duidelijk gemaakt hoe kunstenaars hun expertise inzetten bij bijvoorbeeld het jongerenbeleid, integratie en herstructurering van achterstandswijken. Wat doet Kunstenaars&CO nog meer? Kunstenaars&CO stimuleert en ondersteunt kunstenaars bij de ontwikkeling van een rendabele beroepspraktijk. Dit gebeurt onder andere door: · Kunstenaars te helpen hun professionele vaardigheden te vergroten en die vaardigheden effectief in te zetten. Middelen: adviesgesprekken, coaching en een gevarieerd · trainings-en opleidingsprogramma voor kunstenaars. Informatievoorziening via twee websites, vijftig informatiebladen, een telefonisch informatiepunt en diverse publicaties. · Afzetmogelijkheden uitbreiden met Kunstenaars Elders projecten. De meeste kunstenaars hebben een gemengde beroepspraktijk, waarin ze aanvullend inkomen verwerven met werk buiten de kunstensector. Bij Kunstenaars Elders projecten wordt de veelzijdigheid van het vak kunstenaar optimaal benut en nieuwe mogelijkheden aangereikt om artistieke talenten en vaardigheden van kunstenaars buiten de kunstsector in te zetten. Voorbeelden zijn: beroepskunstenaars in de klas, kunstenaars in de mu- seale wereld, kunstenaars in de gehandicapten zorg en kunstenaars in de wijk. Kunstenaars&CO in het kort: Ongeveer 70 mensen veel (voormalige) kunstenaars Nieuwe Herengracht 119 Postbus 2617 1000 CP Amsterdam Kunstenaarslijn 0900 535 25 99 www.kunstenaarsenco.nl www.beroepkunstenaar.nl Bijlage 2 - 28 - Workshop 2: Kunstenaars&Co Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Workshop 3 Marcel Boontje, de cultuurscout van Stadsdeel Oud-West Het belang van creatieve netwerken in de buurt ventileren: - deel je informatie en je netwerk met het culturele veld; - wijs mensen op de samenwerkingsmogelijkheden; - verbindt beleidsteksten, wetenschappelijke inzichten, praktijkervaring met het concrete geval waar je mee bezig bent. voeden: - leg het eerste onderling contact; - geef financieel advies; - geef organisatorisch advies (subsidieaanvraag, mensen, ruimte); - schep een warm nest: dat broedt lekkerder op je idee. TIP: wees een bescheiden scout. bij een chemische reactie is de katalysator ook niet het meest interessante onderdeel. Wat is een cultuurscout? Aan de hand van de praktijk in Oud-West wordt het beroep cultuurscout beschreven. Hoe word je cultuurscout? Relatief nieuw beroep, ook wel: makelaar, intendant, verkenner. Cultscouts in Nederland. De culturele sector van Oud-West in vogelvlucht. Waarom? Uit een behoefte van Stadsdeel Oud West om: a. culturele sector zichtbaar te maken; b. activiteit in het culturele veld van het stadsdeel aan te jagen; c. samenwerking tussen overheid en cultureel veld stimuleren en organiseren; d. nieuwe manier van werken testen: scout in het veld. Het grote geen: geen ambtenaar, geen kantoor, geen budget, geen vergaderingen, geen geijkte paden. Missie Ga goede ideeën uit de buurt halen! Ga kansen helpen grijpen en problemen helpen oplossen. Werkwijze koraalmodel: sponzen, verteren, ventileren, voeden sponzen: netwerken -&gt; databasen, praten (op bezoek en op verzoek), lezen. verteren: - het creatieve deel voor de scout; - leg zinvolle verbanden tussen de verhalen en belangen van de mensen en organisaties die je gesproken of gespot hebt; - vuistregel: organiseer alleen iets waar mensen en organisaties vrijwillig aan mee werken. Ofwel: als hun eigen belang gediend is bij het dienen van het algemeen belang, dan zullen ze dat doen. Altruïsten zijn schaars! Knopen Centrale activiteit is belangen verenigen van verschillende groepen, zodat ze vrijwillig gaan samenwerken. voorbeeld 1: Smart Projectspace voorbeeld 2: Kunstsafari voorbeeld 3: kunsteducatieroutes Problemen - ruimte - geld - mensen (arbeid) Instrumenten a. ICT: website, Kunstplanner, agenda, nieuws, linksportal b. IHE: in het echt de A4-tje test, subsidieaanvraag begeleiden, 1-op-1 advies en overleg, enquête-onderzoek, survey op basis van database, conferentie houden, lobbyen, ongevraagd advies, lobbygesprek, festival initiëren, ruimte zoeken of helpen inrichten (bijv. expositieruimte). Schuilt er een cultuurscout in mij? Aan de hand van 3 case-studies uit de lopende praktijk van de cultuurscout, testen we in deel 2 van deze workshop of er een verborgen cultuurscout in de workshopdeelnemers schuilt. case-studie 1: de kunstsafari Elk zichzelf respecterend stadsdeel heeft tegenwoordig een jaarlijks cultureel festival. Is dat verstandig? En zo ja: wat organiseer je? Hoe doe je dat? Hoe krijg je eigenheid in je festival? Bijlage 3 - 29 - Workshop 3: cultuurscout Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 - Vertrouwensfunctie; - Maakt de lijntjes tussen mensen en organisaties kort; - Signaleert problemen veel sneller, zodat de oplossing ook sneller georganiseerd kan worden; - Pikt kansen op die anders zouden blijven liggen; - Brengt creativiteit in beleid. case-studie 2: kunsteducatie Het kunsteducatieonderwijs voor de basisschool is in Amsterdam momenteel op de schop. Een prima kans om mee te denken en mee te organiseren. Hoe klus je voor zo weinig mogelijk geld zo veel mogelijk in elkaar? En hoe houdt je daarbij optimaal rekening met de belangen van zowel de scholen als de lokale overheden als het organiserende Expertise Centrum? case-studie 3: oefenruimte voor podiumkunsten Binnen 2 weken sluiten zowel het Voor-Beeld als Theater de Liefde en is nagenoeg alle flexibele oefenruimte voor podiumkunsten verdwenen. Wat te doen? We testen het Koraalmodel bij elke case-studie: Vragen 1. Sponsen: Heb ik alle info? Wie zijn de spelers? Wat willen ze voor zichzelf? Hoe staat het culturele veld er voor dit geval bij? 2. Verteren: Waar ligt het gemeenschappelijk belang? 3. Ventileren: Welke partners en welke stappen heb ik nodig om het gemeenschappelijk belang te activeren? 4. Voeden: Als iedereen vindt dat er iets moet gebeuren, hoe kun je er dan aan bijdragen dat die gedachte (een goed idee!) ook leidt tot een concreet resultaat? Heb ik ook een (cultuur)scout nodig? De rol van scout is in deze workshop toegepast op het culturele veld van een stadsdeel. De rol en de werkwijze van de scout zijn overzetbaar naar andere maatschappelijke terreinen. De werkwijze van een (cultuur)scout wordt gedeeltelijk ook door andere mensen gebruikt. De losse elementen zijn niet uniek. De samenhang levert de meerwaarde. Hieronder een checklist voor wie denkt over het aanschaffen van een scout: 1. Voordelen (cultuur)scout - Levert veel feitelijke en actuele informatie; - Vult de kloof tussen bestuur en burger; - Denkt buiten bestaande structuren; - Experimenteert; 2 Nadelen (cultuur)scout - Wie ruimte krijgt, vult die naar eigen inzicht in. Het hangt sterk van de opdracht die de scout meekrijgt en van de individuele eigenschappen van een scout af, hoe de scout zijn taak invult. - Geef je geen ruimte, dan krijg je een ambtenaar. Geef je wel ruimte, dan krijg je een scout. Maar die heb je dan weer niet volledig in de hand. - De resultaten zijn doelbewust niet altijd voorspelbaar. Daar moet je als overheid / opdrachtgever wel tegen kunnen. 3 Wanneer is een scout toe te passen? - Als je een maatschappelijk veld hebt dat niet inzichtelijk is; - Als je een maatschappelijk veld hebt dat moeilijk te bereiken is (bv. Omdat het versplintert of hyper-individueel is of in hoog tempo van vorm veranderd) - Als je eigentijdse problemen met eigentijdse oplossingen te lijf wilt - Als je niet star beleid maar flexibele samenwerking tussen bestuur en burger wilt organiseren. 4 Randvoorwaarden - Een scout moet onafhankelijk zijn van politiek en beleid; - Een scout moet geen eigen belang hebben; - Een scout moet de tijd krijgen; - Een scout moet fouten kunnen maken! Daar leer je van; - Een scout heeft geen pauselijke aspiraties. Marcel Boontje, Cultuurscout Oud West marcel@knoopoudwest.nl 06-17840888 www.knoopoudwest.nl Bijlage 3 - 30 - Workshop 3: cultuurscout Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Workshop 4. door: Robert Marijnissen, dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (dMO) gemeente Amsterdam Creativiteit als aanjager voor economische ontwikkeling Creatieve industrie en culturele activiteiten als motor voor economische ontwikkeling. De centrale vraag is hoe brengen we de economische ontwikkeling op gang? Het gaat dan om wijken (of stadsdelen) waar dit proces niet als vanzelf op gang komt. 3 Modellen: 1. een culturele instelling (grootschalig, aansprekend) van buiten in de wijk brengen. Aansprekende voorbeelden zijn het Guggenheim Museum in Bilbao of het Centre Pompidou in Parijs. In de omliggende straten en wijken wordt veel geïnvesteerd in kantoren, winkels, horeca. De toenemende aantrekkelijkheid als woonwijk komt vaak tot uiting in stijgende vastgoedprijzen. 2. creatieve industrie huisvesten Door het aanbieden van passende woon- en werkruimte neemt de aantrekkelijkheid van een wijk als vestigingsplaats voor de creatieve industrie toe. Door in te spelen op de eisen van deze groeiende bedrijfstak komt de economische ontwikkeling op gang. 3. culturele en economische groei van de wijkbewoners stimuleren Dit model richt zich op het economisch benutten van de aanwezige culturele kwaliteiten. Door een combinatie van het ontwikkelen van culturele vaardigheden (cursussen, opleidingen) en het tegelijkertijd aangeven en versterken van de economische mogelijkheden. Model 1 en 2 werden wel herkend als mogelijkheden om de economische ontwikkeling op gang te brengen, maar vonden weinig steun bij de deelnemers aan de workshops. Ze misten vooral aandacht voor de sociaal-culturele aspecten. Voor model 3 was de meeste steun. Natuurlijk is het een mooie combinatie van sociaal-culturele en economische doelstellingen, maar het vereist wel een lange adem. Bijlage 4 - 31 - Workshop 4: Robert Marijnissen dMO Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Workshop 5 door: Karolina Spaic, Dizz's Kids Theater Theater, kinderen in de buurt Dizz's Kids Theater Workshops en Theaterprojecten Dizz's Kids theater heeft van begin af aan, naast voorstellingen, workshops en theaterprojecten voor kinderen ontwikkeld en gegeven. Het programma is opgebouwd uit diverse kunstdisciplines zoals, theater, moderne (wereld)dans, circus, muziek, beeldende kunst en nieuwe media. Disciplines kunnen gecombineerd worden met verschillende thema's die gericht zijn op de beleveniswereld van de kinderen. De kinderen worden gestimuleerd om in groepsverband hun creatieve, expressieve en intellectuele vaardigheden verder te ontwikkelen. Het is mogelijk om aan een eindpresentatie of een voorstelling te werken. Kinderen krijgen op deze manier zicht in wat er allemaal komt kijken bij het maken van een voorstelling. Theaterpojecten Dizz's Kids theater is gespecialiseerd in voorstellingen en theaterprojecten voor en met kinderen en jongeren. De voorstellingen van Dizz's Kids zijn grensverleggend, experimenteel en uitdagend. Ze worden gekenmerkt door beweging, beeld, muziek, emotie, actie en fantasie. Dizz's Kids richt zich met alle voorstellingen op een breed en multicultureel en jong publiek. Dizz's Kids speelt in theaters, wijkaccommodaties, op scholen en festivals in Nederland en in het buitenland. Tot nu toe is de groep op tournee geweest in o.a.: Bosnië, Colombia, Denemarken, Duitsland, Servië en Rusland. Naast de voorstellingen realiseerde de groep ook diverse theaterprojecten voor kinderen van verschillende leeftijden. In 2005 werkte Dizz's Kids samen met een aantal basisscholen binnen het stadsdeel Bos en Lommer in Amsterdam.Onder de naam Theater Express werd door kinderen gewerkt aan een voorstelling, die in het voorjaar 2005 was te zien. Dizz's Kids theater ontwikkelt korte en lange theaterprojecten, waarin een reeks workshops en voorstellingen plaats vinden. Theaterprojecten worden ontwikkeld in samenwerking met verschillende instellingen zoals: scholen, stadsdelen, kunsteducatie instellingen en welzijnsorganisaties. De invulling van het programma wordt in overleg samengesteld. Karolina Spaic Dizz's Kids Theater www.dizzkidstheater.nl Bijlage 5 - 32 - Workshop 5: Dizz Kids theater Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Workshop 6 door: Henk Schomaker, Kristal Investeren tussen de stenen, corporatie en creativiteit Kenmerken van Kristal Actief in herstructureringsgebieden Duurzaam betrokken bij de buurt Contacten met klant en buurt Waardeontwikkeling op termijn Maatschappelijk rendement Mix van tijdelijk beheer èn duurzame producten Bouwen in vier dimensies, Kristal staat voor een vier dimensionale ontwikkeling Producten sluiten beter aan op de markt Beter in staat om context te beïnvloeden Winst uitstellen naar de toekomst Realiseren van duurzame producten. Investeren in kunst en cultuur is een essentieel onderdeel van een 4-dimensionale ontwikkeling want met investeren tussen stenen werken we concreet aan: · het verhogen van de leefbaarheid · het terug dringen van vandalisme · het verhogen van sociale cohesie · vertrouwen en trots voor buurtbewoners · een beter imago voor de buurt Concrete voorbeelden In ontwerp: de Geuzentuinen, KNSM-eiland en Onder de Bogen. De programma's voor het oude Huygens (kruising van de Jan Evertsestraat en de Jan Tooropstraat), de Van Gendthallen en de Pniëlkerk zie ook: www.oudehuygens.nl de oude Huygens Dit alles met de inzet, het streven en de visie dat het goed vertoeven is in een buurt die je dierbaar is Bijlage 6 - 33 - Workshop 6: Kristal Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Workshop 7 door: Aad Kuin, Circus Elleboog Creatieve inbreng voor jeugd en jongeren Circus Elleboog is het jeugdcircus in Amsterdam dat jong talent een warm hart toedraagt. Bij Circus Elleboog ben je zelf artiest; jaarlijks leren meer dan 10.000 kinderen en jongeren jongleren, acrobatiek, ballopen, koorddansen en trapeze. Er zijn circusclubs, circustrainingen, voorstellingen, verjaardagspartijtjes, schoolreisjes en vakantieactiviteiten. Elleboog werkt veel samen met scholen voor basis- en voortgezet onderwijs. Speciale circusprojecten worden georganiseerd voor kinderen met een handicap, gezinnen in opvanghuizen en dak- en thuislozen. Circus Elleboog heeft twee gebouwen, een in het centrum en een in Zuidoost. In West werkt Elleboog in Podium Mozaïek en in de gymzalen van scholen. Circus Elleboog werkt inmiddels 8 jaar in Bos en Lommer. Met 70 kinderen van 6 scholen wordt wekelijks circus gemaakt. Er is veel aandacht voor de methodiek en het betrekken van de school en de ouders bij de activiteit. Door de jarenlange ervaring geniet Elleboog inmiddels voldoende vertrouwen bij kinderen, scholen, ouders en politiek in Bos en Lommer. Kinderen kunnen vanuit de schoolprojecten doorstromen naar een open activiteit in Podium Mozaïek. Jongeren worden gestimuleerd door te stromen naar de voorstellingsgroep en als vrijwilliger (peer-educator) mee te draaien bij de jonge kinderen. www.elleboog.nl Bijlage 7 - 34 - Workshop 7: Circus Elleboog Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor wijkontwikkeling? 23 juni 2005 gen. Dat is jammer want door het gebrek aan onderlinge uitwisseling en ontmoeting komt er geen kruisbestuiving. De aanwezige extra waarde komt daardoor niet tot haar recht komt. Dit verzamelgebouw van cultuur wordt een katalysator voor het leggen van verbindingen tussen en voor de culturele integratie van verschillende bevolkingsgroepen. In West is sprake van cultuurhonger onder de verschillende bevolkingsgroepen. De geringe draagkracht van de stadsdelen staat in schril contrast met de vraag naar accommodatie en ondersteuning door groepen. Er zijn geen voorzieningen in Amsterdam-West gericht op het De stichting multicultureel Podium Mozaïek heeft een cultuurverzamelgebouw in Amsterdam-West gerealiseerd met als kerntaak het bevorderen van culturele participatie. De missie laat zich omschrijven als een nieuw spraakmakend cultureel centrum voor podiumkunsten in Amsterdam-West, met een stedelijke en landelijke uitstraling. Het bevorderen van de landelijke participatie staat hierbij voorop. Tevens wil Podium Mozaïek een katalysator zijn voor nieuwe hoogwaardige interculturele producties en als springplank fungeren voor lokaal talent. Het kwaliteitsaanbod van Podium Mozaïek moet aantrekkelijk zijn voor alle publieksgroepen in West. Op die manier ontstaat er daadwerkelijk ontmoeting en wordt nieuwe culturele productie gestimuleerd. Uiteindelijk zal culturele uitwisseling tot stand komen. Waarom is dat belangrijk? Waar ontleent Podium Mozaïek zijn bestaansrecht aan? Amsterdam-West is cultureel gezien een etnisch eilandenrijk zonder bruggen of verbindinAmsterdam-West is een herstructureringsgebied. Er wordt fors ingezet op het verbeteren van het sociaal-economische klimaat. Een internationaal cultuurpodium draagt bij aan een goed imago en benadrukt de potentie van het gebied. Vanaf de jaren '80 hebben zich in Amsterdam-West veel groepen gehuisvest met een sociaal-economisch zwakke positie. Deze groei zal zich voortzetten tot 2015 en de bevolking zal veranderen van oudere oorspronkelijke bewoners naar jongere bewoners met een dubbele nationaliteit. Hoe groter de diversiteit in een buurt, hoe belangrijker de mogelijkheden voor ontmoeting. Een plek waar op een kwalitatief verantwoord niveau plaats is voor culturele uitwisseling is een investering in een duurzaam en dierbaar leefklimaat. creëren van nieuwe culturele uitingen. Van de in totaal 150 Amsterdamse podia zijn er maar 8 in West, terwijl daar minimaal 30% van de Amsterdamse bevolking woont. Workshop 8 door: Zafer Yurdakul, Podium Mozaïek Van kerk tot podium Bijlage 8 - 35 - Workshop 8: Podium Mozaïek Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor wijkontwikkeling? 23 juni 2005 Dan is er een idee over een plek voor culturele uitwisseling, gevoed door voorbeelden als Krater in Amsterdam Zuidoost en het Volksbuurtmuseum in Den Haag. Maar de vraag is `Hoe dit te realiseren?' Podium Mozaïek is het resultaat van samenwerking tussen de initiatiefnemers, vertegenwoordigd in de stichting multicultureel Podium Mozaïek en een aantal overheidsinstanties, fondsen, woningcorporaties en het Europees Parlement. In mei 2002 heeft het toenmalige bestuur van de Pniëlkerk het gebouw verkocht aan Woningbouwcorporatie Het Oosten. In de jaren daarop is een verbouwingsplan ontworpen en gezocht naar financiering, vergunningen en sponsoren. Juni 2005 is het zover. Podium Mozaïek is een feit. Een lange adem, geloof in het concept en in de overtuiging dat een dergelijke voorziening goed is voor de mensen heeft ons moed gegeven door te gaan om ons idee te realiseren. Duidelijk is dat een kerk niet één-twee-drie is omgetoverd tot een internationaal cultuurpodium. Via vaste huisgezelschappen, externe partners, lokaal cultureel initiatief en speciale opdrachten en projecten zal gewerkt worden aan het realiseren van de oorspronkelijk doelstelling: namelijk een kleurrijk podium voor culturele uitwisseling. Een plek waar talent elkaar ontmoet en inspireert, maar ook een plek waar de buurman gewoon iets kan komen drinken op het terras. Een plek voor alle cultuurliefhebbers uit West en omgeving. Een plek om je op nieuwe ideeën te brengen. Zie voor verdere informatie: www.Podiummozaiek.nl Bijlage 8 - 36 - Workshop 8: Podium Mozaïek Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Bijlage 9 Uitkomsten van deze uiterst inspirerende conferentie, georganiseerd door Stichting Nederland Kennisland Public Agenda: Innovation A new playing field is emerging for innovation in the knowledge society, where economic, technological, social and cultural trends meet and interact. This shifting ground -- a `transformation' in the words of network society thinker Manuel Castells -- makes us rethink social and cultural factors in relation to economic and technological developments. The rise of information and communication technologies has fundamentally changed the way we work and live. It prompts us to recast the public domain in relation to innovation in the knowledge economy. Culture Culture plays an increasingly important role in the knowledge economy. Awareness is growing that up to now the cultural factor has been insufficiently recognised in the public debate on innovation. Identity and meaning are beginning to be seen as key factors in adding economic value to products and services. Whilst this is most visible in the so-called creative industries, it is beginning to apply more widely to the entire economy. More broadly, culture -- as a domain for expression, reflection and exchange -- is becoming the key context from which social and economic developments derive their value. What is called for is a new agenda to connect culture, innovation and the public domain in the knowledge economy. Public domain The knowledge society cannot exist without a creative public domain. This public domain has several qualities. First, it is an open environment, open to new players and ideas. Second, it sees diversity as crucial, as key to the emergence of new crossovers. Third, it aims to create a flexible environment allowing for new initiatives and entrepreneurship. Fourth, it encourages people and organisations to make connections and alliances. The key issue then becomes: how to design public systems that stimulate openness, diversity, flexibility and connectedness? Such a public domain agenda is needed in both the physical and the digital contexts. Creative capital Society needs to strengthen its creative capital in order to benefit fully from the knowledge economy. Creative capital is to be treated as the combined assets of society that enable and stimulate its people to be creative. Being creative is, in the first place, continuously learning. Because gaining knowledge helps one to see new possibilities. But is also means the ability to explore new ideas and create new connections to turn them into reality. The challenge is to build environments where people can develop their talents and apply them to work and life. This may require new approaches to the future design of the knowledge society and the role of public policy. It implies a wide array of strategies, varying from education to economic policy, from urban development to cultural policy, from technology to intellectual property. The question becomes how to develop collective strategies for building creative capital. Crossovers New connections and linkages are the essence of the knowledge society. Lines of development - in culture, the economy, knowledge institutions - no longer move in parallel, but they create new junctions, connections and crossover zones. Many of the successful innovations lie at these crossovers, where different domains, knowledge fields and institutions connect and interact. Crossovers thus become the key to innovation in the knowledge society. For public policy this implies that the core of our innovation strategy is to be located at places where such linkages can emerge. The policy challenge we are faced with, is to design the conditions and strategies that allows such creative crossovers to develop. This applies both to finding (new) links between the domains of culture and economy, and for the development of the public domain. Bijlage 9 - 35 - Creative Capital Conference Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Creative cities The knowledge society is an increasingly urban society. Our information age is dominated by cities and metropolitan regions to an extent that is unprecedented in human history. Cities are changing as globalisation trends interact with the intensifying use of (digital) media in social, economic and cultural life. In the knowledge economy, cities are competing on the international level to provide the best climate for innovation and creativity. It calls for new strategies for urban development with more attention to the social and cultural resources of the city. The challenge for cities is to use their resources to organise environments that harbour and breed creativity, and attract and enable the talent a city needs. Creative Commons Creativity always builds on the past. For successful innovation and a strong, creative public domain we need to design systems that enable people to share and re-use creative work while protecting the authors of that work in a way they want. This is true for content, but also for software. Such a balance needs to be actively defended, to ensure an environment for successful innovation and a strong, creative public domain. Meanwhile, in a truly creative commons, public access of content and technology will have to be one of the core values of the public domain in the knowledge society of tomorrow. Recommendations & Challenges Policy makers should recognise the importance and multidisciplinary character of creative capital when they formulate new policy instruments. The mentioned entry points of the Amsterdam Agenda set out a framework for further development of creative capital. Innovation People organise in networks. Innovation is changing from closed to open models and hybrid forms in between. Open access to knowledge must become a key criteria when supporting projects. Citizens are users and producers of technology and should be provided with an open sharable infrastructure for production. Culture Culture and economy are converging. A diverse cultural landscape is the breeding ground for a strong, and durable knowledge economy. When we want to reap the benefits, policy makers need to reassert their confidence in cultural production. We need to connect the creative industries with other sectors. Public domain Creative production is collective production. Individual producers are organising themselves in self managed networks. In order to benefit from the potential of these professional/amateur networks, open access to and further development of the public domain is a prime pre-requisite. Reconsidering the position and role of the current content distribution networks and the funding of content is necessary (including public broadcasting). Creative Capital Production of innovative goods and services depend on a multidisciplinary cultural sector. Creative entrepreneurs turn good ideas into profitable businesses. Bottom up innovation programs should be started to facilitate and promote all creative entrepreneurship. Crossovers The right conditions and incentives for crossovers to emerge, means providing open and networked infrastructures, stimulate diversity, interesting places and the opportunity for talent to strive for excellence. This should be taken into account in policy making. Creative cities We have to broaden the concept the scope of creative cities to the wider concept of urban society. A creative city is not just about building cultural areas or attracting distinct classes within the city. Creatives should be included in all aspects of city planning. A infrastructure needs to be created that facilitates complexity, diversity and excellence. Creative Commons Publicly financed content should be made publicly available under the Creative Commons licenses. This gives new opportunities to open innovation in public systems and for individual producers. (Public) funding bodies need to explore how far open access to content can become a pre-requisite for funding. Free choice for producers to publish their work under the licence they wish has to be guaranteed. Bijlage 9 - 36 - Creative Capital Conference");sQ1[21]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/cah21.pdf","cah21.pdf","","Creatieve industrie en culturele activiteiten motor voor vernieuwing van de wijk? Verslag manifestatie 23 juni Cahier 21 KennisNetwerk Amsterdam Podium Mozaïek Kristal Bouwfonds MAB Amsterdam, augustus 2005 Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Inhoud: Voorwoord `Laat talenten hun creatieve gang gaan' Experts De dialoog De deelnemers Workshops De opbrengst Achtergronden: Siebe Thissen, `Het dilemma van de creatieve stad' Bijlagen Workshops 1. Herma Hoeve(Tuinstadtheater): Theater als middel bij buurtbetrokkenheid 2. Martine Fransman (Kunstenaars&Co): Creativiteit en originaliteit bij het oplossen van maatschappelijke kwesties 3. Marcel Boontje (cultuurscout van Stadsdeel Oud West): Het belang van creatieve netwerken in de buurt 4. Robert Marijnissen (dMO): Creativiteit als aanjager voor economische ontwikkeling 5. Karolina Spaic (Dizz kids theater): Theater, kinderen in de buurt 6. Henk Schomaker (Kristal): Investeren tussen de stenen, corporatie en creativiteit 7. Aad Kuin van Circus Elleboog: Creatieve inbreng voor jeugd en jongeren 8. Zafer Yurdakul (Podium Mozaiek): Van kerk tot podium Bijlage 9: Uitkomsten Creative Capital Conference, 17 en 18 maart 2005, Felix Meritis Amsterdam Georganiseerd door Stichting Nederland Kennisland 5 7 11 15 17 19 21 25 27 29 31 32 33 34 35 37 Colofon KennisNetwerk Amsterdam -2- Inhoudsopgave Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Voorwoord Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor wijkontwikkeling? Het bestuur van het KennisNetwerk Amsterdam bedankt iedereen die een bijdrage aan deze middag heeft geleverd en in het bijzonder het Bouwfonds MAB en woningcorporatie Kristal die deze netwerkbijeenkomst met extra middelen hebben gesponsord. Verder natuurlijk de experts en de workshopinleiders, maar speciale dank gaat uit naar mevrouw Joch Kuiken die de middag afgesloten heeft met een lied waaruit de kracht van bewonersbetrokkenheid bleek en de macht van creativiteit te horen was. En natuurlijk last but not least, dank aan Saskia Bruines die deze middag als voorzitter op trad en bij een temperatuur van minstens 30 graden ons bij de les hield. Europe is not only about markets, it is also about values and culture. In the hierarchy of values, the cultural ones range above the economic ones. If the economy is a necessity for our lives, culture is really what makes our life worth living. Barroso, President of the European Commission Creativiteit is het leggen van nieuwe verbanden en het besef groeit dat creativiteit een factor van betekenis is bij economische ontwikkeling. Er komt aandacht voor de toegevoegde waarde van cultuur en economie. Steeds vaker wordt geopperd dat de bijdrage van creativiteit aan economische groei aanzienlijk hoog is, de aanwezigheid van creatieve bedrijven of mensen blijkt ook indirect een stimulans voor ontwikkeling te zijn. Richard Florida1 ziet bijvoorbeeld de aanwezigheid van de creatieve klasse als motor achter stedelijke ontwikkeling en een hecht netwerk van creatieve bedrijven en culturele voorzieningen wordt geassocieerd met betere economische prestaties. Richard Florida was een van de eersten die een relatie legde tussen de aanwezigheid van werknemers uit de creatieve industrie en de concurrentiepositie van een gebied. Creatieve mensen zoeken ontmoeting en inspiratie, zij komen daarom op een gebied af en stimuleren daarmee een goed aanbod van kunst, cultuur en horeca. Cultuur en economie versterken elkaar, horen bij elkaar en misschien is creativiteit wel de belangrijkste brandstof voor onze economie van de 21-ste eeuw. Deze visie heeft het KennisNetwerk Amsterdam geïnspireerd om aandacht te besteden aan de manier waarop creativiteit van invloed is op de vernieuwing van de wijk. Daarmee komt tegelijkertijd de vraag in beeld welke factoren bepalend zijn bij het benutten van creativiteit en hoe culturele activiteiten en creatieve industrie van invloed is op de wijkvernieuwing. Om zicht te krijgen op de kracht van creativiteit en de link met de wijk, organiseerde het KennisNetwerk Amsterdam op 23 juni hierover een netwerkbijeenkomst in Podium Mozaïek. Doel van de bijeenkomst was: · · 1 meer weten over nut, noodzaak en potenties van cultuur en creativiteit binnen de wijk meer nuttige tips en ideeën voor de praktijk van wijkvernieuwing en Richard Florida is econoom en auteur van The rise of the creatieve class (2003) KennisNetwerk Amsterdam -3- Voorwoord Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 · uitwisseling mogelijk maken tussen de creatieve spelers op wijkniveau. Als locatie is gekozen voor de voormalige Pniëlkerk, nu Podium Mozaïek, in Bos en Lommer. De locatie is om meerdere reden toonaangevend. Uit eerder onderzoek2 blijkt dat niet de fysieke aanwezigheid van werknemers in de kunstensector zelf bepalend is voor de aantrekkelijkheid van de omgeving, maar dat het aanbod van podiumkunsten bepalend is bij de waardering door creatievelingen. Die podiumkunsten zullen realiteit worden op het nieuwe internationale cultuurpodium in Bos en Lommer. Verder is Podium Mozaïek het voorbeeld van creativiteit en ondernemerschap. Het vraagt nogal wat lef om in een oude stadswijk, die gedeeltelijk geherstructureerd wordt een kerk om te toveren tot internationaal cultuurpodium, uitdagend voor talenten in de buurt en uitnodigend voor internationaal talent. En dat is een compliment waard! De bijeenkomst onder de titel `Creatieve industrie en culturele activiteiten, motor voor de wijkontwikkeling?' was zeer goed bezocht. Er waren circa 100 gasten en genodigden, waaronder de Wethouder van Cultuur mevrouw Hannah Belliot, zij deed de aftrap. Vervolgens waren er bijdragen van Ruud Dwars, adjunct-directeur van de afdeling beleidsadvisering en regiostimulering van de Kamer van Koophandel, hij introduceerde het begrip de talenteneconomie. Liesbeth Jansen directeur van de Westergasfabriek BV ging in op de verhouding tussen cultuur en commercie. Jeroen Slot, adjunct-directeur en hoofd onderzoek en beleidsinformatie van O + S Amsterdam gaf toelichting op Amsterdam als creatieve kennisstad en Robert Marijnissen, allround beleidsmedewerker, afdeling kunst en cultuur Amsterdam (onderdeel van dienst Maatschappelijke Ontwikkeling) van de gemeente gaf een visie op culturele activiteiten en hoe die te benutten zijn. Onder voorzitterschap van Saskia Bruines, raadslid gemeente Amsterdam en voorzitter van de Kunstconnectie hebben de aanwezigen zich gebogen over nut en noodzaak van dit thema. Vervolgens is er gewerkt, in verschillende workshops: - Theater als middel bij buurtbetrokkenheid, Tuinstadtheater, Herma Hoeve - Creativiteit en originaliteit bij het oplossen van maatschappelijke kwesties, Kunstenaars&Co, Martine Fransman - Het belang van creatieve netwerken in de buurt, cultuurscout, Marcel Boontje - Creativiteit als aanjager voor economische ontwikkeling, DMO, Robert Marijnissen - Theater, kinderen in de buurt, Dizz's Kids Theater, Karolina Spaic - Investeren tussen de stenen, corporatie en creativiteit, Kristal, Henk Schomaker - Creatieve inbreng voor jeugd en jongeren, Circus Elleboog, Aad Kuin - Van kerk tot podium, Podium Mozaïek, Zafer Yurdakul. 2 Stichting Atlas voor Gemeenten (Marlet en Woerkens) en Rijksuniversiteit Utrecht (Boschma) KennisNetwerk Amsterdam -4- Voorwoord Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Hannah Belliot opende de KNA-bijeenkomst over `Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk?' 'Laat talenten hun creatieve gang gaan' Deze openingswoorden werden uitgesproken door Hannah Belliot, wethouder voor Cultuur. Die kon nu letterlijk zien waar ze haar geld had ingestoken. Twee jaar geleden was ze ook op deze plek geweest, toen nog een naargeestig leegstaand kerkgebouw. Belliot noemde Podium Mozaïek een goed voorbeeld hoe belangrijk het kan zijn te investeren 'in steen'. De hele buurt had er een enorme 'lift-up' van gekregen. Ze kon het niet laten een vergelijking te maken met de Bijlmer, waar ook enorm was geïnvesteerd in de fysieke omgeving. Een wijk die op de tekentafel er zo mooi uit had gezien, maar die in de praktijk zo slecht leefbaar bleek. Geen voorzieningen, geen betrokkenheid van bewoners met hun leefomgeving omdat er niet was nagedacht over het 'cement' dat mensen in een Waarmee Belliot als vanzelf terecht kwam bij de creatieve industrie. Als het aan de gemeente ligt krijgt die de komende vijftien jaar de volle aandacht, beloofde ze. Maar dan wel zonder de Om de vraag hoe mensen mede-eigenaar, mede-aandeelhouder kunnen worden van de wijk waarin ze wonen. Daar heb je warmte voor nodig, ontmoetingsplekken, contacten. Daar kan de overheid overigens niet voor zorgen, benadrukte de wethouder. Die faciliteert, speelt een kleine rol. De corporaties, de maatschappelijke organisaties, die het moeten doen. En de mensen zelf uiteraard met hun creativiteit. wijk met elkaar verbindt. En daar gaat het juist om, volgens Belliot. KennisNetwerk Amsterdam -5- Inleiding Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 betuttelende overheidsvinger, volgens de wethouder. 'Het gaat om de vraag hoe je de talenten naar boven kunt brengen en hoe je ze de weg kunt wijzen, terwijl je ze tegelijkertijd toch zoveel mogelijk hun eigen creatieve gang laat gaan.' Hannah Belliot ging ook nog even in op de vraag hoe de overheid dat vrije denken kan stimuleren en mogelijk financieren. 'Geld heeft met creativiteit soms wel te doen, maar lang niet altijd,' waarschuwde ze. 'Het gaat vooral om de ideeën. Hoe creatief kun je mensen maken in een wijk, hoe geïnspireerd zijn ze om initiatieven te nemen en het mooiste uit de wijk te krijgen?' Ze bleef nog even meeluisteren, nieuwsgierig naar de vernieuwende ideeën van wat Saskia Bruines al eerder de 'experts in de zaal' had genoemd. KennisNetwerk Amsterdam -6- Inleiding Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Het panel van experts v.l.n.r. Ruud Dwars, Liesbeth Jansen, Jeroen Slot en Robert Marijnissen. Experts Betekent de creatieve industrie winst voor de economie en groei en bloei van de samenleving? Als dat zo is, hoe kunnen we dat dan stimuleren? En, hoe krijgen we die ontwikkeling ook in de wijk?' industrie goed was voor 8% van de werkgelegenheid. Een aandeel dat te vergelijken is met dat van sectoren als de horeca, het onderwijs en het openbaar vervoer. De waarde van deze relatief nieuwe sector is echter uitzonderlijk. De creatieve industrie brengt dynamiek in een gebied. Het is de toeleverancier voor innovatie, voor talenten. Een sector ook die, veel meer dan de eerder genoemde, bij uitstek in staat is jong talent tot bloei te brengen. De waarde van de creatieve industrie voor de stad is dus groter dan puur de bijdrage zie ze levert aan de werkgelegenheid. Creatieve industrie is een echt containerbegrip. Het Concertgebouw valt eronder, maar ook de architect en kleinschalige zakelijke dienstverlening. Vanmiddag hebben we het niet over het Ruud Dwars, adjunct-directeur afdeling beleidsadvisering en regiostimulering Kamer van Koophandel Amsterdam: 'Hoe vinden we de talenten en hoe brengen we ze tot ontwikkeling?' 'De Kamer van Koophandel werd een paar jaar geleden geconfronteerd met een nieuwe spannende ontwikkeling in Amsterdam. Die ontwikkeling had 'iets' met creativiteit te maken. Voldoende reden in ieder geval om hiernaar onderzoek te doen. Daaruit bleek dat de creatieve KennisNetwerk Amsterdam -7- Experts Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 aantrekken van grote bedrijven als MTV naar de wijken of het vestigen van een designmuseum in de buurt. We praten over de mogelijkheid om talenten in een buurt tot ontwikkeling te brengen en aan je kunt binden. En over de vraag hoe die talenten samen tot enige economische dynamiek leiden. Ik pleit in dit verband voor een nieuwe term. Na de agrarische, de productie- en de kenniseconomie is het nu tijd voor de talenteneconomie. Daarbij gaat het om de vraag: hoe vinden we de talenten en hoe brengen we ze tot ontwikkeling? 'Mijn ervaring is dat alles wat je van bovenaf oplegt, met alle zware verwachtingen die daarbij komen, niet werkt. Wat wel werkt is: talenten opzoeken en vragen waar ze behoefte aan hebben. Is dat ruimte, bijscholing, startkapitaal, netwerken? Als je in deze stad of wijk de talenten weet te traceren en aan je weet te binden en hen kan vragen wat ze nodig hebben, dan heb je het begin van een economische ontwikkeling op dit vlak. De economische ontwikkeling volgt cultuurbloei. Je zou kunnen kijken of je daar meer gespitst op kan zijn. Pak een thema en kijk wat er nodig is om talenten tot ontwikkeling te brengen. Een voorbeeld is de mode. Je kunt op dit gebied bijvoorbeeld cursussen aanbieden, proberen de talenten te stimuleren en zich te laten ontwikkelen. Je moet er ook letterlijk de ruimte voor bieden. Kortom: je moet oog hebben voor wat er op straat gebeurt, voortdurend spotten en scouten. En van daaruit contacten leggen met instellingen en organisaties die een rol kunnen spelen bij het tot bloei brengen: onderwijsinstellingen, banken, promotiebureaus, etc.' Hoe draag je als cultureel ondernemer bij aan de vernieuwing van een wijk als Westerpark? Wat heb je daarbij van het lokale bestuur nodig en wat betekenen de activiteiten in de Westergasfabriek voor de wijk? Liesbeth Jansen, directeur Westergasfabriek: 'De contacten met bewoners en de initiatieven in de wijk zijn erg belangrijk voor ons' 'Het duurde een dikke zeven jaar en veel doorzettingsvermogen voor de Westergasfabriek als cultureel centrum een feit was. Het stadsdeel speelde in al die jaren een belangrijke rol. De lokale overheid besloot al in een vroeg stadium dat ze het terrein niet zelfde wilde gaan ontwikkelen en exploiteren, maar in handel wilde geven van een particuliere ontwikkelaar. Dat gold althans voor de gebouwen, de openbare ruimte er omheen, het park, bleef wel tot de verantwoordelijkheid van het stadsdeel behoren. De contacten met de bewoners van het stadsdeel en de initiatieven die hier spelen zijn erg belangrijk voor ons. Daarop moeten we aansluiten. Het is erg spannend om de gebouwen en park met elkaar te verbinden en antwoorden te vinden op de vraag hoe de culturele en commerciële kant zich tegenover elkaar verhouden. En pasklaar antwoord is er nog niet, want we zitten nog midden in deze ontwikkeling. Er is intensief overleg met buurtbewoners over het programma van eisen voor het park. En er is voortdurend contact en overleg met de deelraad.' KennisNetwerk Amsterdam -8- Experts Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Kunnen culturele activiteiten een motor zijn in wijkontwikkelingen? Hoe herkennen we die culturele activiteiten en hoe herkennen we de behoeftes? En: waar liggen de kansen en hoe kunnen we die benutten? dan is het wel de eetcultuur. Zo'n festival in Amsterdam maakt wat mij betreft kans op een flinke subsidie van de afdeling kunst en cultuur. Het voorbeeld laat zien dat je culturele activiteiten moet zoeken bij de mensen in de stad en in de wijk. Uiteindelijk bepalen zij wat cultuur is en wat ze ermee gaan doen. Als je die houding hebt in de wijk, dan komt de rest vanzelf. Economische ontwikkeling is een afgeleide van een cultuur die waardevoller wordt. Behalve een sociale meerwaarde levert dat ook producten op die je kunt verkopen. Ik heb het niet gehoord in Roubaix, maar ik kan me voorstellen dat er hier meer soepwinkels komen.' Robert Marijnissen, beleidsmedewerker afdeling. Kunst en Cultuur van de Gemeente Amsterdam (DMO): 'Uiteindelijk bepalen de mensen in de wijk wat cultuur is en wat ze ermee gaan doen' 'Het is gemakkelijker iets te zeggen over de creatieve industrie dan over culturele activiteiten en hun betekenis. De creatieve industrie is immers een duidelijk aanwijsbare en vindbare sector waar een flinke groei in zit. Als overheid kun je die al dan niet faciliteren, ook als je er niets aan doet, gaat die groei hoogstwaarschijnlijk gewoon door. 'Als je praat over culturele activiteiten ligt dat wat anders. Hoe kun je die activiteiten inzetten om de wijk vooruit te helpen? Die vraag speelt niet alleen hier maar overal in Europa. Vertegenwoordigers van steden als Lille, Napels, Helsinki en Amsterdam, wisselen regelmatig hun ervaringen uit. Een van de leukste projecten die ik tegenkwam speelde in Roubaix in Noord-Frankrijk. Iemand had hier bedacht dat in elke cultuur soep wordt gegeten. Dat moet een bindende factor zijn voor alle culturen. Op een dag werd de hoofdstraat in Roubaix afgezet en aan vertegenwoordigers van alle culturen in de stad gevraagd een pan soep te maken. Heel simpel. Het aardige is dat je ziet dat er grote verschillen zitten in de manieren waarop die soepen bereid worden, wat er in gaat, de manier waarop het gegeten wordt, de instrumenten die daarbij gebruikt worden. Dat is dus culturele uitwisseling. Over al die aspecten van soep maken en soep eten kun je praten. Als er iets cultuur is, De creatieve stad, wat is dat eigenlijk? En wat is precies de relatie tot de wijken en de invloed op wijkontwikkeling? Is er iets bekend over de invloed van kunst en cultuur op het leven in de wijk? Jeroen Slot, adjunct-directeur en hoofd onderzoek en beleidsinformatie van Bureau O+S: 'Steeds nieuwe plekken nodig waar creatieve activiteiten zich kunnen herhalen en vergroten.' 'Het idee van de creatieve stad komt uit Amerika. Daar viel het op dat de economische groei van steden niet gelijkmatig is. De ene doet het beter dan de andere, hoe komt dat? Volgens Richard Florida is een specifieke milieu kennelijk gunstig voor economische groei. Nog niet zo lang geleden dachten we dat dankzij de technologie bedrijven zich overal zouden kunnen vestigen. Dat klopt volgens Florida niet. Niet de werknemers moeten de bedrijven volgen in hun voorkeur van vestiging, maar andersom. Als je naar de economische ontwikkelingen van KennisNetwerk Amsterdam -9- Experts Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 de laatste tien, vijftien jaar, zie je dat een aantal specifieke economische activiteiten het goed gedaan hebben. Bijvoorbeeld de gesubsidieerde kunst en allerlei aanverwante vormen van kunst, de media- en reclamesector, enz. Dat is niet alleen in de statistiek te zien, maar ook letterlijk in het straatbeeld terug te vinden. Kijk naar de Amsterdamse binnenstad en je ziet tal van relatief kleine bedrijven in dit soort sectoren met hooguit een handvol werknemers. Heel anders dan in de jaren zeventig toen de binnenstad werd gedomineerd door een aantal grootschalige bedrijven. Het gaat om kleine bedrijven die elkaar nodig hebben, maar ook gedijen in de aantrekkelijke omgeving die de binnenstad voor hen is. Heeft die ontwikkeling ook betekenis voor de wijken buiten het centrum? Wel degelijk. Er zijn namelijk steeds nieuwe plekken nodig waar dit soort creatieve activiteiten zich kunnen herhalen en vergroten. Mensen zijn steeds op zoek naar een milieu dat ruimte biedt de dingen te doen die ze ergens anders niet kunnen doen. Of waar ze zelfs niet op het idee waren gekomen. Nu de hype rond de creatieve stad een beetje over is, wordt het tijd er nuchter naar te kijken. Het is tijd om stil te staan bij een aantal misverstanden rond begrippen als de creatieve kennisstad en creatieve klasse. Met name dit laatste roept vaak negatieve associaties op. Het zou exclusief voor de een zijn en de ander buiten sluiten, een variant op het begrip de nieuwe rijken. Daar gaat het dus niet om. Waar het wel om gaat is de mogelijkheid en het klimaat te scheppen iets te doen wat je anders niet kan doen. Het is precies het mechanisme waar de grote steden altijd van geprofiteerd hebben. Amsterdam heeft wat dat betreft vanuit haar traditie een sterke positie. De binnenstad is bij uitstek geschikt voor deze ontwikkeling. Veel meer in ieder geval dan voor de vestiging van grote kantoren zoals vroeger. Een ander veelgehoord bezwaar tegen de creatieve kennisstad is dat allochtone Amsterdammers niet profiteren van deze ontwikkeling. Dat is zeer betrekkelijk. Juist deze bevolkingscategorie heeft een belangrijk voordeel: ze telt een omvangrijke jonge generatie en juist jong-zijn wordt geassocieerd met creativiteit. Bovendien kan hun zeer diverse culturele achtergrond in dit verband in hun voordeel kan werken.' KennisNetwerk Amsterdam - 10 - Experts Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 De Dialoog De centrale vraag is: kunnen culturele activiteiten en de creatieve industrie aanjager zijn voor wijkontwikkeling. Wat werkt wel en wat niet en waarom? De kieskeurigheid Ruud Dwars (Kamer van Koophandel): 'Vanmiddag hebben we het niet over het aantrekken van grote bedrijven als MTV naar de wijken of het vestigen van een designmuseum in de buurt. We praten over de mogelijkheid om talenten in een buurt tot ontwikkeling te brengen en aan je kunt binden.' Ger Timmer (Stads'Waarom bedrijven als deelbestuurder Bos en Lommer): zouden in de westelijke tuinsteden. Je zou de hele productielijn, van ontwerp tot productie naar de wijk kunnen halen. Dat zet economische zoden aan de dijk. Dat is een heel andere impuls dan een bedrijf als MTV naar de wijk lokken. Die willen vooral parkeergelegenheid en het zal ze verder een zorg zijn waar ze precies zitten.' Het ondernemerschap Hans van den Elshout (Circus Elleboog): 'Waar moet ik zijn om financiële ondersteuning te krijgen voor creatieve initiatieven in de wijk? En hoe lang duurt zo iets?' Robert Marijnissen (DMO): 'Het antwoord is simpel: benut je talenten en verdien je eigen geld. Voor de gemeente Amsterdam is het op dit moment praktisch onmogelijk om aan een cultureel initiatief een lening te verstrekken. Het is veel gemakkelijker om subsidie te geven, want dat is een instrument dat we goed kennen en iets dat de komende decennia waarschijnlijk ook wel blijft bestaan. We zijn echter op zoek naar nieuwe instrumenten om culturele initiatieven te stimuleren.' Ruud Dwars (kvK): 'Iemand die een cultureel initiatief neemt en een cultureel ondernemer wordt is niet meer of minder dan een startende ondernemer voor wie allerlei instrumenten beschikbaar zijn: startersbegeleiding, beginnerskredieten, broedplaatsenbeleid, enz. En de deskundigheid van de KvK uiteraard.' De stuurbaarheid Joeri Kempen (Stadsdeel De Baarsjes): 'In de Chassébuurt proberen we met de vestiging van galeries en ateliers de creatieve industrie in de wijk uit het slop te trekken. Kun je dat op wijkniveau doen of is zoiets alleen op grotere schaal mogelijk, bijvoorbeeld met de westelijke tuinsteden samen? MTV zich niet in een wijk als Bos en Lommer moeten vestigen? Dwars: 'Dit soort bedrijven functioneren solitair. Ze voegen niet zoveel toe aan het leven in de wijk. Procesmanager Slotermeer: 'Dat is het stigmatiseren van bepaalde stadsdelen. Je moet op allerlei manieren proberen mensen aan je te binden. Ook als het er in eerste instantie niet zo aantrekkelijk uit ziet. Juist de vooroorlogse bouw trekt artistieke, creatieve mensen aan. We moeten op zoek gaan naar de meerwaarde van dit soort wijken, de ruimte die het letterlijk biedt benutten, inrichten en aanpassen. Voor mij part voor een bedrijf als MTV.' Liesbeth Jansen (Westergasfabriek): 'MTV is een internationaal bedrijf dat nauwelijks geïnteresseerd is in lokale talenten. Je moet je richten op bedrijven die daar wel iets mee hebben. Modebedrijven bijvoorbeeld zijn goed mogelijk KennisNetwerk Amsterdam - 11 - Dialoog Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Jeroen Slot (O+S): 'Dan ga je er vanuit dat zo'n ontwikkeling stuurbaar is en dat je vooraf een idee kunt hebben hoe het moet worden. Ik ben bang dat de mensen die je zoekt onmiddellijk op de loop gaan als je met een planning aankomt. Je kunt de kansen wel optimaliseren om beginnende initiatieven te ondersteunen, maar daarmee houdt het wel zo'n beetje op. Wees voorzichtig met het aanbrengen van segmentering in de zin van: de Chasséstraat is voor de galeries, de mode moet in die straat komen, etc.. Een dergelijke planning doet geen recht aan het verschijnsel. Al met al is het een lastig proces. Aan de ene kant zul je je moeten beperken tot randvoorwaarden, aan de andere kant moet je steeds aandacht vragen voor het idee en voor de kleine successen. Voor de rest ben je overgeleverd aan de sector zelf en houdt de stuurbaarheid op.' De faciliteiten Saskia Bruines: 'Helpt zo'n galerie de buurt verder of is het een grachtengordelactiviteit die in een buurt als Bos en Lommer of de Chassébuurt niet aardt? Wat moet je dan in een buurt wel stimuleren waardoor men er wat aan heeft? En hoe kom je tot keuzes? Gahil Pilgrim (Kunst- en adviescommissie Stadsdeel Zuid): 'In de Pijp wonen 15.000 kunstenaars, daar zijn we met recht trots op. Maar ze lopen weg omdat de huren te hoog worden. We hebben het Stadsdeel een voorstel gedaan de huren van vrijkomende panden te bevriezen om het kunstenaarsleven voor de Pijp te behouden.' Jeroen Slot: 'Het is gemakkelijker een bestaand creatief klimaat zoals in de Pijp vast te houden met gerichte maatregelen dan zo'n klimaat op een andere plek van de grond af op te bouwen met stimulerende maatregelen, zo- als lage huren. Het milieu behouden dat succes opbrengt is veel effectiever.' Fleur Gieben (Stad-en-Mens): 'Wij adviseren steden hoe ze hun creatieve economie kunnen stimuleren. Het begint met het zichtbaar maken welke talenten er allemaal in een buurt zitten. Die decentrale aanpak in de buurten past ook goed bij Amsterdam. Vervolgens moet je kijken wat er nodig is om die talenten verder tot bloei te laten komen en welke voorwaarden en voorzieningen daarvoor nodig zijn. Dan kun je de krachten gaan bundelen. Ik pleit er erg voor om de talenten zichtbaar te maken: wie zijn het, waar zitten ze, wat hebben ze nodig?' Ayhan Yalin (Bestuurslid Stadsdeel Bos en Lommer): 'Voorlopig is het negatieve beeld van jongeren nog dominant. We moeten leren juist naar de positieve kanten te kijken. En verder hebben we plekken nodig waar de talenten bij elkaar kunnen komen, zoals hier in Podium Mozaïek. Als je dit soort plekken niet hebt, waar kun je die talenten dan zichtbaar maken? Die fysieke plek is dus heel belangrijk. Creatieve economie mag dan misschien niet maakbaar zijn, je kunt wel heel goed faciliteren.' De bureaucratie Inge Thoes (studente Arts en mediamanagement): 'De meeste culturele organisaties zijn overbelast met hun eigen bedrijfsvoering en kunnen er weinig bij doen. Cultureel ondernemers moeten hun hoofd boven water proberen te houden. Ze hebben geen tijd om de buurt in de gaan en contacten te leggen.' KennisNetwerk Amsterdam - 12 - Dialoog Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Liesbeth Jansen (Westergasfabriek): 'Je moet het niet zien als een extra taak. Je maakt je kunst voor en met mensen. Die netwerkrol in de wijk is dus heel belangrijk. Daar haal je je nieuwe contacten en ontwikkelingen vandaan.' Karin Vromen (Integratiekunstenaar Spaarndammer en Zeeheldenbuurt): 'Ik zou best de wijk in willen, maar kan niet achter m'n bureau vandaan. Voor alle kunstinstellingen en kleine culturele ondernemers is dit een probleem. 90% van de tijd ben je bezig met voorwaarden, subsidies, etc. De overige 10% met werkelijke producties. De balans zou beter moeten. Maar wie moet er zorgen voor de contacten in de buurt? Welzijnsinstellingen, wijkopbouworganen, de stadsdelen?' Martine Fransman (Kunstenaars&Co): 'Kunstenaars kunnen in een wijk een belangrijke rol spelen. Ze komen van buiten de wijk, kijken er anders tegenaan en kunnen zich volledig op een project concentreren. Ze hoeven zich niet met het vervolg bezig te houden. Samenwerking in de wijk is nodig, onder andere met het opbouwwerk. Je moet elkaar opzoeken en mijn ervaring is dat je gewoon iets moet gaan doen. Wat dat precies is, is van minder belang. Een festival, iets in de openbare ruimte, een theatervoorstelling, een beeld. Het maakt niet zoveel uit. Als je maar iets doet om elkaar te ontmoeten. Ik ben ervan overtuigd dat, als je goede ideeën hebt, het geld er ook wel komt. Er zijn fondsen genoeg die de samenwerking en cohesie binnen een wijk interessant vinden en er wat voor over hebben.' KennisNetwerk Amsterdam - 13 - Dialoog Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 14 - Dialoog Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Ongeveer honderd belangstellenden bezochten de KNA-bijeenkomst bij Podium Mozaïek aan de Bos en Lommerweg De deelnemers Ongeveer honderd deelnemers zijn afgekomen op deze bijeenkomst van het Kennisnetw erk in Podium Mozaïek. Een bonte verzameling van geïnteresseerden, van wie de meesten op een af andere manier beroepsmatig zijn betrokken bij het culturele leven in Amsterdam. Met wat voor verwachtingen kwamen ze deze middag naar Bos en Lommer? Mirjam Aalbers van de Stichting Welzijn Westerpark kreeg de tip van een collega om naar de bijeenkomst van het KennisNetwerk te gaan. Ze heeft nog geen echt idee wat ze deze middag kan verwachten. Mirjam werkt in het programmateam van de welzijnsinstelling en organiseert voor de aangesloten activiteitencentra projecten voor kinderen. Ze denkt dat het belangrijk is meer theateractiviteiten voor kinderen in de buurt te organiseren.' Kunnen die dan bijdragen aan een betere wijk? 'Absoluut', zegt ze. 'Omdat het totaal anders is dan we nu bieden en omdat deze kinderen niet snel in aanraking komen met cultuur, er niet snel de kans voor krijgen.Terwijl elk kind daar wel recht op heeft.' Jan Siegenbeek komt naar Mozaïek als bestuurder van het wijkraad Zuid-West. In de jaren organiseerde hij concerten en voorstellingen in de wijk, want, zegt hij 'Kunst interesseert me wel'. Puur als vermaak of ook als middel voor wijkontwikkeling? Siegenbeek haalt de schouders op. 'Daar ben ik ook benieuwd naar en daarvoor kom ik hier. Maar ik denk zeker dat het de cohesie in een wijk kan versterken, de mensen beter met elkaar kan laten omgaan.' Angelique Brekelmans komt namens woningcorporatie Het Oosten. Ze speelt min of meer een thuiswedstrijd, want Het Oosten is eigenaar KennisNetwerk Amsterdam - 15 - Deelnemers Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 van de voormalige Pniëlkerk waarin nu Podium Mozaïek is gevestigd. Dat de corporatie flink heeft geïnvesteerd in een multicultureel podium is niet toevallig volgens Brekelmans. 'We geloven er stellig in dat culturele activiteiten en plekken het woon- en leefklimaat van de buurt ten goede komen.' Her en der in de stad steekt de woningcorporatie volgens haar geld in broedplaatsen en andere trefcentra van creatieven. Uit Amsterdam-Oost is Loes Diephuis aanwezig. Ze werkt voor het stadsdeel Oost / Watergraafsmeer als medewerker Kunst en Leefbaarheid en organiseert kunstprojecten die de leefbaarheid in de wijken moeten verbeteren. Dat gebeurt op plekken die tijdelijk overhoop liggen zoals bouwplaatsen en slooppanden. 'Een kale bouwschutting staat er soms drie of vier jaar. Door die te laten beschilderen blijft de plek aantrekkelijk voor omwonenden.' Diephuis is samen met grafisch vormgever John Prop naar de bijeenkomst gekomen. Veel kunstopdrachten in Oost worden door Prop uitgevoerd. Bijvoorbeeld de Chinese muur aan de Wibautstraat, een met Chinese tekens beschilderde schutting die de komende jaren een bouwterrein afschermt dat moet worden gesaneerd. Met een eenvoudige ingreep kun je vaak snel en gemakkelijk zo'n shabby plek in de buurt een beter aanzicht geven, zegt Prop. Jitske de Gelder hoopt deze dag voet aan de grond te krijgen in Bos en Lommer. Ze werkt op de muziekschool West in Osdorp, maar vindt dat ze meer de buurt in moet met haar activiteiten. 'We zitten veel te ver weg om buurtbewoners uit Bos en Lommer te bereiken. Daarvoor moet je echt dichterbij komen, maar ik kan het niet in m'n eentje. We denken aan samenwerking met Podium Mozaïek, Ze gelooft wel in het thema van de middag maar is eerlijk genoeg om toe te geven dat ze er zelf ook belang bij heeft. 'Ik verdien al tien jaar m'n brood in de kunstensector.' Jitske wil deze middag geïnspireerd worden en op goede ideeën worden gebracht. Ze is redelijk onbevangen gekomen. 'Als de ideeën maar haalbaar zijn. Ik wil niet iets bedenken dat geen zin heeft.' Dhr. Hong Tong Bu (Atana [= een sociëteit voor panculturele bestuurders met dubbele achtergrond, red.]) bij deze bijeenkomst terecht is gekomen. Culturele activiteiten kunnen zeker een instrument zijn om de omgeving leefbaar te maken, om de mensen dichter bij elkaar te brengen. 'Je kunt nu eenmaal niet bij wet of regelgeving vastleggen dat mensen elkaar op moeten zoeken. Dus moet je gelegenheden zoals hier creëren waar mensen met elkaar in contact kunnen komen en begrip voor elkaar kunnen krijgen.' Cultuur is bij uitstek een gelegenheid om grenzen te doorbreken. 'We hebben als mensen allemaal dezelfde passie, dezelfde behoeften, dezelfde emoties. Je kunt thema's bedenken die iedereen aan gaan, of je nu autochtoon of allochtoon, jong of oud bent. Nodig de mensen uit in een omgeving waar ieder zichzelf kan zijn en iedereen zal loskomen. Dan ontstaat begrip voor elkaar.' KennisNetwerk Amsterdam - 16 - Deelnemers Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Workshops Theater als middel, doel buurtbetrokkenheid Tuinstadtheater, Herma Hoeve Over theater maken kan je veel zeggen, maar om te weten wat het op levert moet je gewoon gaan spelen. Buurtwerkers, ambtenaren en raadsleden deden dat en vonden het nog leuk ook. Ze interviewden elkaar, presenteerden de uitkomst aan het publiek en beantwoordden vragen over elkaars buurt. Het leverde hilarische situaties op. Creativiteit als aanjager voor economische ontwikkeling Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Robert Marijnissen Hoe brengen we economische ontwikkeling op gang op plekken waar dit proces niet vanzelf gaat? Volgens Marijnissen zijn er grofweg drie varianten: (1) door een grootschalige culturele instelling van buiten naar de wijk brengen, (2) door beleid te voeren dat er op is gericht om de creatieve industrie in de wijken te huisvesten en (3) door de culturele en economische groei van de aanwezige culturele kwaliteiten te benutten. De derde suggestie kreeg van de deelnemers de meeste sympathie; helder werd dat dit een lange adem en veel doorzettingsvermogen vergt. Creativiteit en originaliteit bij het oplossen van maatschappelijke kwesties Kunstenaars&Co, Martine Fransman Wat kunnen kunstenaars betekenen in het proces van wijkverbetering? Met een onorthodoxe aanpak kunnen de wensen van bewoners duidelijk worden zonder dat daar een beleidsrapport aan te pas hoeft te komen. Een presentatie van de resultaten in AmsterdamNoord toonde overduidelijk de meerwaarde aan van het werken met kunstenaars. Creatieve netwerken in en voor de buurt De Cultuurscout, Marcel Boontje Cultuur bestaat uit het aanbieden van dingen waar niet om gevraagd wordt maar waar wel behoefte aan is. Daar zijn speciale ogen en oren voor nodig, die ordenen wat er in een buurt is, waar behoefte aan is en hoe een en een drie kan worden. Betrokkenheid basis succes Dizz's Kids Theater, Karolina Spaic Dizz's Kids maakt theater waarbij de nadruk ligt op de creativiteit van de deelnemers en de belevingswereld van het kind. Het zijn ook weer de vaste ingrediënten die gebruikt worden bij het realiseren van de productie 'Een buurt van je dromen'. Met name de betrokkenheid vanuit de school, ouders, buurtorganisaties en beleidsmakers van het stadsdeel is belangrijk voor succes. Een originele en effectieve manier om verschillende partijen bij elkaar te brengen. Investeren tussen stenen Kristal, Henk Schomaker In een buurt is het fijn wonen als de omgeving je dierbaar is. Maar iets wordt pas dierbaar als het betekenis heeft en daarvoor moet het herkenbaar zijn. Kunst is een uitstekend middel om een gebouw identiteit te geven, waarop herkenbaarheid volgt. Als bewoners gesteld KennisNetwerk Amsterdam - 17 - Workshops Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 raken op een gebouw wordt het hen dierbaar en de buurt wint aan betekenis. Naast de fysieke, economische en sociale is de culturele pijler in opkomst. Cultuur vertegenwoordigt de waarden die voor bewoners belangrijk zijn en zonder gemeenschappelijk waarden is een buurt aan de goden overgeleverd en daar is een vastgoedontwikkelaar niet blij mee. Creatieve inbreng is nuttig voor jeugd en omgeving Circus Elleboog, Aad Kuin Circus Elleboog maakt met kinderen van scholen in Bos en Lommer al jaren circus. Er is veel aandacht voor het betrekken van school en ouders bij de activiteiten en door de jarenlange ervaring geniet Elleboog inmiddels voldoende vertrouwen in Bos en Lommer. Kinderen kunnen vanuit de schoolprojecten doorstromen naar een open activiteit in Podium Mozaïek. Jongeren worden gestimuleerd door te gaan naar de voorstellingsgroep en als vrijwilliger mee te draaien bij de jonge kinderen. Van kerk tot internationaal cultuurpodium Podium Mozaïek, Zafer Yurdakul De voormalige Pniëlkerk aan de Bos en Lommerweg onderging een metamorfose en heeft de ambitie om het culturele hart te worden van Amsterdam-West. Naast theatervoorstellingen, wereldmuziek, kleinkunst en dans uit binnen- en buitenland worden er cultuureducatieve projecten georganiseerd. De uitstraling is die van een grand café en een internationaal cultuurpodium. Talent uit de buurt wordt uitgedaagd om een optreden te verzorgen en internationaal talent uitgenodigd in deze nieuwe ambiance te komen spelen. * Zie voor meer informatie over de afzonderlijke workshops de bijlagen vanaf pag. 25 KennisNetwerk Amsterdam - 18 - Workshops Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 De opbrengst Katalysator voor wijkontwikkeling in plaats van de motor Creativiteit en kunst kunnen in potentie leiden tot binding en (economische) ontwikkeling. Samenwerking lijkt belangrijk, evenals het in beeld brengen wat er is, zorg voor afstemming en betrekken van alle mogelijk partners. Om ontwikkelingen mogelijk te maken is een fysieke plek waar talenten zich kunnen laten zien en elkaar ontmoeten van belang. Geld is altijd een probleem, maar er met de nodige creativiteit kan veel en voor goede ideeen is meestal geld te vinden. De creatieve industrie is een verzameling van van alles en nog wat waar producten en diensten gecreëerd worden met een symbolische waarde. Creativiteit laat zich niet dwingen maar gedijt het best van onderaf. Ook al zou de (lokale) overheid nog zo graag willen, het ligt niet in haar competentie om creativiteit `te regelen'. Laat iedereen zijn eigen creatieve gang gaan is het devies. Hoeven we dus helemaal niets te doen? Wel degelijk. De overheid moet het klimaat en de voorwaarden scheppen waarbinnen een creatieve ontwikkeling mogelijk wordt. Zij kan bijvoorbeeld zorgen voor goede fysieke plekken en betaalbare werkruimten waar talent elkaar kan ontmoeten en inspireren. Het zullen overigens veelal de jongeren zijn die zich tot dit soort creatieve broedplaatsen aangetrokken voelen. Laat dat nou precies de leeftijdscategorie zijn die in de naoorlogse stadsuitbreiding bovengemiddeld vertegenwoordigd is. Kansen dus voor wijken als Bos en Lommer op een creatieve ontwikkeling die tegelijkertijd een impuls kan zijn voor wijkontwikkeling. Want creativiteit en kunst kunnen in potentie leiden tot binding en vervolgens tot economische ont- wikkeling. Een kenmerk van de creatieve industrie is dat naast de aandacht voor vorm en toepassing er altijd gezocht wordt naar opbrengsten die voort komen uit productie. Kortom, de aanduiding `motor voor vernieuwing van de wijk' is misschien te pretentieus, maar culturele activiteiten en creatieve industrie kunnen zeker als katalysator van vernieuwing van de wijk dienen. Helder is ook dat zonder dat mensen elkaar ontmoeten er geen nieuwe verbindingen ontstaan en zonder nieuwe verbindingen geen creativiteit. KennisNetwerk Amsterdam - 19 - de opbrengst Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 20 - de opbrengst Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 Achtergronden Het dilemma van de creatieve stad Door: Siebe Thissen hun eigen succes zagen kunstenaars en activisten toe hoe projectontwikkelaars, planologen en cultuurmakelaars de opwaardering van achtergestelde buurten door creatieve buitenstaanders tot beleidsimperatief wisten te verheffen. New York, Berlijn en Amsterdam bieden treffende voorbeelden van de wijze waarop krakers en kunstenaars vooruit liepen op een economische herstructurering van hun stad. In de `global city' wordt de subculturele bestaanspraktijk geleidelijk getransformeerd in een design- en lifestylecultuur. Het gaat niet langer om eten, maar om `cuisine'; niet om kleding, maar om persoonlijke stijl; niet om decoratie, maar om authentieke kunstwerken; niet om voorwerpen, maar om `design'; niet om de massa, maar om individualiteit. De `global city' draagt een nieuwe sociale ethetica uit. Naast `gentrification' en esthetisering noemt Sassen nog een bestanddeel van de `global city': culturele buurtverlevendiging. Multicultureel samenleven oefent ook een geweldige invloed uit op maatschappelijke en economische processen. Cultureel verankerde vormen, kleuren, geluiden en geuren drukken een onuitwisbaar stempel op ons grootstedelijke leven. Deze vorm van stedelijke vernieuwing, zegt Sassen, past niet in conventionele opvattingen over herstructurering en zijn een levendig bewijs van de internationalisering van `global cities'. Het opwaarderen van achtergestelde stadsdelen, de esthetisering van het dagelijks leven en het intercultureel verlevendigen van buurten en wijken... Ach, het zou wellicht van kwader trouw getuigen indien we kunstenaars en krakers zouden aanmerken als de aartsvaders van de `global city'. Maar dat dezelfde subculturele De creatieve stad. Arjan Ederveen had het niet beter kunnen verzinnen. `Creative cities' dan, dat klinkt al een heel stuk beter. Net zoals `fantasy cities', of `center cities' en `edge cities' ­ concepten die vandaag over elkaar heen tuimelen en model moeten staan voor actuele varianten van culturele planologie. De Angelsaksische oorsprong van deze trendgevoelige termen verraadt een gelijksoortige oorsprong. Ze zijn namelijk ontsproten uit een even gevleugeld begrip, waarin globalisering en verstedelijking zijn samengebald: de `global city'. In haar gelijknamige boek uit 2001 legt Saskia Sassen uit dat de postindustriële stad geleidelijk is opgenomen in een wereldeconomie. Dienstverlening en kapitaalstromen gaan de dynamiek van haar grootstedelijkheid bepalen. In die grootstedelijkheid spelen kunst en cultuur een uiterst belangrijke rol door zich duurzaam te verbinden met de economie. Laaggeschoolde en industriële arbeid maken in de postmoderne stad plaats voor de kenniseconomie. Creativiteit is in dat verband een sleutelwoord geworden. Sinds de jaren zestig hebben kunstenaars - veelal onbedoeld - in hun bestaanspraktijk een meerwaarde blootgelegd, die economisch kon worden vertaald. Kunstenaars huurden of kraakten oude pakhuizen in perifere stadsdelen of in het verlaten centrum om er ateliers en kunstenaarsinitiatieven van te maken. In dezelfde zones werden vervolgens galeries, restaurants, clubs en winkels geopend en werden de contouren van `gentrification' voor het eerst zichtbaar. Nog verbaasd over KennisNetwerk Amsterdam - 21 - achtergronden Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 groepen de weg plaveiden voor projectontwikkelaars en lifestyle-entrepreneurs staat ook buiten kijf. En dit is nu juist het dilemma van de creatieve stad. Dat, om Sassen nog een keer te citeren, het vermogen van kunstenaars om meerwaarde te genereren, een winstgevende tactiek van de `global city' bleek. Maar maakt dat gegeven de creatieve stad niet langer de moeite waard? Hoe gaan hedendaagse kunstenaars en cultuurwerkers om met dit inzicht? Natuurlijk kunnen ze tijdig verkassen naar elders om hun kunstenaarsinitiatieven en experimentele laboratoria veilig te stellen of te vernieuwen. Zo trokken Amsterdamse kunstenaars naar Rotterdam of Antwerpen en denken Rotterdamse kunstenaars vandaag over een vertrek naar Eindhoven. Ze kunnen zich plooien naar bestuurlijke nota's, om zich vervolgens te voegen in beleidscategorieën en als `broedplaatsen' te hopen op een plaatsje in het culturele reservaat. Ook een omscholen tot culturele ondernemers en cultuurmakelaars behoort tot de mogelijkheden, om dan als producenten of bemiddelaars toe te treden tot de plaatselijke middenstand. Hier lijkt het creatieve vermogen doorgaans een halt te houden. Het dilemma van de creatieve stad resulteert op politiek en maatschappelijk niveau vooralsnog in een armoedig debat. Voorstanders denken dat kunstenaars veelal talentloze navelstaarders zijn, die zich op kosten van de belastingbetaler verliezen in obscure autobiografische projecten. Liever zien ze `design docks', galerie circuits, museumnachten en `art fairs' en loven ze de kunstenaar die ten minste zijn eigen broek kan ophouden. Tegenstanders spreken van een trend naar commercialisering, enter- tainment en vermaak en beschouwen de creatieve stad als een uitvinding van marktfundamentalisten en kunsthaters. Liever zien ze kunstenaarsinitiatieven, vrijplaatsen en marginale festivalletjes en bewieroken ze de kunstenaar die het ideaal van de bohémien belichaamt. Ik vrees dat beide posities de hedendaagse kunst en de hedendaagse stad geen dienst bewijzen. Gelukkig zijn er ook positieve uitzonderingen. Ik denk aan Locus 010 in Rotterdam en het samenwerkingsverband tussen Vivid & Punch in Birmingham. Beide initiatieven zijn, onafhankelijk van elkaar, een onderzoek gestart naar het fenomeen `urban culture'. Locus 010 beoogt een Center For Urban Culture en Vivid & Punch werken eendrachtig samen in het project `What Is Urban Culture?' Niet alleen het Engelstalige vocabulaire verraadt hun lotsverbondenheid met de `global city'. Ook de marginale rol van autochtone kunstenaars en cultuurwerkers in `urban culture', illustreert dat de creatieve stad de kunst- en cultuursector verrassende impulsen geeft en nieuwe perspectieven van biedt. Doorgaans uitgesloten volwaardige deelname in het kunstcircuit of te trots om `skills' door vooringenomen kunstcommissies te laten beoordelen; door te geloven dat het artistieke niveau afhankelijk is van onderlinge competitie en niet van uitverkiezing door een selecte kaste van curatoren; door de wil zelfstandig een boterham te kunnen verdienen in de culturele sector, zonder daarvoor ontelbare subsidieverzoeken in te dienen bij gezichtsloze bureaucraten, heeft `urban culture' zich plotseling op de grootstedelijke kaart gezet met een vitaal programma, dat beter toegerust lijkt om te anticiperen op de dilemma's van de creatieve stad. KennisNetwerk Amsterdam - 22 - achtergronden Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 culturele activiteiten, productontwikkeling, marSinds het kunstenaarsinitiatief Locus 010 gedwongen werd het gekraakte Hufgebouw aan de Hoogstraat in Rotterdam te verlaten, slaat ze terug met een ambitieus programma. Commerciële en artistieke activiteiten wisselen elkaar af en versterken elkaar. De nieuwe huisvesting moet een zaal voor optredens gaan krijgen, studio's, een restaurant, platen en boekenwinkels, maar ook een tentoonstellingsruimte, werkplaatsen, ateliers, gastverblijven en zelfs een opleiding voor `urban culture & business'. De aloude `dub plate cultuur', een uitvinding van de muziekscene op Jamaica, staat model voor de artistieke methode. Musici, deejays, geluidstechnici, kunstenaars en schrijvers die Locus 010 aandoen, worden contractueel verplicht workshops, clinics en gastlessen te verzorgen. Andersom wordt lokaal talent in de gelegenheid gesteld optredens en tentoonstellingen te verzorgen. Jong talent en gearriveerd talent worden met elkaar geconfronteerd, waardoor artistieke competitie het niveau moet gaan verhogen. De scheiding tussen broedplaats en culturele instelling wordt daarmee afgebroken. Bovendien melden ook andere culturele instellingen zich bij Locus 010 aan, omdat ze denken dat huisvesting in zo'n Center For Urban Culture hun aspiraties en speurtocht naar talent zal versterken. Tijdschriften als Passionate, televisiemakers als Video 2000 en instellingen als Digital Playground hebben al toegezegd te willen verhuizen. In de Rotterdamse zusterstad Birmingham proberen twee organisaties, Vivid & Punch, artistieke ontwikkelingen en `urban' productontwikkeling samen te voegen. Vanuit motieven als sociale cohesie en maatschappelijke verantwoordelijkheid combineert Punch Locus 010, maar ook Vivid & Punch, zijn lichtjaren verwijderd van snobistische `art fairs' en `design docks', maar even ver van in zichzelf gekeerde kunstenaarsinitiatieven en broedplaatsen. Ze proberen artistieke vooruitgang te verbinden aan een culturele infrastructuur, en realiseren zich dat het succes van de eerste niet zonder het succes van de laatste kan. De beweging van kunstenaars en krakers van het Amsterdam van eind jaren zeventig en de jaren tachtig, de erfenis waarop Amsterdam nog steeds nostalgisch terugblikt, vertoonde zeker parallellen met het `urban culture' van nu. Ook daar gloorden de contouren van de `global city' - zonder haar snobistische nasmaak ­ en werd Vivid is een soort laboratorium of instituut, dat zich bezig houdt met nieuwe media en mediakunst ­ een soort V2_Organisatie. Ze beschikt over tal van faciliteiten en heeft een `guest house programme' waar nieuw talent kan rijpen en onderzoek kan verrichten. Het samenwerkingsprogramma dient niet louter voor onderzoek en presentatie, maar ook voor de ontwikkeling en marketing van nieuwe culturele producten en diensten. Op kleine schaal vinden we meer van deze initiatieven: van de `Kef'-netwerken van jonge, creatieve Turken, die in Rotterdam een samenwerkingsverband met Video 2000 en Locus 010 zijn aangegaan, tot uit vooral Hindoestaanse jongeren ontsproten subculturele initiatieven als `Cool Asia' in Rotterdam en `Sutra Funk' in Amsterdam. keting en educatie, door jongeren in contact te brengen met gearriveerde kunstenaars en musici en hen te begeleiden op hun weg in de wereld van muziek, kunst en lokale infrastructuur. KennisNetwerk Amsterdam - 23 - achtergronden Creatieve industrie en culturele activiteiten, een motor voor vernieuwing van de wijk? 23 juni 2005 de kloof tussen kunstproductie en culturele infrastructuur vaak opmerkelijk succesvol gedicht. `Urban Culture' wil dat ook, maar weigert te verkassen naar achtergestelde buurten, naar steden met een lagere globaliseringsgraad of zich te plooien naar cultuurnota's en subsidiecircuits. Willen kunstenaarsinitiatieven en broedplaatsen opnieuw een rol van betekenis spelen, dan zullen ze ook culturele infrastructuur moeten willen worden en zich een stuk economie moeten toeeigenen. Met andere woorden, een plek worden waar je ook wat kan kopen, eten en iets beleven. Een plek waar je kan werken en clinics kan volgen, maar ook een plek waar je geld kan verdienen en die kan wedijveren met Pathébioscopen, Paradiso of het Stedelijk Museum. Wie zou in zo'n stad niet willen wonen? Een stad die dan nog niet bereid is te investeren in je creativiteit verdient niet alleen een exodus van creatieve mensen, maar ook het predikaat provinciestad. KennisNetwerk Amsterdam - 24 - achtergronden Colofon Special van KennisNetwerk Amsterdam over culturele activiteiten en creatieve industrie als motor voor wijkontwikkeling. Naast allen die een bijdrage aan deze middag hebben geleverd, bedanken we in het bijzonder het Bouwfonds MAB en Kristal die deze netwerkbijeenkomst met extra middelen gesponsord hebben. Deze special is bedoeld als reminder voor de aanwezigen en om geïnteresseerden die niet aanwezig konden zijn een indruk te geven. Een uitgebreid verslag vindt u op www.kennisnetwerk-amsterdam.nl Teksten: Gelske Martens Matrix Partners en Hans van der Jagt, Bureau Kwartslag Eindredactie: Hans van der Jagt Foto's: Jaap Maars Opmaak: Huib Akihary, ASW Uitgave: KennisNetwerk Amsterdam Programmaleiding en Secretariaat: Ton Bouwman en Gelske Martens Matrix Partners WG-Plein 460 1054 SH Amsterdam T: 020-5892907 E: kennisnetwerk@hetnet.nl Bestuurssecretariaat: Riekje van Albada Nieuwezijds Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T: 020-5230151 E: kennisnetwerk@hetnet.nl www.kennisnetwerk-amsterdam.nl");sQ1[22]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/cah22.pdf","cah22.pdf","","Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt Verslag bijeenkomst 29 september Cahier 22 KennisNetwerk Amsterdam Amsterdam, november 2005 Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Inhoud: Inleiding Verslag van de discussie Enkele conclusies Bijlagen Do's en do n't s van samenwerking in een keten Lijst van deelnemers Literatuur 19 21 23 3 5 17 Colofon KennisNetwerk Amsterdam -2- Inhoudsopgave Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 de Diamantbuurt in Amsterdam (foto ASW-fotoarchief) Inleiding Het overlastincident in de Diamantbuurt in Oud-Zuid van oktober jl. was voor KennisNetwerk Amsterdam aanleiding om de kwestie `jongeren en overlast' op te nemen in het programma voor het jaar 2005. We wilden bekijken met welk model en instrumenten in dit gebied wordt samengewerkt en hoe op deze samenwerking al werkende in het afgelopen half jaar is ingegrepen. Immers, naar aanleiding van de gebeurtenissen stelde het stadsdeelbestuur een procesmanager aan met de opdracht de samenwerking tussen de betrokken partijen (organisaties en personen) te verbeteren. De belangstelling van de leden van KennisNetwerk gold daarmee het model van de samenwerking van de vele partijen. Niet zozeer de aanpak van overlast. Aangezien het vraagstuk `jongeren en overlast' niet uniek1 maar wel complex is en gevoelig ligt, is mede gezien de vele belangen, gekozen voor een zorgvuldige behandeling. Met instemming van het stadsdeelbestuur en andere betrokken partijen en met medewerking van deze functionaris is op 29 september een `openbare les' over het onderwerp georganiseerd. Met deze werkvorm is door de direct betrokken partijen waaronder overheid, corporaties, diverse welzijnsinstellingen, politie, enkele bewoners teruggekeken op de samenwerking en de aanpak zoals die in de Diamantbuurt van toepassing was alvorens de situatie escaleerde en hoe daar vervolgens op is ingegrepen. De bijeenkomst stond open voor de direct betrokkenen en een selecte groep van leden van het netwerk 1 In een recente inventarisatie is sprake van 118 overlastgevende groepen verspreid over de stad. Bron: Bestuursdienst Gemeente Amsterdam, aanpak overlast jeugdgroepen Amsterdam, stand van zaken januari ­ juni 2005 KennisNetwerk Amsterdam -3- Inleiding Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 die elders met met het zelfde vraagstuk te maken krijgen. Ter vergelijking zijn ervaringen met aanpakken in andere wijken besproken zoals het Hercules Segherskwartier en de Westelijke Tuinsteden. Werkmodel Het netwerk hanteert de formule van kennis delen over sociale wijkontwikkeling, het is halen en brengen, leren van fouten en van succesvolle aanpakken. De openbare les staat voor een lerende bijeenkomst binnen de kring van leden van KennisNetwerk Amsterdam. De vorm van een openbare les is niet geschikt voor een groot publiek maar wel effectief gebleken voor behandeling in kleiner verband. Op deze wijze wilden wij lering trekken uit de praktijk van de Diamantbuurt ten faveure van andere praktijken in de stad. De bijeenkomst was met name een zoektocht naar effectieve samenwerking rond jongeren en overlast en de eisen die dat stelt aan de organisatie en manier van werken van betrokkenen. Aanwezig waren op de 29ste september vertegenwoordigers van bij de kwestie Diamantbuurt betrokken partijen (binnenring), betrokkenen vanuit andere buurten van stadsdeel Oud-Zuid en bij de kwestie jongeren en overlast betrokkenen vanuit andere stadsdelen (buitenring). In totaal een 40-tal deelnemers. Vraagstelling Hoe kijken betrokkenen bij de Diamantbuurt en belangstellende leden van KennisNetwerk Amsterdam (KNA) terug op het samen werken aan de kwestie jongeren en overlast, mede naar aanleiding van de tumultueuze gebeurtenissen in de buurt medio oktober 2004? Hoe heeft het in de Diamantbuurt zo kunnen escaleren? Waren de problemen te voorkomen geweest en zo ja hoe dan? Wat is er sindsdien veranderd in de aanpak? Hoe kunnen partijen in een kwestie als deze succesvol met elkaar optrekken? Wat voor eisen stelt dat aan de (organisatie van de) samenwerking? Wie heeft de regie en wat heeft een regisseur nodig om goed te kunnen sturen? En niet in de laatste plaats hoe betrek je bewoners? Ton Bouwman, programmasecretaris KennisNetwerk Amsterdam KennisNetwerk Amsterdam -4- Inleiding Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Onduidelijkheid en gebrek aan regie verlamden samenwerking in Diamantbuurt 'Partners moeten het besef krijgen dat ze allemaal in hetzelfde schuitje zitten' In de zomer van 2005 kreeg Nederland er een bekend stel bij. 'Bert en Marja', twee bewoners van de Diamantbuurt in Amsterdam-Zuid, zagen zich genoodzaakt een ander onderkomen te zoeken nadat een groep jongeren hen het leven in de buurt onmogelijk had gemaakt. De affaire kreeg landelijke bekendheid nadat de halve vaderlandse pers zich op het onderwerp had gestort en leidde alom tot grote verontwaardiging. Hoe kon dit allemaal in hemelsnaam gebeuren? Ten kantore van Stadsdeel Zuid en op het Amsterdamse stadhuis brak vervolgens de paniek uit, want de beschuldigende vinger wees naar een gedogende en falende overheid en dat was nu juist het beeld waarmee men zo graag wilde afrekenen. Inmiddels is het weer rustig in de buurt en likken alle betrokkenen de wonden. Tijd om terug te blikken en vragen te stellen als: hoe heeft dit conflict tussen een relatief kleine groep jongeren en 'de' buurt zo kunnen escaleren? Hadden de problemen kunnen worden voorko-men en hoe dan? Maar vooral ook: hoe kan een nieuw drama zoals in de Diamantbuurt worden voorkomen? Het waren dit soort vragen die centraal stonden op een bijeenkomst van het KennisNetwerk Amsterdam op 29 septeber in Felix Meritis. Een lerende bijeenkomst moest het worden, vertelde programmasecretaris Ton Bouwman in zijn inleiding. Dat betekende dus dat er geen behoefte was aan mooiweerverhalen, maar des te meer aan eerlijheid, openhartigheid en zelfkritiek. Aan het einde van de middag moest duidelijk zijn hoe je zo'n lastig thema als jongerenoverlast nu het beste kunt aanpakken. In goede samenwerking wel te verstaan, want als de Diamantbuurt iets duidelijk maakt, dan is het wel dat geen van de betrokken partijen het in z'n eentje kan klaren. Gigantische druk Na een korte introductie van dagvoorzitter Peter Lankhorst, mocht Douwe van den Berg, procesmanager in de Diamantbuurt, vertellen wat er allemaal gebeurt was om de zaak weer onder controle te krijgen. Van den Berg had zijn inleiding in drieën gedeeld: hij begon met at hij aantrof bij zijn aanstelling op 1 januari 2005, vervolgde met op te noemen wat er sinds die tijd allemaal was gedaan en eindigde met aanbevelingen hoe het nu verder moest. Van den Berg: 'In het najaar van 2004 en begin dit jaar was er een gigantische druk op politiek niveau die met name werd veroorzaakt door de berichtgeving in de media. De Stadsdeelpolitiek stond onder druk, de burgemeester, maar ook de bestuursdienst. Uiteindelijk kwam al die druk terecht op het uitvoerend niveau. De uitvoerders hadden het in deze periode uitzonderlijk zwaar; ze kregen verwarrende opdrachten en moesten in korte tijd heel veel doen, maar er heerste onduidelijkheid alom. Dat laatste kwam vooral door de manier waarop binnen het Stadsdeel de zaken georganiseerd waren. De KennisNetwerk Amsterdam -5- verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 niet helder omdat het opdrachtgeverschap verdeeld was over meerdere sectoren en werd uitgevoerd door ambtenaren die van elkaar niet goed wisten wat ze hadden afgesproken. Zo ontstond een heel diffuus beeld voor de instellingen. Ze vroegen zich voortdurend af: bij wie moeten we precies waarvoor zijn? Terugkijkend kun je ook vaststellen dat het adviseurschap vanuit de instellingen wel wat scherper had gemogen. Het leek erop dat ze met hun jaarlijkse subsidies keurig hun vakgebied vulden, maar onvoldoende waarschuwden voor ontwikkelingen in de buurt en ook niet met goede plannen kwamen om de problemen te lijf te gaan. Maar aan de andere kant: als het aan de kant van de opdrachtgever onduidelijk is waar en bij wie je moet zijn, dan is het adviseurschap ook lastig in te vullen. Ook hier dus een vicieuze cirkel.' Regie Zie daar de situatie begin dit jaar, toen Van den Berg z'n eerste stappen in de Diamantbuurt zette. Overal heerste onduidelijkheid en verwarring over taken en verantwoordelijkheden. Er viel heel wat te doen en alle ogen waren gericht op het Stadsdeel. Wat zou zij gaan doen om de regie stevig in handen te krijgen? De eerste stap was dus de aanstelling Van den Berg als procesmanager. Hij kreeg als opdracht regie te voeren over alles, maar dan ook alles wat er vanuit het Stadsdeel en de instellingen in de Diamantbuurt gebeurde. Dat hield ook in de regie over de samenwerking met politie en justitie. Van den Berg kreeg nadrukkelijk de positie van eindverantwoordelijke en werd aanspreekpunt voor alle partijen. Alle vragen, ideeën en opmerking konden naar hem toe. Dat gold ook intern: alle ambtenaren die iets wilden in de Diamantbuurt moesten bij de procesmanager zijn. Van den Berg moest alle taken en verantwoordelijkheden in beeld zien te krijgen van iedereen die vanuit Stadsdeel of instellingen iets in de buurt deed. En dat waren er nogal wat. Terugkijkend zijn er twee belangrijke interventies geweest, vertelde de procesmanager: 'Op de eerste plaats moest de gigantische druk worden weggenomen. Mensen moesten weer lucht krijgen om hun werk te gaan doen. De bewoners waren op dat moment weer redelijk tevreden en vonden dat het best goed ging in de buurt, maar op ambtelijk en politiek niveau heerste nog enorme paniek. Om die weg te nemen is toen een avond georganiseerd met bewoners en de burgemeester en stadsdeelvoorzitter. Het was met opzet een heel informele bijeenkomst met de centrale vraag aan de bewoners: hoe gaat het eigenlijk op dit moment? De belangrijkste boodschap van de bewoners aan de bestuurders was die avond: Douwe van den berg, procesmanager Diamantbuurt ambtenaren die zich met de Diamantbuurt en met het thema jeugd en veiligheid bezighielden, waren verspreid over maar liefst drie sectoren: de programmacoördinator jeugd en veiligheid was ondergebracht bij juridische zaken, de mensen van de wijkcoördinatie zaten bij publiekszaken en de ambtenaren die verantwoordelijk waren voor jeugd en welzijn werkten bij de afdeling jeugd, onderwijs en sport. De relatie tussen die drie sectoren verliep uitsluitend via het centraal managementteam. Het gevolg was dat binnen het ambtelijk apparaat de coördinatie op buurtniveau volstrekt onvoldoende was. Het was volslagen onduidelijk wie waarvoor verantwoordelijk was, wie wat moest doen en op welk moment. Als gevolg daarvan ontstond een situatie dat de uitvoering onvoldoende naar het bestuur terugkoppelde. En doordat het bestuur niet meer precies wist wat er gebeurde, gaf het steeds nieuwe opdrachten, die waren weer onduidelijk, etc. etc. Er ontstond dus een vicieuze cirkel waarbij iedereen maar achter elkaar aan rende. Tel daarbij op de voortdurende druk van de media en je hebt het effect van een snelkookpan. Door de verwarring bij het Stadsdeel was het ook voor de instellingen niet duidelijk wat er precies van hen verwacht werd. De opdrachten aan en aansturing van de instellingen waren KennisNetwerk Amsterdam -6- verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 woners aan de bestuurders was die avond: het gaat goed. We hebben geen behoefte aan camera's of nog meer blauw in de straat. Gelukkig kwam die boodschap ook bij de pers over want in Het Parool stond de volgende dag een stuk met als kop 'Rust in de Diamantbuurt'. Het verloop van die avond en de berichtgeving in de media gaf veel lucht en ruimte om verder te kunnen.' De tweede interventie, vertelde Van den Berg, betrof de organisatie van de regie. Er werd een regiegroep ingesteld waarin managers van alle betrokken organisaties zaten. Naast de regiegroep werd tegelijkertijd een uitvoeringsteam in het leven geroepen met daarin alle betrokken organisaties. Van den Berg: 'Op dat moment was de belangrijkste vraag: hoe komen we de zomer door? Het werkplan dat de groep maakte was dan ook helemaal op deze vraag afgestemd. Het bevatte een hele rij taken, maar ook meteen de namen van degenen die verantwoordelijk waren voor de uitvoering. De regiegroep gaf vervolgens opdracht aan de uitvoerders dit werkplan uit te voeren. Tijdens de uitvoering kwam de groep elke drie weken bij elkaar om te kijken wat er gebeurd was, wat er verder moest gebeuren en om de nieuwste ontwikkelingen te bespreken. De zaak werd dus op de voet gevolgd. Belangrijke winst was dat nu in de uitvoering iedereen precies van elkaar wist wat men deed en wie verantwoordelijk was. Dat gold ook voor het management van de organisaties.' Binden Er zijn inmiddels veel dingen verbeterd, maar er is ook nog heel wat te doen om nieuwe problemen te voorkomen, vertelde Douwe van den Berg. Er moet verder worden gekeken naar de toekomst, hoe gaat de regie en samenwerking er dan uitzien? De procesmanager had daar wel ideeën over: 'Na mijn vertrek zal er vanuit het Stadsdeel iemand moeten worden aangewezen die verantwoor-delijk is voor jeugd en veiligheid. Dat mag geen coördinator zijn, maar een manager. Een coördinator heeft geen macht en kan zich bovendien gemakkelijk verschuilen achter zijn gebrek aan bevoegdheden en verantwoordelijk-heden. Ten tweede is de rol van communicatie heel belangrijk. De Diamantbuurt is nog altijd een heel gevoelig onderwerp. De media zitten voortdurend op het vinkentouw. Er zal dus gewerkt moeten worden aan het imago van de buurt en aan de omgang met de pers. Tot nu toe lag het accent sterk op het bestrijden van overlast. Dat zal moeten verschuiven naar preventie en zorg. Weliswaar zijn er zijn allerlei projecten op dit gebied, maar de lijntjes komen nog niet goed bij elkaar. Het is belangrijk dat iedereen die in deze buurt werkt, van hoog tot laag, weet waar hij onderdeel van uitmaakt en dat we al die mensen kunnen binden. Dat kan bijvoorbeeld door de organisatie van een jaarlijkse workshopdag of een excursie of iets dergelijks.' Van den Berg had ook nog enkele tips en suggesties voor de samenwerking tussen de partijen in de Diamantbuurt. Over de samenwerking tussen Stadsdeel, politie en justitie merkte hij op dat de visie op wat er moet gebeuren moeten worden neergelegd in een jeugd- en veiligheidsplan, maar dat het vooral belangrijk is dat daarin prestatieafspraken staan vermeld wie wat doet en wanneer. Ook de verhouding tussen Stadsdeel als opdrachtgever enerzijds en instellingen als adviseurs anderzijds moet beter en duidelijker. Dat kan volgens Van den Berg door opdrachten openbaar aan te besteden waardoor het Stadsdeel gedwongen wordt goed na te denken over wat ze precies wil en de instellingen helder moeten omschrijven wat ze denken te gaan bieden. Tot slot pleitte de procesmanager voor een actievere rol van de bestuursdienst. Van den Berg: 'Die zag ik aanvankelijk vooral als boeman,maar daar denk er inmiddels anders over. De bestuursdienst kan veel meer ondersteuning bieden aan de Stadsdelen. Ze zouden pakketten aan kunnen bieden waar de Stadsdelen uit kunnen kiezen. Ik heb begrepen dat de dienst vanaf nu ook procesondersteuning gaat leveren die kan worden ingehuurd. Wat mij betreft zou er nog veel meer moeten worden aangeboden.' Gebrekkige samenwerking De uiteenzetting van Van de Berg ontlokte voorzitter Lankhorst de vraag hoe dit in hemelsnaam allemaal had kunnen gebeuren. Jongeren en overlast, dat was toch geen nieuw thema. Zelf had hij zich ooit beziggehouden met de rellen op het August Allebéplein in Amsterdam-West, toch al weer acht jaar geleden. Veel van de zaken die door Van de Berg zijn genoemd, speelden toen ook al, vertelde Lankhorst. 'Toen hadden we het ook over regie en een stuurgroep en over samenwerking. Hoe kan het dan na zoveel jaren opnieuw uit de hand lopen? Of is de Diamantbuurt zo uniek?' Lieke Thesingh, verantwoordelijk portefeuillehouder van Stadsdeel Oud Zuid, erkende dat het bestuur zich had verkeken: 'We waren uiter- KennisNetwerk Amsterdam -7- verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Lieke Thesingh, portefeuillehouder stadsdeel Oud Zuid aard al jaren bezig met zaken als welzijnsbeleid en jeugdbeleid. We wisten dat er in deze buurt wel wat aan de hand was, dat er tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen bestonden, dat er weliswaar geen manifeste, maar wel potentiele spanningen waren. Er waren ook al wat conflicthaarden waar jongeren een rol in speelden en in gesprek met die jongeren merkte je al dat er een flinke tegenstelling bestond en een sterk wij-zij denken. De afgelopen jaren hebben we ons sterk gericht op die groepjes jongeren en met allerlei beleid geprobeerd hen weer op het rechte pad te brengen. Dus: zorgen dat ze weer naar school gaan, dat er leer/werktrajecten voor ze zijn, dat ze een dagstructuur krijgen, etc. Vervolgens breekt toch de pleuris uit. Blijkbaar is er maar een kleinigheid nodig om de lont in het kruitvat te laten ontbranden.' Op de vraag van Lankhorst wat de bestuurders van het Stadsdeel precies fout hadden gedaan, antwoordde Thesingh: 'We hebben steeds gedacht: als we die criminaliteit maar terugdringen, gaat het goed. We hebben te sterk alleen op de jongeren gefocust en te weinig oog gehad voor de overlast die er ondertussen in de buurt bestond.' Lankhorst: 'In welk van de partners die hier aan tafel zitten, was je het meest teleurgesteld toen de ellende begon? Van wie had je meer verwacht?' Thesingh: 'Laat ik positief beginnen. Toen we vanuit het Stadsdeel met concrete doelstellingen kwamen om de criminaliteitscijfers terug te dringen, werd dat door de uitvoerders enthousiast ontvangen. We gaan er tegenaan, zeiden ze en dat hebben ze ook gedaan. Waar ik wel teleurgesteld in ben is in de gebrekkige samenwerking in de uitvoering. De instellingen voeren vooral de eigen taken uit, maar hebben moeite als een ander op hun werkterrein komt of in de keuken wil kijken. Dat kost hen grote moeite. De laatste tijd zie ik verbetering, maar we zijn er nog lang niet.' Paul Paree, verantwoordelijk ambtenaar van het Stadsdeel, deelde in grote lijnen de opvatting van Thesingh: 'Inderdaad zijn we te zeer bezig geweest met preventieve maatregelen en hebben we te weinig oog gehad voor de brandhaarden op straat. We hadden heel veel aandacht voor de jongeren, maar de buurt in z'n totaliteit en de verhouding tussen de buurt en de jongeren en die tussen groepen jongeren Paul Paree, hoofd WOS, stadsdeel Oud Zuid KennisNetwerk Amsterdam -8- verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 onderling was een blinde vlek. Verder waren we er absoluut niet op voorbereid hoe we adequaat konden reageren op een grote crisis met alle druk die er bij komt.' Paree wees voorts op de gebrekkige coördinatie en samenwerking tussen alle partijen, ook die tussen de verschillende sectoren van het Stadsdeel. 'Mijn eigen dienst valt dat ook te verwijten.' Emiel Jaensch, Stadsdeelvoorzitter, vulde aan: 'We moesten uit de krant vernemen dat er problemen waren in de Diamantbuurt. De lijnen waren dus veel te lang. Inmiddels zijn die heel kort. Incidenten worden onmiddellijk gemeld. Tweede punt: we hadden heel veel aandacht voor de jongeren en weinig oog voor de slachtoffers van de overlast. We keken vooral naar de cijfers en dachten: van de 60 criminele jongeren zijn er 30 opgepakt, dus met 50% gaat het goed. En tenslotte: we hebben geleerd dat je altijd proactief moet nadenken wat de media met een verhaal gaan doen. Een goede communicatieadviseur is ontzettend belangrijk. Die beschermt en geeft rust.' In gesprek Voor dat andere partijen aan het woord kwamen, wilde Lankhorst eerst de opvatting van bewoners weten. Tineke Mendelson was de enige van het Smaragdplein die op deze middag aanwezig was. Ze vond dat de problemen allemaal veel groter waren gemaakt dan ze in werkelijkheid waren en sommige bewoners de zaak sterk hadden overdreven. 'De overlast die ik zelf heb ervaren was minimaal. Uiteraard was er wel geluidsoverlast, zeker 's zomers als overal de ramen openstaan. Maar als je met die jongens in gesprek raakte viel het allemaal reuze mee. Bij mij uit de voortuin haalden ze een keer een stamroosje uit de grond. Dus ik doe het raam open en zeg: hé jongens, waar zijn jullie mee bezig? Hun eerste reactie was: bel de politie maar. Maar toen ik opmerkte dat ze dat wel zouden willen, zei een van de oudere jongens, zullen we dat boompje maar weer terugzetten? Wat ook prompt gebeurde. Ik bedoel maar: het is een kwestie van die jongens aan durven spreken, met ze in gesprek gaan. De meeste mensen zijn daarvoor te bang.' Lankhorst: 'Les 1 is dus dat, als we het over communicatie hebben, dat bewoners zelf ook kunnen en moeten communiceren.' Op de opmerking van Mendelson dat ook de media een slechte rol hebben gespeeld, merkte Lankhorst op dat we daar op deze middag niet verder bij stil zouden staan, maar dat er nog wel één keer gezegd mocht worden dat de verslaggever van De Volkskrant wel een specifieke rol heeft gespeeld en dat ook bekend is dat deze journalist 'enige relatie' had met de twee mensen die uit de buurt zijn vertrokken. Van den Berg: 'Alle publiciteit is niet negatief geweest, want het heeft er wel voor gezorgd dat veel dingen in de Diamantbuurt nu veel beter geregeld zijn.' Een andere bewoner, die wat verder van de brandhaard af woont: 'Bewoners zijn erg bang elkaar te hulp te komen. Ik heb zelf erg last van geluidshinder gehad, maar was de enige die klaagde. Daardoor raak je erg geïsoleerd. Ik kan me dus ook wel voorstellen dat Bert en Marja er gek van werden dat andere omwonenden zich niet in hun positie konden verplaatsen.' Brandjes blussen Het was een mooi bruggetje voor de voorzitter om de rol van de professionele organisaties aan de orde te stellen. Lankhorst: 'Als bewoners hun ei niet bij elkaar kwijt kunnen, dan zijn er altijd nog de professionals die hen kunnen ondersteunen: opbouwwerk, jongerenwerk, politie. Hoe hebben die gereageerd? Wat hebben die gedaan en wat hadden ze beter kunnen doen? Hans Zuiver, directeur van de welzijnsorganisatie Combiwel: 'We waren al jaren bezig in de Diamantbuurt met zaken als leefbaarheid en samenhang tussen de verschillende groepen in de buurt. In 2001 hebben we zelfs een convenant gesloten over een wijkservicepunt, onder andere met politie, woningcorporaties en Stadsdeel. Afgesproken werd toen dat we de handen ineen zouden slaan. Vervolgens zijn er Tineke Meldelson, bewoonster Diamantbuurt KennisNetwerk Amsterdam -9- verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 allemaal stedelijke ontwikkelingen geweest bij de deelnemende partijen waardoor ze stuk voor stuk afhaakten. Ik neem mezelf kwalijk dat ik toen niet harder heb geroepen dat het convenant niet werd nageleefd. Ik had moeten blijven doorzeuren. In plaats daarvan heb ook ik me teruggetrokken. Aan de andere kant: er waren zoveel partijen bij betrokken, ieder met een eigen visie, dat uitvoering ook wel erg lastig was. Hoe meer zielen hoe meer vreugd ging in dit geval beslist niet op.' Ahmet Balci die in 2001 als jongerenwerker namens Combiwel in de Diamantbuurt kwam werken, vertelde dat hij meteen werd overspoeld met een zware jongeren-problematiek. 'Je bent vooral bezig met brandjes blussen. Na een jaar bleek dat het niet alleen om een jongerenprobleem ging, maar ook om een buurtprobleem. Als jongerenwerker kan je dan niet zoveel meer doen. Je hebt de hulp van anderen nodig. Maar in de Diamantbuurt was er geen samenhang en geen samenwerking tussen de organisaties.' Het verraste Balci geenszins dat het in 2004 uit de hand liep, vertelde hij. Maar gaf hij dan wel voldoende signalen af dat het de verkeerde kant uitging, vroeg Lankhorst. De jongerenwerker: 'Ik heb die signalen zeker gegeven, maar was toch vooral bezig met brandjes blussen en te proberen het jongerencentrum van de grond te krijgen. Verder was ik niet zozeer bezig met de groep die problemen veroorzaakte, maar vooral met hun jongere broertjes. Ik wilde in die jongere kinderen zoveel mogelijk investeren om te voorkomen dat ook die een probleem gingen geven.' Het gelijk op zak Geen exclusief jongerenprobleem dus, maar een breder buurtprobleem. Reden om de rol van het buurtwerk onder de loep te nemen. Volgens Herbert Koobs, coördinator buurtbeheer van Combiwel, lag en ligt de kern van de problematiek in de Diamantbuurt bij een groepje buurtbewoners die zich de problemen toeëigenen en die 'het gelijk op zak denken te hebben. Deze bewoners stellen zich dusdanig op dat anderen geen trek meer hebben om aan buurtactiviteiten deel te nemen, stelde Koobs. Tegen de verdrukking in probeert het buurtwerk in de Diamantbuurt met alle macht de bewoners met elkaar in contact te brengen. Koobs: 'Voorwaarde voor een veilige buurt is, dat bewoners elkaar moeten kennen. Daar werken we aan. In juni hebben we in op het Smaragdplein een relaxed buurtfeest georganiseerd. Het Segherskwartier is wat ons betreft een goed voorbeeld. Daar is een grote actieve groep bewoners die minstens een keer per jaar aan een buurtvergadering deelnemen. Iedere zes weken zitten bewoners om tafel met Stadsdeel, politie, etc. De jongeren kennen elkaar en de organisaties.' Lankhorst: 'Als er problemen waren om bewoners te organiseren en jullie zagen de problemen aankomen, wat heeft het buurtbeheer en het opbouwwerk in de jaren voorafgaand aan de uitbarsting in de Diamantbuurt precies gedaan? Werd er samengewerkt? Koobs: 'De Diamantbuurt is niet de enige buurt in Zuid waar we iets te doen hebben. We zijn ook in andere buurten bezig. Maar wat de Diamantbuurt betreft: vanuit de directie van Combiwel kwam de opdracht meer te doen in de buurt. We zijn vervolgens bezig geweest de verschillende afdelingen van Combiwel die in de buurt vertegenwoordigd waren, zoals jongerenwerk, opbouwwerk, buurtbeheer en ouderenwerk op één lijn te krijgen. Op het moment dat Bert en Marja de buurt uit werden getreiterd hadden we dat concept rond.' Lankhorst wilde ook weten wat het wijkcentrum Ceintuur gedaan heeft om de problemen te voorkomen. 'Jullie worden toch ook gesubsidieerd om bewonersparticipatie te organiseren? Fred Gersteling, bestuurslid van het wijkcentrum: 'Het opbouwwerk is, dankzij vrije aanbesteding, naar Combiwel gedaan. Dat was voor ons een enorme aderlating. Pas jaren later werd besloten extra geld te steken in samenlevingsopbouw. Sinds die tijd zijn we erg actief hiermee in de Diamantbuurt. Dat was overigens ook gebeurd als er hier geen uitbarsting was geweest. Ik vind ook dat er in de buurt al hele goede ketenafspraken waren en dat partijen al heel actief waren voor 2004, ook het Stadsdeel. Er was al een kentering ten goede voordat de problemen hier naar buiten kwamen. De samenwerking was al op gang gezet en daar plukken we nu de vruchten van.' Gersteling vertelde dat hij de problemen op het Smaragdplein niet had zien aankomen en zei iedereen te wantrouwen die het tegendeel beweerde. 'Wat je wel kon zien aankomen was de jeugdproblematiek, gezinnen die niet deugen en de inkomensproblemen. Daar moet ook op worden ingezet.' Notoire klagers Na de welzijnsorganisaties kwam de politie aan de beurt. Wat was haar rol was geweest? Volgens projectleider Jeugd Elise Groenteman was de problematiek kleiner dan tot nog toe geschetst. 'Er is een beperkte groep die overlast veroorzaakt en dat heeft op zeker moment op anderen een aanstekende werking en dan escaleert de boel.' Waarop Lankhorst protesteerde: 'Dat is precies hetzelfde geluid dat in de media en onder bewoners zo werd bekritiseerd. Het gevoel dat de problemen worden wegge- KennisNetwerk Amsterdam - 10 - verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Fred Gersteling, Huurdersvereniging Amsterdam praat en de instanties de urgentie van de problemen niet zien. Dat is toch juist een van de oorzaken geweest dat het zo uit de hand kon lopen?' Groenteman: 'Ik blijf er bij dat er een aantal notoire klagers waren. Natuurlijk nemen we die klachten serieus, maar we moeten het niet opblazen. Er is een kleine harde kern van jongeren die problemen veroorzaken en een aantal meelopers. Een korte interventie moet voldoende zijn en er moet vooral ingezet worden op de jongsten. Maar dat kunnen we niet alleen. Dat moet samen met het netwerk.' Douwe Van den Berg hierop reagerend: 'Er is nog een ander verhaal. Een deel van het probleem was de concrete overlast, een ander deel hoe dat in de pers komt. De boodschap van de pers was niet op de inhoud gericht maar vooral op de vraag: heeft de overheid de situatie onder controle? In de pers is het verhaal neergezet dat de overheid faalt. Dat heeft een heel sturende werking gehad in de manier waarop deze crisis is behandeld.' En Thesingh reagerend op het verhaal van Groenteman: 'De problemen moet je zeker niet groter maken dan ze zijn, maar je moet bewoners wel serieus nemen. Als je dat niet doet, wordt het probleem vanzelf groter dan het is. Dan krijg je reacties die niet meer beheersbaar zijn. Er zijn ook raadsleden geweest die in de buurt woonden die een slechte rol hebben gespeeld.' Aan het woord kwam ook een andere politiefunctionaris, Tom Smakman, politiecoördinator Jeugd in Amsterdam-West. Lankhorst vroeg hem naar zijn ervaringen in de westelijke tuinsteden waar eerder problemen speelden zoals vorig jaar in de Diamantbuurt. Smakman: 'Ik beluister vanmiddag dat het in de Diamantbuurt schortte aan de samenwerking. Dat betekent dat, als het eenmaal mis gaat, je ook niet kunt terugvallen op die samenwerking. Terwijl dat juist de kracht is die je nodig hebt om zo'n storm te trotseren. In Amsterdam-West zijn we daar heel scherp op. Begin dit jaar was er een incident op het Joop Woortmanplein in Osdorp dat alle ingrediënten in zich had om uit te groeien tot een escalatie zoals in de Diamantbuurt. Alle partijen zochten onmiddellijk steun bij elkaar om na te gaan wat men al aan de problemen deed. De resultaten daarvan werden vervolgens voorgelegd aan de bewoners, waardoor je laat zien dat je schouder aan schouder staat en de signalen die binnenkomen heel serieus neemt. Je laat zien dat je samen de problemen wilt aanpakken. Ik proef uit het verhaal vanmiddag dat partijen achteroverleunen, bijvoorbeeld als het gaat om de uitvoering van een samenwerkings-convenant. Dat is vreselijk zonde. Samenwerking is echt de basis om verder te kunnen.' Op de vraag van Lankhorst wie hij als de zwakste schakel zag in de zaak Diamantbuurt antwoordde Smakman zonder verder nadenken: 'Het bestuur. Want die moet altijd de kar trekken en de andere partijen meesleuren. Het Stadsdeel hoort het voortouw te nemen en het beleid uitstippelen. Dat ontslaat de andere partijen overigens niet van hun eigen verantwoordelijkheid.' Eigen ding Na de politie mocht het Streetcornerwork verantwoording afleggen over haar bijdrage. Coördinator Joost van Hienen begon met op te noemen wat Streetcornerwork volgens hem fout had gedaan. 'We hebben de groep jongeren van 12 tot 18 jaar verwaarloosd en te zeer gefocust op de groep van 18 tot 23 jaar. Voor 2004 waren er grote groepen hangjongeren op de Van Woustraat en het Smaragdplein.' Lankhorst: 'Hebben jullie afspraken met het jongerenwerk wie welke groepen aanpakt?' Van Hienen: 'Dat is een moeilijk punt. Er werd niet goed samengewerkt, maar daar zijn we nu hard mee bezig. We hebben een plan gemaakt samen met het jongerenwerk.' Van het Streetcornerwork over naar de rol van de woningcorporaties. De corporaties kunnen niet door het Stadsdeel worden aangestuurd. Niettemin stelde Lankhorst de vraag wat de corporaties vanuit hun eigen verantwoordelijkheid hebben gedaan om problemen te voorkomen of te bestrijden. Jan Willem Kluit (AWV): 'Onze medewerkers reageren vooral op overlast, maar dat stopt bij de voordeur. Als er burenoverlast is op de trap, dan doen we daar wat mee, maar we doen niets met de overlast op straat. Zo doet ieder dus z'n eigen ding. Het blijkt lastig afspraken te maken wie wat doet en wie waar op af moet.' De zwakste schakel wenste Kluit niet aan te wijzen. Het ging volgens hem om een collectief falen: 'We hebben er met z'n allen voor gezorgd dat verantwoordelijkheden onduidelijk bleven. Dat niet duidelijk werd bij wie bewoners moes- KennisNetwerk Amsterdam - 11 - verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 vaak te sloom.' Vertrouwen Het was al door verschillende sprekers gezegd en ook in de inleiding van Douwe van den Berg kwam het thema steeds terug: alles draait om een goede samenwerking als je problemen zoals in de Diamantbuurt effectief wilt bestrijden. Maar hoe krijg je die van de grond en vooral ook: wie zorgt ervoor dat die samenwerking echt effectief wordt. Met andere woorden: wie voert daadwerkelijk de regie? Over dit onderwerp handelde het tweede deel van de discussie. Peter Lankhorst stelde de vraag of de stadsdeelvoorzitter de regisseursrol op zich zou moeten nemen. Jan Willem Kruit (AWV) reageerde: 'Ik denk het wel. Iemand moet die partijen samenbrengen en hen wijzen op de verantwoordelijkheden. Tot nu toe heeft het stadsdeelbestuur die regierol nog niet op zich genomen. Maar ook de centrale stad heeft een rol bij overlastbestrijding. Cohen zou hierbij de regie naar zich toe moeten trekken. Al die waanzin van aparte meldpunten en registratiesystemen. Dat moet je centraal stedelijk aanpakken.' Anton Ederveen, bestuurder in Stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer dacht daar anders over: 'Bestrijding van dit soort overlast staat of valt met goede samenwerking en het vertrouwen daarin. Amsterdam-West wordt vaak aangehaald als een succesvol voorbeeld van die samenwerking, maar dat heeft wel jaren gekost. Het begint met het erkennen van elkaar als partner en het elkaar aanspreken. Dan gaat het niet alleen om het aanwijzen van verantwoordelijken, maar ook om het vaststellen van de regierol van de bestuurders in de stadsdelen. Zij moeten de afspraken bewaken die de samenwerkingspartners met elkaar maken. Dat moet vooral op stadsdeelniveau gebeuren en niet centraal omdat de partners op stadsdeelniveau weten wat er speelt. Lankhorst: 'Heeft het Stadsdeelbestuur dan een extra rol als een convenant, zoals in de Diamantbuurt afgesloten, niet wordt nagekomen? Ederveen: 'In Geuzenveld zit iedereen aan tafel. Als afspraken niet worden nagekomen, komt men bij mij en ga ik me ermee bemoeien. We hebben er allemaal belang bij dat dat gebeurt, want als het niet werkt krijgt iedereen het op z'n bordje. Gelukkig gaat het tot nog toe goed is het tot nu toe niet nodig geweest hier in te grijpen.' Lankhorst: 'Dat betekent dus dat in het geval van de Diamantbuurt de directeur van Combiwel naar het Stadsdeelbestuur had moeten stappen om aan de bel te trekken toen het convenant niet werd uitgevoerd.' Ederveen: 'Ja en nee. Hij had moeten waarschuwen, maar een Joost van Hienen, Streetcornerwerk ten zijn om te klagen over overlast. Er waren meerdere mogelijkheden: corporatie, politie, meldpunt, maar waar komt het allemaal samen? Zo was het meldpunt er voor overlast, maar dat gold weer niet voor overlast door jongeren, dan moest je weer ergens anders naar toe. Ieder had z'n eigen stukje, maar die stukjes kwamen niet bij elkaar. Er werden geen mensen aangewezen die verantwoordelijk werden gesteld voor de oplossing van overlast.' Ineke van Nierop van Ymere: 'Bij ons waren wel overlastproblemen tussen buren bekend. Daar kun je als corporatie mee aan de slag, maar overlast van jeugd op straat kenden we eigenlijk niet. Behalve bij het internetcafé aan de Van Woustraat, waar veel jongeren voor de deur en in de portieken hingen. Uiteindelijk is dat café ook gesloten.' Hoge verwachtingen Wist Ineke van Gijssel, ketenunitregisseur jeugdcriminaliteit bij Justitie, wat er in de Diamantbuurt fout was gegaan? Van Gijssel: 'Niet precies, maar ik weet wel dat er net in de tijd dat de zaak in de Diamantbuurt escaleerde, een reorganisatie plaatsvond bij Justitie in de Buurt. Die werden omgevormd tot ketenunits en mochten zich voortaan veel minder gaan bezighouden met preventief werk. Ook speelde mee dat de verwachtingen naar Justitie volgens mij veel te hoog waren. Men vergeet vaak dat Justitie alleen iets kan doen als er een proces verbaal is. Van Gijssel merkte verder eufemistisch op dat iedereen heel erg betrokken is bij dit onderwerp, maar dat, als er tot actie moet worden overgegaan, 'het niet altijd gebeurt'. Een opmerking waar Douwe van den Berg het helemaal mee eens was. 'Als je het hebt over de zwakste schakel in het geheel, moet je kijken naar de werkcultuur van organisaties. Zolang er over het probleem wordt gepraat, denkt iedereen dat het wel goed komt. Maar er wordt weinig gedaan. Je moet niet alleen over de problemen praten, maar ook uitvoeren. Dat gaat KennisNetwerk Amsterdam - 12 - verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 welzijnsdirecteur kan ook niet zeggen: het is mijn pakkie-an niet meer, ik doe er verder niets aan.' Zuiver protesteerde uiteraard: 'In de Diamantbuurt werden de partijen die het convenant hadden ondertekend vanuit de centrale stad teruggeroepen. Zo kreeg de politie bijvoorbeeld de opdracht geen zaken meer te doen met Combiwel. Dan zeg ik: kom dan weer als partners bij elkaar en trek de stekker uit het convenant.' Zwakke schakel De discussie ging verder over de intensiteit van de samenwerking. Hoe vaak zien de partners elkaar eigenlijk of zouden ze elkaar moeten zien? Is dat alleen bij het tekenen van een overeenkomst, of is er een regelmatig treffen en een praktisch werkverband. In West zitten volgens Ederveen de uitvoerders regelmatig met elkaar om tafel: buurtconciërges, buurtbeheerders, politie, etc. Dat overleg is overigens geïnitieerd door het Stadsdeel. In de Pijp bestaat ook een dergelijk overleg, een initiatief van de wijkcoördinatoren van het Stadsdeel. Daar zitten ambtenaren bij, corporaties, welzijn en politie. Een bewoonster: 'Bij ons heeft het buurthuis hierin een rol. Die organiseert regelmatig een buurtvergadering met bewoners, politie, welzijnswerk, etc. Je hebt gewoon een plek nodig waar mensen bij elkaar kunnen komen. Dat wil niet zeggen dat ons buurtoverleg altijd zo goed bezocht wordt. Maar het is er wel en in tijden van crisis kunnen bewoners daar hun ei kwijt. Zo'n buurtoverleg heeft dus een duidelijke functie.' Lankhorst concludeerde dat de overheid een bijzondere rol heeft om de samenwerking tussen de partijen in stand te houden en efficiënt te laten verlopen. Maar hij bleef ook nieuwsgierig naar de zwakke schakel in de samenwerking en vroeg nogmaals aan de zaal wie die kon aanwijzen. Een paar reacties: Wilma Wassenaar, wijkcoördinator Stadsdeel Zuid-Oost: 'Als je het hebt over een zwakke schakel, dan is dat de partij die zich de wijk gaat toeëigenen. Iedereen moet doen waar hij goed in is en niemand is er bij gebaat is dat een van de partijen dé oplossing heeft en zich op het terrein van andere partijen gaat begeven.' Een andere zwakke schakel volgens Wassenaar is de overheid op het moment dat die niet snel reageert op jongerenoverlast en zich verschuilt achter formele verantwoordelijkheden. Ederveen: 'De zwakste schakel is niet te benoemen. Het grootste gevaar in de samenwerking is dat die persoonsgebonden wordt. Terwijl er heel veel personele wisselingen zijn. Het is dus niet een instelling of organisatie die je kunt aanwijzen als zwakste schakel, maar de sterkte of zwakte van de structuur van de samenwerking. Die moet blijven staan, ook als mensen weggaan en er andere mensen op hun plekken komen.' Van Hienen: Het heeft ook met de financiering te maken. Partijen worden uit verschillende potjes betaald. Het Stadsdeel kan wel verantwoordelijk zijn en een regierol spelen, maar hoeveel heeft zij te vertellen over bijvoorbeeld de politie.' Jaensch: 'Het gaat vooral om het vertrouwen. Het gaat erom dat, als je met elkaar afspraken maakt, meteen ook wordt vastgesteld dat het Stadsdeel die afspraken bewaakt. In de praktijk blijkt dat geen probleem.' Smakman: 'Als er echt sprake is van samenwerking, laat je elkaar als partner niet vallen. Dan wil je bijvoorbeeld de Stadsdeelvoorzitter niet op z'n bek laten gaan.' Van den Berg: 'Het gaat er inderdaad om dat partners de bereid hebben elkaar te steunen bij een crisis. Vanuit het besef dat, als een van hen omduvelt, iedereen meegaat. We moeten het hebben over de vraag hoe je tot zo'n soort samenwerking komt en aan de andere kant wat de afbreukrisico's zijn van die samenwerking. Genoeg gepraat over wat er fout ging, laten we nu vooruit kijken en zoeken naar een strategie om partijen goed te laten samenwerken.' Lankhorst: Wat wil jij dan meegeven hoe die samenwerking moet het worden? Van den Berg: 'Het belangrijkste is dat je het besef bij alle partners bijbrengt dat iedereen in hetzelfde schuitje zit. Als je dat voor elkaar krijgt ben je al heel ver. Partijen moeten elkaar respecteren in wat ze aan bijdrage leveren, maar ook in wat ze niet kunnen leveren. Zie het verhaal van Justitie waar teveel van verwacht wordt. Maar ook ten aanzien van het Stadsdeel zijn de verwachtingen vaak te hoog. Men verwijt het Stadsdeel traagheid, maar vergeet dat het deels een politieke en deels een ambtelijke organisatie is. Dat vergt veel afstemming en duurt lang. Als alle partijen die beperking erkennen dan ben je ook al weer een stap verder. ' Balci: 'Alle partijen zitten om de tafel, maar er is een bepaalde voorzichtigheid, angst. Er zou ondersteuning moeten zijn om die voorzichtigheid weg te nemen.' Zuiver: 'In samenwerkingsverbanden kunnen de sterke schakels, de zwakke ook meetrekken. De partij die regie voert moet goed weten welke kant het op moet en langs welke weg, die moet een visie hebben, want een regisseur zonder visie is de zwakke schakel. De regisseur moet ook nadenken over de bindende factor voor de partijen. Als je dat duidelijk hebt, en je kunt op elkaar steunen in de uitvoering, dan kom je een KennisNetwerk Amsterdam - 13 - verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Emile Jaensch, voorzitter DB stadsdeel oud Zuid stap verder.' Thesingh: Het gaat er niet zozeer om wie de sterke en de zwakke schakel is in de samenwerking. Elke schakel heeft z'n eigen kracht en het gaat erom die sterkte zoveel mogelijk te benutten. Partijen moeten elkaar ook de ruimte geven en elkaars rol en positie erkennen.' Jaensch: 'Een regisseur hoeft niet de baas te spelen, maar af en toe is het wel nodig dat hij optreedt. Bijvoorbeeld als er bij een van de partijen ondercapaciteit is, waardoor afspraken niet kunnen worden waargemaakt. Dan moet de regisseur ingrijpen. De regisseur moet ook de overlap tussen partijen eruit halen.'. Ederveen: 'Samenwerking begint met vertrouwen in elkaar. Zo'n cultuur creëren heeft echt tijd nodig. Communicatie Naast samenwerking, viel tijdens de bijeenkomst ook regelmatig de term communicatie. Duidelijk werd wel dat er op dit gebied in de Diamantbuurt het een en ander was fout gegaan. Hoe zou het wel moeten? Van den Berg: 'Je moet voortdurend laten zien welke maatregelen je hebt genomen, waar die worden uitgevoerd, hoe lang ze duren, etc. Contact met bewoners moet je niet alleen hebben door middel van buurtvergaderingen, werkgroepen, klankbordgroepen, etc. Je moet ook incidentele bijeenkomsten houden waarbij je weer een heel andere doelgroep bereikt van mensen die niet willen vergaderen maar wel iets kwijt willen. Je moet dus een gedifferentieerd communicatieaanbod hebben'. Bewoner: 'Ik proef hier toch uit dat bewoners gezien worden als kleine kinderen voor wie van alles gedaan moet worden. Ik pleit ervoor organisaties, bewoners en politiek als gelijkwaardige partners te zien die een belang in de buurt hebben. Als je het over communicatie hebt is het vooral belangrijk dat er regelmaat is, dat er een vaste plek is waar mensen bij elkaar kunnen komen. Er moet een structuur zijn en dan maakt het niet zoveel uit hoe die er uit ziet. In buurten waar zo'n overlegstructuur is komen duidelijk minder problemen voor.' Wilma Wassenaar was het wel eens met de opvatting dat enige structuur waar bewoners hun zegje kunnen doen nodig is, maar wees ook op de beperkingen ervan. 'In Zuidoost zijn er overal dit soort wijkoverleggen maar die worden vooral door een kleine groep oudere autochtone bewoners bezocht die er al heel lang wonen. Daar is niets mis mee, maar 80% van de bevolking is zwart en die wordt niet door deze groep vertegenwoordigd. In een wijkoverleg wordt soms de illusie gecreëerd dat deze groep over van alles een visie en mening kan hebben. Het draagvlak is echter zeer beperkt. We zoeken voortdurend naar manieren om ook die andere bewoners erbij te krijgen. Samenvattend Aan het eind van het debat zette Peter Lankhorst de belangrijkste vaststellingen nog eens op een rij: 'We hebben vast kunnen stellen dat de samenwerking tussen verschillende partijen in de Diamantbuurt onvoldoende was. Dit terwijl samenwerking onontbeerlijk is wil er sprake zijn van een integrale aanpak bij een zo complexe kwestie als deze: een grote groep jongeren van allochtone afkomst die stelselmatig overlast bezorgt. Het zwakke punt was vooral het gebrek aan daadkracht, dat er wel afspraken over die samenwerking bestonden, maar dat niemand zich hield aan die afspraken. Kennelijk weegt de eigen verantwoordelijkheid voor individuen en hun organisaties dan niet zwaar genoeg om zelf het voortouw te nemen en aan de slag te gaan. Het blijkt gemakkelijker een intentie tot samenwerking uit te spreken dan die daadwerkelijk uit te voeren. Al was het maar omdat er verschillende geldstromen zijn waaruit partijen worden gefinancierd, of omdat sommige partijen ook afhankelijk zijn van de overheid die als regisseur soms de baas wil spelen. Overigens mag na vanmiddag geconcludeerd worden dat die overheid terecht de regisseursrol opeist, zij kan de meeste betrokken organisaties binden. En dat die rol ook inhoudt dat de overheid als het nodig is optreedt. Uit de discussie is verder nog eens duidelijk geworden dat er een heldere structuur nodig is waarin duidelijk is wat ieders rol en verantwoordelijkheid is. Dat geldt zeker ook binnen de overheid waar meerdere sectoren van de ambtelijke organisatie een rol spelen en de bestuurders telkens weer de maat wordt genomen door KennisNetwerk Amsterdam - 14 - verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 de buitenwacht. Doordat meerdere sectoren ctoren van die overheid meedoen schiet coördinatie op buurtniveau tekort. Er is behoefte aan een stereen kere aansturing, mensen met bevoegdheden en ruimte om te kunnen doen wat nodig is. Maar ook met een passende structuur en bemensing ben je er nog niet. Een cultuur van vertrouwen in elkaar en erkenning van elkaars positie, een besef dat men elkaar nodig heeft en de wil om er gezamenlijk iets van te maken zijn andere absolute voorwaarden voor succes. Als het belang van het werk en de urgentie van de actie vervolgens niet binnen de betrokken organisaties tot op de werkvloer wordt beleefd stoelt de samenwerking op een zwakke bodem. &quot;Samen de schouders er onder' dient het motto te zijn en als er al een zwakke schakel in de samenwerking is, dan zullen de andere partners die op sleeptouw moeten nemen. De zwakste schakel kan overigens variëren is de ervaring, bijvoorbeeld een reorganisatie bij een van de partners kan de inbreng van zo'n organisatie tijdelijk bemoeilijken. De regie moet blijvend alert zijn op kwaliteit en continuïteit in de samenwerking en er verder op toezien dat uitvoerders regelmatig met elkaar rond de tafel zitten. Want als het mis gaat in de buurt moet je op elkaar kunnen terugvallen, is de les uit Amsterdam-West1. Meerdere malen is vanmiddag ook vastgesteld dat communicatie van wezenlijk belang is. Op de eerste plaats binnen de eigen organisatie, maar natuurlijk ook tussen de partners. En communicatie met de bewoners uiteraard. Je moet voortdurend laten zien wat je aan het doen bent en welke maatregelen je hebt genomen. Regelmatig overleg en contact met bewoners lijkt in dit verband cruciaal en dat vereist meerdere vormen van organisatie en participatie van bewoners. Dat voorkomt dat groepen buitengesloten raken, maar ook dat schreeuwers de overhand krijgen. In een regelmatig contact met bewoners houd je de vinger aan de pols en kan gebruik gemaakt worden van meer constructieve krachten in de buurt Als het dan toch fout gaat in de buurt is er een kanaal waarlangs het ongenoegen kan worden geuit. Dat ongenoegen kan ook beter z'n weg vinden als bestuurders en professionals de mensen kennen van allochtone en autochtone organisatie in de buurt. Want goed besturen is ook elkaar kennen en gekend worden. Dat geldt overigens evenzeer voor bewoners onderling en bewo- ners en ouders! Deze laatste groep krijgt recent vanuit het stadsdeelbestuur extra aandacht. In de Diamantbuurt is de samenwerking inmiddels beter op de rails, mede dankzij de projectmanager. Het blijkt dat een dergelijke functionaris met mandaat essentieel is voor de sturingskracht van de regisserende partij. De vraag is wel hoe je er voor zorgt dat het ook in andere buurten die samenwerking een stevige structuur krijgt en het vertrouwen van de buurt. De samenwerking in de buurten lijkt verder te zijn dan pakweg tien jaar terug, maar dat betekent niet dat bestuurders nu achterover kunnen gaan leunen. Ze moeten de urgentie ervan blijven zien.' Tot slot van deze middag wees Lankhorst op de KennisNetwerkbijeenkomst van 5 oktober waar Pieter Winsemius praat over het rapport Vertrouwen in de buurt. 'Warm aanbevolen' aldus Lankhorst want het gaat over alle punten die hier vanmiddag zijn besproken. Hans van der Jagt 1 In Amsterdam Oud-Zuid bestaat een casuïstiekoverleg met een brede samenstelling van politie, justitie en jeugd(zorg)instellingen, maar geen regelmatig breed overleg van zogenoemde `frontliners' op het niveau van het stadsdeel KennisNetwerk Amsterdam - 15 - verslag discussie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Enkele conclusies Jongeren en overlast, case Diamantbuurt is een voorbeeld van een maatschappelijke kwestie waar een veelheid aan actoren bij betrokken is, organisaties die samen op moeten trekken wil er voldoende uitzicht zijn op succes: een, voor de direct belanghebbende bewoners, ouders, jeugd, voldoende leefbare omgeving. Het vertrek van Bert en Marian, de aandacht hiervoor in de media, de noodgedwongen bemoeienis vanuit de centrale stad in de persoon van burgemeester Cohen, het bezoek van wethouder Aboutaleb, maakten dat de wijze waarop de overlastbestrijding onder regie van het stadsdeel werd uitgevoerd onder een vergrootglas kwam te liggen en allerlei onvolkomendheden en tekortkomingen in de aanpak en de samenwerking in dat verband aan het licht kwamen. &gt; het stadsdeel als regisseur De verantwoordelijkheid voor een sociaal veilige woonomgeving is in Amsterdam gedecentraliseerd naar het niveau van de stadsdelen. Het stadsdeelbestuur vertegenwoordigt op buurtniveau de overheid met al haar middelen en lijkt daarmee de aangewezen partij om het voortouw te nemen en de regie te voeren over de aanpak van overlast in een gebied als de Diamantbuurt. Als regisseur op het terrein van overlast in het publiek domein is het stadsdeel dan verantwoordelijk voor het te voeren beleid, maar daarbij afhankelijk van de medewerking van andere partijen zonder dat zij deze partijen direct kan sturen. Regisseur zijn betekent in dit geval dan het hanteren van een mix van verleiding dan wel sturing van partijen en dat impliceert een bepaalde bestuursstijl en sturingsfilosofie: goed weten waar je naar toe wilt, langs welke weg daar aan gewerkt moet worden met welke partijen en zorgdragen voor binding en duidelijkheid in de aansturing. Uiteindelijk moet je de regierol verdienen. &gt; het bouwen aan samenwerking rond leefbaarheid Samen werken aan de leefbaarheid van een gebied is een complex en dynamisch proces. Het vraagstuk overschrijdt het belang en de mogelijkheden van een individuele partij, het vraagt om een vorm van collectieve actie en dan schiet een middel als `planning en control' tekort. De complexiteit zit `m in de deelname van meerdere, onderling van elkaar verschillende partijen: corporaties, stadsdelen en hun bestuurders en ambtelijk apparaat, bewoners met heel verschillende achtergronden, professionele organisaties die ondersteunend werken voor georganiseerde bewoners. De terugblik op het incident Diamantbuurt leert dat een dergelijke configuratie hoge eisen aan de organisatie van de samenwerking, aan randvoorwaarden en condities, maar ook aan de wil bij de betrokkenen om, al werkende, te leren. Samenwerken tussen individuen, organisatie-onderdelen en organisaties in een keten komt dan neer op het erkennen van gezamenlijke belangen, het bewaken van de eigen professionaliteit en het organiseren van adequate berichtgeving. Om in het proces uitzichtloos `gepolder' te voorkomen is het essentieel dat partijen van meet af aan bouwen aan een gezamenlijke agenda, het eens zijn over de gewenste situatie, de te volgen strategie (waaronder de betrokkenheid van bewoners en ouders en de daarvoor in te zetten faciliteiten), de partnerkeuze en de in te zetten middelen. Hoe meer van dergelijke punten worden gedeeld (zogenoemde Gemeenschappelijke Vertrek Punten, GPV's) des te groter is het uitzicht op succes van de aan te pakken kwestie. Om het proces in goede banen te leiden mag een krachtenveldanalyse niet ontbreken. Daarmee wordt in een vroeg stadium zicht verkregen op risico's en op de bevorderende en belemmerende krachten in het veld zoals in dit geval bijvoorbeeld de betrokkenheid van een moeilijk bereikbare groep van bewoners/ouders. Procesmanagement is in dit geval een onontbeerlijke voorziening. &gt; bewoners en hun belangen De positie van bewoners is die van belanghebbende bij een (sociaal) veilige woonomgeving. In een aantal gevallen zijn bewoners ook ouders van jongeren die de overlast veroorzaken. Beide partijen moeten elkaar op enigerlei wijze vinden in het belang van een leefbare buurt. Daarvoor is contact en uitwisseling nodig. De gebeurtenissen in de Diamantbuurt hebben nog eens extra duidelijk gemaakt hoe belangrijk het is dat bewoners elkaar kennen en gekend worden. Enige vorm van interactie tussen bewoners en een gedeeld normbesef van het gebruik van het publiek domein is een fundamentele voorwaarde voor een leefbare buurt. In het geval van de Diamantbuurt ging het van meet af aan om een groep bewoners, waaronder Marokkaanse ouders die maar moeilijk te bewegen waren om gezamenlijk op te trekken. Professionele ondersteuning van dit proces door opbouwwerkers is dan een must. Dergelijke functionarissen dienen dan de ruimte krijgen om bruggen te bouwen bijvoorbeeld met behulp van een methodiek als mediation. KennisNetwerk Amsterdam - 17 - conclusies Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Bijlage I: Do's van ketenregie Regisseren is ook delen (win-win situaties realiseren) o Regisseren is wat anders dan dominant gedrag vertonen en alles voorkauwen o Zorg wel voor één duidelijke eindverantwoordelijke met mandaat en bevoegdheid. Visie en resultaten geformuleerd o Houdt steeds scherp voor ogen met wie u wat wilt bereiken (prioriteiten) o Zorg voor gedeelde probleempercepties en een gedeelde agenda! Draagvlak creëren en houden (alert blijven) o Zorg er voor dat politiek/bestuurlijk voldoende draagvlak is en blijft. Zij zorgen immers voor het meeste geld voor samenwerking en uitvoering o Houdt ook het gevoel van urgentie bij bestuurders en professionals hoog! Wees realistisch en zakelijk: o Zorg voor deelname van de juiste partners om het probleem aan te pakken o Maak met hen duidelijke en haalbare afspraken over resultaten, het primaire proces en kwantiteit en kwaliteit van de leveranties. Blijf niet steken in discussies. Proces o Benader de samenwerking als een langdurig verbeterproces waarbij partijen kansen zien om het steeds beter te doen. o Werk samen in korte verbeterrondes aan vernieuwing om de motivatie hoog te houden. Dus regelmatig evalueren! Zorg ook voor onderhoud! Focus op de klant (de jongere in dit geval) en op elkaars competenties o Ken allereerst het gedrag én de behoeftes van de doelgroep en houdt dit beeld scherp met de partners die waarde toevoegen. o Maak en houdt de partners vertrouwd met de kunde van andere partijen Enthousiasmeer o Richt u op sleutelfiguren (leiders, voorlopers) om belemmeringen in organisaties te doorbreken. Deze leiders moeten binnen de eigen organisaties zorgen voor draagvlak en beleving! o En vier de successen die worden behaald! Communicatie o Zorg voor open relaties en korte lijnen tussen professionals door (gedeelde) emaillijsten, databases, netwerkbijeenkomsten; website. o Zorg in het proces voor binding met alle betrokkenen (dus bij overlast ook bewoners en ouders betrekken!) KennisNetwerk Amsterdam - 19 - Bijlage I: Ketenregie Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Bijlage II: Lijst van deelnemers Naam 1 Steindl 2 Kluit 3 Luiten 4 Plas v.d. 5 Beaujon 6 Balci 7 Koobs 8 van Hienen 9 van Gijssel 10 Prins 11 v/den Berg 12 Zuiver 13 Thesing 14 Paree 15 Witteveen 16 Kadour 17 El Ghalbzouri 18 Tjin a Lim 19 Bos 20 Nimmermeer 21 Jaensch 22 Benlafkih 23 Nelissen 24 van Nierop 25 Koomen 26 Swaab 27 Ris 28 Groenteman Voornaam Functie Gaby Jan Willem Hans Sander Emma Ahmet Herbert Joost Ineke Jeanette Douwe Hans Lieke Paul Joke Omar Idriss Miriam Nina Guno Emiel Mohammed Marieke Meisje Ieke Len Jeanette Hanne Elise Sectorhoofd Jongerenwerk Coördinator buurtbeheer Coördinator Ketenunit Jeugdcoördinator Wijkcoördinator NP Procesmanager Directeur Portefeuillehouder Hoofd WOS Communicatie medewerker Jongerenwerk Jongerenwerk Projectmedewerker Cinetol Medewerkster participatie Beleidsmedewerker Voorzitter DB Medewerker Buurtbewoonster Seghers Kwartier Sociaal beheer Coördinator Quellijn Wijkcoördinator Gebiedsregisseur Participatie OZ Projectleider Jeugd Opbouwwerker Manager sociaal beheer Voorzitter DB Organisatie Wijkcentrum Ceintuur AWV e-mailadres g.steindl.nmt@wijkcentrumceintuur.nl jwkluit@awv.nl Bos en Lommer H.luiten@bosenlommer.amsterdam.nl Politie Amsterdam/Amstelland Combiwel e.beaujon@combiwel.nl Combiwel Combiwel Streetcornerwork Justitie Stadsdeel OZ Stadsdeel OZ Combiwel Stadsdeel OZ Stadsdeel OZ Stadsdeel OZ Combiwel Combiwel Combiwel Eigenhaard Stadsdeel Zuidoost Stadsdeel OZ streetcornerwork Jaensche@oudzuid.amsterdam.nl m.benlafkih@streetcornerwork.nl m.nelissen@xs4all.nl Ymere Combiwel Stadsdeel OZ AWV Politie i.v.nierop@ymere.nl l.koomen@combiwel.nl swaabj@oudzuid.amsterdam.nl hris@awv.nl a.balci@combiwel.nl buurtbeheer@combiwel.nl jooststreetzuid@planet.nl gijssel@amsarr.drp.minjus.nl PrinsJ@oudzuid.amsterdam.nl d.vandenberg@oudzuid.amsterdam.nl H.zuiver@combiwel.nl L.Thesingh@oudzuid.amsterdam.nl pareep@oudzuid.amsterdam.nl witteveenj@oudzuid.amsterdam.nl info@decommunityschool.nl i.elghalbzouri@combiwel.nl m.tjinalim@combiwel.nl n.bos@eigenhaard.nl Andere leden van het Kennisnetwerk 29 Dahmen 30 Ederveen 31 Heldring 32 Woudstra 33 Smakman 34 Deelen 35 Gersteling 36 Wassenaar 37 Muggen 41 Mendelson Maarten A.B.A.M. Daan Lo Ton Hans Fred Wilma Arjan Tineke Accountmanager Wonen Politie Coördinator Jeugd Distr. West Buurtbeheer Bestuurslid Wijkcoördinator Stadsdeel Zuideramstel Bewoonster Diamantbuurt Opbouwwerker Wethouder Opbouwwerk Noord maarten@dekadekrant.nl Stadsdeel Geuzenveld/ aederveen@geuzenveld.amsterdam.nl Slotermeer De Key dh@dekey.nl De Key lwa@dekey.nl Politie ton.smakman@amsterdam.politie.nl Amsterdam/Amstelland Impuls Hans.vandeelen@impuls.nl Wijkcentrum Ceintuur Stadsdeel Zuidoost bestuur@wijkcentrumceintuur.nl w.wassenaar@zuidoost.amsterdam.nl arjan.muggen@zuideramstel.amsterda m.nl KennisNetwerk Amsterdam - 19 - bijlage II: lijst van deelenemers Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Bijlage II: Lijst van deelnemers -vervolgOrganisatie 42 Lankhorst 43 Bouwman 44 Martens 45 Maars 46 van der Jagt Peter Ton Gelske Jaap Hans Gespreksleider Programmaleider Programmabureau Fotograaf Verslaglegging KNA KNA KNA KNA KNA Peterlkh@dds.nl tbouwman@matrix-experts.nl gmartens@matrix-experts.nl foto.jaapmaars@planet.nl hansvanderjagt@quicknet.nl KennisNetwerk Amsterdam - 20 - bijlage II: lijst van deelenemers Openbare les &quot;Jongeren en overlast&quot; Case Diamantbuurt 29 september 2005 Bijlage III: literatuur Bosch, van den. L., De aanpak van problematische jeugdgroepen, Ervaringen uit Amsterdam West, Amsterdam (jaar niet bekend) Bruijn de, H., Heuvelhof ten, E., Veld in `t, R., Procesmanagement, Over procesontwerp en besluitvorming, in: Bedrijfskundige signalementen, Academic Service, Schoonhoven 2002. Ferwerda, H.B., De Diamantbuurt, De aanpak gebundeld, Advies- en Onderzoeksgroep Beke, Amsterdam, 5 januari 2005 Meindema, Th., Waar resultaten tellen, Result-Based Accountability in de Verenigde Staten, NIZW, Utrecht, november 2000 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Ruimte voor regie, handreiking voor ketenregie in het openbaar bestuur, Den Haag, oktober 2003 Prins, P., De gemeente als regisseur van wijkgericht sociaal beleid, Een praktische handleiding voor wijkgerichte beleidsconstructie en ­controlling in de sociale sector, in: Matrix-Reeks, deel 1, Elsevier, Den Haag 2002 Prins, P., Sturing en stimulatie van samenwerking in de sociale sector, Gemeentelijke regie bij het samenwerken van organisaties: jazz of klassiek? in: Matrix-Reeks, deel 2, Elsevier, Den Haag 2002 Termeer, C., Königs, M., Vitaliserend procesmanagement, in: Bestuurskunde, nummer 6 jaargang 12 2003 KennisNetwerk Amsterdam - 23 - bijlage III: Literatuur Colofon Teksten: Ton Bouwman, Matrix Partners en Hans van der Jagt, Bureau Kwartslag Eindredactie: Ton Bouwman Foto's: Arjen Vet Opmaak: Huib Akihary, ASW Uitgave: KennisNetwerk Amsterdam Programmaleiding en Secretariaat: Ton Bouwman en Gelske Martens Matrix Partners WG-Plein 460 1054 SH Amsterdam T: 020-5892907 E: kennisnetwerk@hetnet.nl Bestuurssecretariaat: Riekje van Albada Nieuwezijds Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T: 020-5230151 E: kennisnetwerk@hetnet.nl www.kennisnetwerk-amsterdam.nl");sQ1[23]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/cah24.pdf","Inleiding","","&quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; Werkbezoek Vrouw en Vaart Verslag van 17 november 2005 Cahier 24 KennisNetwerk Amsterdam Amsterdam, December 2005 Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 Inhoud: Inleiding Verslag werkbezoek Bijlagen Bijlage I: Samenvatting van Empowerment, over laten en doen Mei Li Vos en Karin van Doorn Bijlage II: Lijst van deelnemers Bijlage III: Literatuur 13 16 17 3 5 Colofon KennisNetwerk Amsterdam -2- Inhoudsopgave Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 Inleiding Empowerment Empowerment is een proces gericht op het versterken van iemands greep op zijn omgeving. Vanuit dat oogpunt zijn moeder- kindcentra inmiddels geziene instrumenten van de sociaal economische peiler in de stedelijke vernieuwing. Deze centra worden bezocht door vrouwen tussen de 20 en 70 jaar, in meerderheid van niet-Nederlandse afkomst of met een dubbele nationaliteit. Een ander kenmerk van de bezoeksters is weinig opleiding en doorgaans een bescheiden inkomen of ze zijn aangewezen op de bijstand. In deze centra worden vrouwen, o.a. aangemoedigd om gebruik te maken van eigen talenten. Dit is pas mogelijk als die talenten en interesses zijn opgespoord en ontmoeting heeft daarbij een belangrijke functie. Verder zijn zelfvertrouwen ontwikkelen, een sociaal netwerk opbouwen en initiatieven mogelijk maken buiten de `eigen' kring, belangrijke punten. Vrouwen komen zo op ideeën, waar ze anders niet opgekomen zouden zijn. De kracht van nieuwe ontmoetingen en de macht van het netwerk worden hier gecombineerd dankzij de vertrouwde omgeving van een eigen centrum. De omgeving, de buurt Vrouwen zijn een belangrijke kracht in de buurt. Empowerment van vrouwen heeft maatschappelijke dynamiek tot gevolg en is van invloed op de sociale cohesie. Maar er zit een adder onder het gras, als individuele vrouwen aangemoedigd worden zich te ontwikkelen en dit zelf doorzetten, heeft dat gevolgen voor hun leefomgeving. Die omgeving is weerbarstig, vaak conservatief en doorgaans niet erg ontvankelijk voor verandering. Het ontwikkelen van grip is iets van lange adem en doorzettingsvermogen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat het faciliteren van emancipatie ten bate van bepaalde groepen eigenlijk alleen duurzaam en effectief is als er ook aandacht besteed wordt aan de factoren die bepalend zijn (de macht hebben) in de omgeving van die groep. Met andere woorden: inzetten op sociale vernieuwing in een bepaalde buurt via empowerment van vrouwen vraagt naast aandacht en ondersteuning van die vrouwen ook om investeringen gericht op de leefomgeving, in ieder geval op de plekken waar de macht geconcentreerd is. In veel situaties waar gewerkt wordt aan het bestrijden van achterstanden bij vrouwen hebben mannen de macht. Vraagt investeren in empowerment van deze groep vrouwen daarmee ook om speciale aandacht voor de mannen en zo ja, hoe pakken we dat aan en hoe bereiken we die groep? Heeft het bestuur of het stadsdeel hier een verantwoordelijkheid in en hoe ziet die er uit? Het bestuur, de stadsdelen Voor de overheid is empowerment een sturingsprincipe, een strategie om de samenleving in staat te stellen gedeelde politieke en maatschappelijke doelstellingen te bereiken. Belangrijke condities voor het slagen van deze aanpak zijn mondige consumenten en voldoende informatie. Verantwoordelijkheden herverdelen, een belangrijk principe van empowerment, kan pas als kennis en vaardigheden aanwezig zijn zodat verantwoordelijkheden gedragen kunnen worden. Hoe kun je grip op je omgeving krijgen als je onbekend bent met de dynamiek en mogelijkheden van die omgeving? Empowerment werkt pas als instrument als er iets te empoweren valt en dat is zo als er kennis en macht is en een gezamenlijk probleem gevoeld of ervaren wordt. Zonder `personal itch', lijkt empowerment een kansloos instrument. Daar waar `zelf' een probleem ervaren wordt KennisNetwerk Amsterdam -3- Inleiding Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 is het zinvol om mogelijkheden en ruimte te bieden zodat `een eigen oplossing' binnen bereik kan komen. Deze aanpak vereist lef bij bestuurders, die moeten durven loslaten en accepteren dat ze minder zeggenschap hebben over maatschappelijke processen, een overheid die verantwoordelijkheid neemt om verantwoordelijkheid te geven. Zonder herverdeling van verantwoordelijkheden geen empowerment, lijkt het. De vraagstelling Wat moeten we doen om vrouwen uit een buurt met weinig sociaal en economisch perspectief, grip te laten krijgen op die omgeving en waarom is dat belangrijk. Hoe kunnen we dit proces van empowerment versterken? Welke inspanning zijn vanuit de verschillende partijen (burgers, overheid, ondersteunende instanties) gewenst? Welke aandacht vraagt deze ontwikkeling voor de omgeving en wordt er voldaan aan de voorwaarden (voldoende kennis en kunde en gevoel van urgentie)zodat dit instrument succesvol kan zijn? Met medewerking van Joke Kop, coördinator van Vrouw en Vaart Edien Bartels, hoofddocente sociale wetenschappen aan de Vrije Universiteit Malica al Fahmi, partner bij het Bureau voor Maatschappelijke Ontwikkeling Wij wensen u veel leesplezier! De samenstellers KennisNetwerk Amsterdam -4- Inleiding Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 Ton Bouwman spreekt zaal toe © Jaap Maars Fotografie Op bezoek bij Vrouw en Vaart in Osdorp De inzet van vanmiddag is om uw visie, ideeën en toepassingsmogelijkheden over empowerment te verdiepen. Met deze woorden opende Ton Bouwman, programmaleider van het KennisNetwerk de bijeenkomst in Vrouw en Vaart, een van de vrouwencentra in de stad.1 Hij memoreerde aan het belang dat de overheid meer recent stelt in deze centra en het beleidsconcept van `empowerment'. Het levert de volgende vragen op waar we deze middag een antwoord op proberen te vinden: Hoe werkt het in Vrouw en Vaart? Hoe gaat dat met het vergroten van sociaal kapitaal van de bezoeksters? Wat komen de vrouwen tegen op deze weg? Wat stimuleert hen? Zijn er blokkades, belemmeringen? Hoe gaat het buiten? Lukt het met de participatie in de omringende samenleving, met meer betrokkenheid van vrouwen bij buurtorganisaties, bij de stedelijke vernieuwing? En last but not least, hoe zit het met de bestaande machtsverhoudingen in eigen kring en daarbuiten? In essentie gaat het volgens Bouwman deze middag om meer zicht te krijgen op het begrip `empowerment' en de manier waarop vrouwen in een vrouwencentrum voldoende kracht verzamelen en deze vervolgens om weten te zetten in participatie in de eigen omgeving op 1. Op 20 oktober 2003 opende het ontwikkelingscentrum Vrouw en Vaart officieel haar deuren. Een groep vrouwen uit Osdorp heeft samen met het stadsdeel hard gewerkt aan de komst van het centrum. Vrouw en Vaart is een plek waar vrouwen terecht kunnen die in zichzelf willen investeren, willen leren, baas willen worden over hun eigen leven, hun eigen geld willen verdienen, andere vrouwen willen ontmoeten. Dat alles in een vertrouwde en veilige omgeving. KennisNetwerk Amsterdam -5- Verslag werkbezoek Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 gebieden van de woonomgeving, onderwijs en werk. 'Investeer langdurig in de vrouwen van de westelijke tuinsteden' Twee jaar geleden kreeg Joke Kop van Stadsdeel Osdorp de opdracht om, samen met de reeds bestaande vrouweninitiatieven en -organisaties, een vrouwencentrum op te zetten. Voornaamste doelstelling: de maatschappelijke positie en zelfredzaamheid van de vrouwen in Osdorp vergroten. Tijdens de bijeenkomst van het KennisNetwerk, hield Kop, inmiddels coördinator van Vrouw en Vaart, een korte inleiding over het belang en de kracht van het centrum. Vanaf het allereerste begin, in september 2003, werd Vrouw en Vaart druk bezocht, vertelde Joke Kop. 'Het was meteen duidelijk. Hier in Osdorp hebben de vrouwen jarenlang iets moeten ontberen. Maar wat dan? Een plek om thee of koffie te leuten en lekker ter roddelen? Of een vrouwvriendelijke omgeving, zonder mannen en dus aantrekkelijk voor de grote groep islamitische vrouwen in Osdorp.' Hoe het ook zij, de behoefte aan een eigen plek voor vrouwen blijkt erg groot, ook onder niet-islamitische vrouwen, concludeerde Kop. Eerste stap Wekelijks komen er gemiddeld driehonderd vrouwen naar Vrouw en Vaart, waarvan velen meerdere keren per week. Kop: 'Hier stappen ze zonder schroom naar binnen. Het is een prachtige laagdrempelige plek waar ze zo nodig worden verwelkomd in hun eigen taal. Vrouwen ontdekken hier dat andere vrouwen precies dezelfde problemen hebben. Problemen die vaak opgelost kunnen worden door er over te praten met andere vrouwen. En als de problemen groter blijken, dan wordt de hulp van professionele organisaties gezocht, zoals maatschappelijk werk, sociale raadslieden of schuldhulpverlening.' Volgens Joke Kop is Vrouw en Vaart voor velen de eerste stap naar buiten. In het centrum kunnen ze een begin maken met Nederlandse taallessen en vervolgens doorstromen naar andere cursussen, zoals computerlessen, conversatielessen of zelfs vrijwilligerswerk. 'Uit de cijfers blijkt dat zeker de helft van de vrouwen doorstromen binnen Vrouw en Vaart. Dat is belangrijk als je bedenkt dat tot voor kort de doorstroom vaak niet haalbaar was voor deze vrouwen omdat het vervolgonderwijs buiten het stadsdeel werd gegeven en kinderopvang niet geregeld was. Gelukkig zijn die mogelijkheden door de gelden van &quot;10.000 voor Taal&quot; een stuk groter geworden.' Kop vertelde dat met name de reïntegratiepartners van de Sociale Dienst blij zijn met Vrouw en Vaart omdat het een veilige plek is. 'Hier kunnen zij verder met hun klanten die vaak een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt en niet of nauwelijks betrokken zijn bij de Nederlandse samenleving. In Vrouw en Vaart kunnen deze vrouwen deelnemen aan activiteiten als conversatie, sport, computerles, of leren ze fietsen als eerste stap naar participatie.' Zelfvertrouwen Naast het cursusaanbod, biedt Vrouw en Vaart veel mogelijkheden om werkervaring op te doen als vrijwilliger, vertelde de coördinator. 'Vrouwen ontdekken in Vrouw en Vaart hun capaciteiten en gaan ermee aan de slag. Bijna al het werk wordt hier door de vrouwen zelf gedaan. Bij al die activiteiten hebben vrijwilligers hun eigen verantwoordelijkheden. Daarmee vergroten ze hun zelfvertrouwen enorm.' Vrouwen die zover nog niet zijn, krijgen de kans zich te ontwikkelen in empowermenttrainingen. Het is de bedoeling dat zij daarmee kunnen doorstromen naar scholing en werk, maar dat gaat nog uiterst moeizaam, vertelde Kop. Ze zei te hopen dat er in de toekomst meer van dit soort trainingen kunnen worden aangeboden, het liefst nog meer op maat. 'Er zal nog meer en langduriger geïnvesteerd moeten worden in de vrouwen van de westelijke tuinsteden. Zodat alle vrouwen zichzelf in hun tempo kunnen ontplooien en naar school kunnen gaan en betaald werk kunnen vinden.' Of de politiek gevoelig is voor deze oproep, moet worden afgewacht. Duidelijk is al wel dat Vrouw en Vaart kan blijven rekenen op sympathie en financiële steun van het Stadsdeel Osdorp. Kop: 'Wegens succes mogen wij nog vijf jaar doorgaan met het empoweren van de Osdorpse vrouwen. Vanaf april volgend jaar zelfs in een splinternieuw pand. Wie kan ons dat navertellen in NieuwWest? KennisNetwerk Amsterdam -6- Verslag werkbezoek Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 Kennismaken aan de ronde tafel Vervolgens ging het gezelschap aan een vijftal tafels in gesprek met bezoeksters van het centrum. Er werd levendig van gedachten gewisseld over de motieven en verwachtingen van deelneemsters om het centrum te bezoeken. 'Bij empowerment zijn ook de mannen nodig' Edien Bartels, hoofddocente sociale wetenschappen aan de VU, hield een inleiding over empowerment in breder perspectief. Bartels deed veel onderzoek in Tunesië en Marokko, maar ook onder Turkse en Marokkaanse migrantenvrouwen in Nederland. Vorig jaar nog deed ze onderzoek naar vrouwen die door hun man worden achtergelaten in het land van herkomst en naar gebroken huwelijken. De situatie van die vrouwen kan ons veel leren, onder andere over empowerment, vertelde Bartels. Ze begon haar beschouwing over empowerment met een nadere aanduiding wat zij onder dit begrip verstaat. 'Empowerment is een breed begrip dat voor alles en nog wat wordt gebruikt. Bij Google krijg je 146.000 items op deze term. Je kunt het zo gek niet noemen, of het kan binnen empowerment worden geplaatst. Zelf baseer ik me daarbij op wat Yamel Mazraoui op zijn website schrijft. Bij empowerment gaat het om zelfactualisatie en volledig burgerschap, zegt hij. Het eerst gaat uit van het individu dat actief is in het hier en nu. Het tweede deel, volledig burgerschap, slaat op participatie in de samenleving, maar dan ook weer als individuele burger. De vraag is of je empowerment als een zo individualistisch ingekleurd begrip kunt toepassen op vrouwen die naar een centrum als Vrouw en Vaart komen. Gaat het dan om individuen of om groepen? 'Annemarie Halsema en Gaby Jacobs hebben in hun onderzoek 'Over kracht gesproken, empowerment en diversiteit in zorg en welzijn', gekeken naar de wijze waarop empowerment gestalte krijgt in het werken met migrantenvrouwen die chronische klachten hebben. Centrale vraag is of empowerment aansluit bij de geleefde werkelijkheid en de vragen en behoeften van vrouwen zelf. Hoewel in dit onderzoek wordt gewerkt vanuit een diversiteitsperspectief, ontbreekt er toch nog iets. Dat is de leefwereld waar vrouwen zelf in verkeren en dan bedoel ik niet zozeer de culturele achtergrond, maar de relaties die ze hebben. De vraag is of je ook niet moet kijken naar de relaties die vrouwen onderhouden met hun directie omgeving, met hun vrouwen en kinderen. 'De letterlijke betekenis van empowerment is: krachtig en machtig maken in de eigen situatie. Dat kun je niet allen vanuit mensen zelf bekijken, maar daarin moet je ook hun relaties meenemen. De vraag is dan wat de kracht en macht is in een relatie tussen mensen. Het antwoord is heel eenvoudig: macht is in wezen het uitoefenen van invloed van de een op de ander. Hoe je het ook bekijkt, mensen oefenen in hun onderlinge relaties invloed uit op elkaar. Maar die wederzijdse beïnvloeding blijkt niet altijd even groot. Soms heeft de een veel en de ander weinig invloed. Maar er is altijd wel een beetje invloed. Bij empowerment gaat het om het zoeken naar de machtsbalans. In Nederland heeft dit begrip een vervelende betekenis, maar gedefinieerd in termen van invloed ligt dat anders. Zelfs een kwetsbare baby heeft invloed en dus macht. Op die manier geformuleerd kan macht juist heel positief zijn. 'Bij empowerment in breder perspectief gaat het er dus om de wederzijdse invloed in balans te brengen. Waarmee ik terugkom op de positie van migrantenvrouwen. De meeste van hen leven in een gezinsverband. De eerste generatie migrantenvrouwen is niet in dit land opgegroeid en met de komst van importbruiden is die groep alleen maar toegenomen. We moeten ons goed realiseren dat deze vrouwen opgegroeid zijn in een cultuur waarin de manvrouwverhouding en de moederkindverhouding heel anders ligt dan in de westerse samenleving. In de landen van herkomst is het ideaal dat mannen zorgen voor het levensonderhoud en de vrouwen voor het huishouden en de kinderen. Ik noem het een model van 'harmonische ongelijkheid'. Bij harmonische ongelijkheid zijn de verantwoordelijkheden en de rollen duidelijk. Mannen en vrouwen hebben een ongelijke machtsbalans waarbij de speelruimte voor mannen aanzienlijk groter is dan die voor vrouwen. Voor vrouwen staat daar wel iets tegenover, namelijk KennisNetwerk Amsterdam -7- Verslag werkbezoek Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 geborgenheid. Overigens was de manvrouwverhouding in Nederland precies zo. Totdat in de jaren zestig hier de vrouwenemancipatie opkomt en vrouwen economische zelfstandigheid gaan eisen. De Nederlandse vrouw heeft de economische en sociale zekerheid die ze bij haar man vond ingeruild voor zelfbewustzijn en een gelijkwaardiger machtsverhouding. 'Je kunt zeggen dat migrantenvrouwen die hier naartoe komen een soortgelijke ontwikkeling doormaken. Alleen: de Nederlandse vrouwen hebben daar drie generaties overgedaan, terwijl migrantenvrouwen dat in een of twee jaar moet doen. Migrantenvrouwen moeten die stap niet allen heel snel zetten, ze zijn er ook niet op toegerust. In Nederland gekomen worden ze geacht zich zelfstandig te gaan bewegen, dat is een enorme stap. Ook voor de mannen betekent dit heel veel, ze moeten immers hun traditionele rol herzien. Ze moeten dulden dat er iemand naast hen staat die zich meer en meer als gelijkwaardige partner gaan zien. Dat betekent een verschuiving in de machtsbalans: mannen moeten speelruimte afstaan, vrouwen moeten meer speelruimte zien te winnen, totdat er voldoende evenwicht is. Sommige mannen zien die verschuiving als positief. Ze stimuleren hun vrouw meer naar buiten te treden, zich te ontwikkelen. Soms weten ze niet goed hoe ze dat aan moeten pakken. Andere mannen hebben problemen met de verschuiving in de balans en proberen die tegen te houden of ruimte terug te winnen. Vrouwen zelf erkennen dit probleem. Ze zijn meestal erg afhankelijk van de mannen omdat het verblijfsrecht van vrouwen die hier als importbruid zijn gekomen afhankelijk is van hun man. En soms kan de balans volledig doorslaan. Dan gebruiken mannen de afhankelijke status van hun vrouw als drukmiddel om hun machtsoverwicht te herstellen en laten ze hun vrouw volslagen rechteloos achter in het land van herkomst. Het gaat daarbij gelukkig om niet al te grote aantallen, bij Marokkaanse vrouwen naar schatting om zo'n 80 vrouwen per jaar. Maar het is wel een dreiging die je terugziet in relaties. Vrouwen blijven drie jaar op deze manier afhankelijk. In die jaren zet zich een patroon dat niet gemakkelijk meer is te veranderen. Na drie jaar kunnen vrouwen een onafhankelijke verblijfsvergunning aanvragen, maar dit wordt door mannen vaak gezien als motie van wantrouwen. Bovendien is het schreeuwend duur en voor gezinnen die van een minimuminkomen leven, een behoorlijke uitgave. 'Mijn conclusie is dat het is voor migranten- vrouwen erg lastig te zoeken naar een machtsbalans, ook al zij dat zelf graag willen en ook als we dat als Nederlandse graag zien. Wil je vrouwen dus werkelijk meer kracht en macht geven, dan heb je ook de mannen nodig.' In discussie Op de beschouwing van Edien Bartels over empowerment volgde een levendige discussie onder de circa vijfenveertig vrouwen die naar Vrouw en Vaart waren gekomen. Twee onderwerpen stonden daarbij centraal: Op de eerste plaats de vraag of vrouwencentra goede investeringen zijn om vrouwen meer kracht en meer macht te geven. Daarnaast de vraag of centra als Vrouw en Vaart bijdragen aan een grotere participatie van vrouwen in de samenleving. Beperkt bereik? Als eerste reageerde Malica al Fahmi van het Bureau voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Onafhankelijkheid van vrouwen heeft alles te maken met hun sociaal economische positie, stelde ze. 'Ik werk veel met vrouwen en elke keer merk ik weer dat vrouwen, nadat ze verschillende fasen hebben doorlopen van bewustwording en vaardigheden hebben ontwikkeld, 'naar buiten' willen. Vrouwen willen onafhankelijk worden, ook in economische zin. Op dit moment is daarvoor nog te weinig aandacht en zijn er ook te weinig mogelijkheden.' Magda van der Wees van het Amsterdams Buurvrouwen Contact: 'Wij geven Nederlandse les bij vrouwen thuis. Wat de kracht is van een centrum als Vrouw en Vaart is het groepsgebeuren. Vrouwen zien hier anderen die in dezelfde situatie zitten en dat is een feest van herkenning.' Maar andere deelnemers aan de discussie wezen op het beperkte bereik van de vrouwencentra. De ervaring van Barbera Pestana, klantmanager bij de Sociale Dienst, is dat vooral alleenstaande of gescheiden vrouwen er gemakkelijk hun weg naar toe vinden. Voor getrouwde vrouwen is het een stuk lastiger volgens Pestana. 'De vraag is hoe we deze groep kunnen ondersteunen. Ik denk dat dan ook de frustraties van mannen aangepakt moeten worden. Want ook zij komen in een nieuwe situatie en hebben aanpassingsproblemen.' Tijdens de discussie bleek dat op meer plekken in de stad gewerkt wordt aan de oprichting van vrouwencentra. Dat dit niet altijd even gemakkelijk gaat, bevestigde de coördinator van het Wijkservicepunt Sloterkade. Het is KennisNetwerk Amsterdam -8- Verslag werkbezoek Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 moeilijk om aan bestuurders duidelijk te maken dat er voor vrouwen een aparte plek nodig is, vertelde ze. Bestuurders zitten op de lijn van de integratie en willen mannen en vrouwen liefst samen. Voor veel vrouwen werkt deze aanpak niet, stelde de spreekster. Edien Bartels: 'Centra als Vrouw en Vaart bereiken veel vrouwen, maar ik ben bang dat ze de allerkwetsbaarste groep niet binnenkrijgen. Dat zijn de vrouwen die alleen in de moskee komen omdat dit de enige plek is waar ze naar toe kunnen, zonder dat mannen hier iets tegen kunnen hebben.' Yasmin Kaddour, coördinator van vrouwencentrum Mozaiek in de Baarsjes, was het met Bartels eens. Vooral de oudere traditionele vrouwen zijn moeilijk te bereiken, zei ze. 'Deze groep bezoekt wel massaal de moskee in de Baarsjes. Mijn ervaring is dat veel vrouwen zeggen dat ze wel naar een cursus willen, maar dat van hun man niet mogen. Ik ga dan altijd een gesprek aan met de partner, met zijn vrouw erbij. En ik merk dat, als je het tactisch brengt en de man niet in verlegenheid brengt, ze er toch wel open voor staan.' Volgens Kaddour zijn er overigens ook heel veel vrouwen die helemaal geen behoefte hebben om naar een vrouwencentrum of naar een cursus te gaan. En de mannen? Gespreksleider Ton Bouwman stelde de vraag of er vanuit Vrouw en Vaart ook actie wordt ondernomen naar de vrouwen die wel in de moskee komen, maar niet naar het vrouwencentrum durven of mogen. Hij wilde ook weten hoe de mannen worden betrokken. Volgens Rosana Navarro zoeken de vrijwilligers van Vrouw en Vaart de vrouwen in de moskee op en geven hier voorlichting over wat er in het vrouwencentrum gebeurt. Bij die gelegenheid worden meteen de mannen geïnformeerd over de activiteiten van het vrouwencentrum. Ook Ineke van Hooren, die als projectleider van DMO aan de wieg stond van Vrouw en Vaart, brak een lans voor een actieve benadering. 'Je moet vrouwen thuis opzoeken en ze van daaruit naar Vrouw en Vaart halen.' Volgens Elbert van Duijkeren, opbouwwerker in Osdorp, is het wel degelijk zinvol de mannen actief te betrekken. Het opbouwwerk ondersteunt ook de mannengroepen in de wijk, vertelde hij, hoewel het Stadsdeel niet zo'n voorstander is van die aparte benadering. Van Duijkeren vond het overigens te ver gaan om te pleiten voor een apart mannencentrum. 'Natuurlijk moet er geïnvesteerd worden in de mannen, maar een specifiek centrum voor mannen is een veel te zwaar middel.' Ook Ineke van Hooren was tegenstander van een 'Man en Vaart'. Mannen hebben volgens haar al zoveel mogelijkheden om naar buiten te gaan en dus de beschermende tussenfase van een apart centrum niet nodig. Maar Malica al Fahmi, wees op het succes van het Vadercentrum in Den Haag. 'Mannen moeten leren hun vrouw vrij te laten in haar ontwikkeling. Ze moeten ook gaan nadenken over zaken als opvoeding, de man-vrouw verhouding, etc. Zolang dat niet gebeurt, zullen ze als beren op de weg gaan liggen. Dan heb je als vrouw dus een probleem, want dan moet je kiezen, voor je gezin of je eigen ontwikkeling. De meesten zullen voor hun gezin kiezen.' Dympha Meijneken, beleidsadviseur van Stadsdeel Geuzenveld, wees op de verschillende manieren waarop vrouwen en mannen zich organiseren. In Geuzenveld is er geen vrouwencentrum, maar zijn er vrouwen- en mannenorganisaties die door het Stadsdeel worden gesubsidieerd. 'De mannen organiseren vooral losse activiteiten. Het lijkt soms meer op een padvindersclub met een leider die goed Nederlands spreekt en de rest die er achteraan hobbelt. Vrouwen zetten activiteiten op om zichzelf te ontwikkelen en zijn socialer naar elkaar.' Volgens Magda van der Wees (Buurvrouwen Contact), is een speciale benadering van de mannen niet per se nodig. Er gebeurt sowieso iets met de meesten, als hun vrouwen zich gaan ontwikkelen, was haar ervaring. 'Na een half jaar zie je niet alleen bij de vrouwen groei, je merkt ook vaak dat de mannen zijn meeveranderd.' Als je de mannen wilt motiveren, zul je de eerste generatie moeilijk bereiken, stelde een vrijwilliger van Vrouw en Vaart. Ze wees op de effecten van taallessen voor deze groep, maar stelde ook dat uitsluitend taalles, en dan ook nog maar voor een half jaar, niet voldoende zoden aan de dijk zet. Meer deelnemers aan de discussie wezen er op dat het verplichte half jaar taalonderwijs voor oudkomers veel te beperkt is. Volgens Frits Roos van het ROC, KennisNetwerk Amsterdam -9- Verslag werkbezoek Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 zijn de mogelijkheden echter groter dan vaak gedacht. Na de verplichte inburgering hebben nieuwkomers het recht om nog twee jaar door te gaan op het ROC, vertelde hij. Voor oudkomers is het aantal uren les inmiddels opgetrokken van 240 naar 300 uur. Ook zij hebben het recht om daarna door te gaan. Naar buiten Verschillende sprekers benadrukten dat taalles belangrijk is, maar dat het nog belangrijker is voor vrouwen dat ze na de taalcursus het Nederlands blijven gebruiken, omdat de opgedane kennis anders weer wegglipt. Vrouw en Vaart is daarvoor een prima gelegenheid. Maar volgens Ton Bouwman investeert de overheid niet alleen in het centrum omdat het een goede oefenplek is voor vrouwen die verder willen. 'De overheid steekt ook geld in vrouwencentra omdat ze hoopt dat vrouwen beter gaan participeren in de samenleving. Maar gebeurt dat ook? De gespreksleider kwam daarmee bij het tweede thema van de middag: draagt Vrouw en Vaart bij aan een grotere participatie van vrouwen in Slotervaart? Ineke van Hooren (DMO): 'Er zijn goede voorbeelden dat vrouwen vanuit dit centrum zich gaan bemoeien met hun omgeving. Zo werken vrijwilligers uit Vrouw en Vaart bijvoorbeeld mee bij de Sociale Dienst als tolk/bemiddelaar naar klanten. Ook bij het Migrantenplatform Gehandicapten werken vrouwen uit dit centrum. Die krijgen dus ook buiten de deur invloed.' Volgens Van Hooren is het essentieel dat vrouwen die actief worden in maatschappelijke organisaties goed begeleid worden. Daarvoor zijn meer middelen nodig, stelde ze. Ze suggereerde dat Vrouw en Vaart geld moet zien weg te halen bij de instellingen die van haar diensten gebruik maken, zoals CWI, UWV en de reïntegratiebureaus. Van Hooren: 'Bij die instellingen gaat heel veel geld om. Daarvan zie je hier maar weinig terug, terwijl hier de keten in gang wordt gezet.' Volgens Van Hooren moet de coördinator van Vrouw en Vaart meer mogelijkheden krijgen zich met de ketenpartners te bemoeien en met meer beleidsmatige zaken. Alle energie gaat moment zitten in organisatorische zaken om het centrum open te houden. Van Hooren kreeg bijval van Al Fahmi: 'Vrouwencentra moeten zo veel dingen doen. De overheid en instellingen gooien van alles over de schutting, maar vergeten dat de centra nauwelijks de mensen en middelen hebben om dat allemaal op te pakken.' Vrouwen moeten niet te lang in het veilige nest van Vrouw en Vaart blijven, meende Jannet Gercama, van bureau Gercama - Edukans. In plaats daarvan zouden ze, zodra dat maar even kan, vrijwilligerswerk moeten gaan doen op scholen, in buurthuizen, verpleeghuizen, etc. 'Je moet een continuüm ontwikkelen van vrijwilligerswerk dat hier begint en buiten de deur wordt voortgezet. Dat vrijwilligerswerk zou moeten overgaan in een stage en uiteindelijk in werk. In ieder geval moet je ervoor zorgen dat vrouwen niet al te lang in Vrouw en Vaart blijven hangen, maar bijtijds 'naar buiten' gaan.' In de westelijke tuinsteden wordt al op een dergelijke manier gewerkt, vertelde een deelneemster. Ze wees ook op het probleem dat organisaties best werk/stageplekken beschikbaar stellen, maar dat veel vrouwen de juiste vaardigheden missen om op zo'n plek goed te kunnen functioneren. Volgens Barbera Pestana (Sociale Dienst) probeert de Vrijwilligerscentrale inmiddels trajecten op te zetten waarmee vrouwen die de taal niet goed beheersen toch als vrijwilliger aan de slag kunnen. Yasmin Kaddour (Vrouwencentrum Mozaïek) vertelde over een geslaagd voorbeeld van werkervaringsplekken voor laagopgeleide vrouwen in de Baarsjes. Mozaïek startte in dit stadsdeel een buurtmaatschap, analoog aan vrouwencoöperatieven zoals je die in derde wereldlanden wel ziet. Kaddour: 'Veel vrouwen willen iets in de detailhandel doen of in de catering. We zijn begonnen met een atelier in een winkelpand waar vrouwen ambachten kunnen leren. Vrouwen maken cadeaus die in de eigen winkel worden verkocht. Ze vinden het schitterend om in een winkel te werken. Ze komen er met allerlei mensen in aanraking, kunnen het Nederlands praktiseren, de administratie doen, de styling. Sinds kort hebben we de vrouwen met elkaar een tweedehands kinderkledingwinkel opgezet. Zo kun je binnen je eigen organisatie heel goed aan de slag.' Olievlek Ter afsluiting van de discussie werd Kitty Felix, docent aan de HvA, uitgenodigd enkele conclusies te trekken. Volgens Felix vinden voldoende mensen 'empowerment' nog altijd een aantrekkelijk begrip, gezien de grote belangstelling voor deze middag. De toon van de discussie deed haar een beetje denken aan de felle debatten in de jaren zeventig over vrouwenemancipatie. Ook toen werd er veelvuldig gesproken over het betrekken van mannen, hoewel de discussie destijds vanuit een ander perspectief werd gevoerd. Kitty Felix noemde het opmerkelijk hoe het fenomeen van vrouwencentra zich als een olievlek KennisNetwerk Amsterdam - 10 - Verslag werkbezoek Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 over de stad uitbreidt. Er lijkt een nieuw soort vrouwenkracht te ontstaan vanuit een nieuw hoek, merkte ze op. 'Mijn voornaamste gevoel van deze middag is dat uit die hoek veel energie tevoorschijn komt. Nieuwe impulsen waar je warm voor kunt worden.' In reactie hierop verhaalde Ineke van Hooren van een nieuw vrouwencentrum in Zeeburg, waarbij getracht wordt ook de werkgevers te betrekken. Het is wellicht ook een idee voor Vrouw en Vaart, stelde ze. 'Om de vrouwencentra heen zou je een soort denktank van werkgevers moeten organiseren die bereid zijn om mee te denken. Werkgevers die laten weten wat ze van de vrouwencentra nodig hebben en in ruil daarvoor werkervaringsplekken aanbieden. Als je werkgevers zover krijgt, kun je een vuist maken naar de overheid. Je kunt dan wijzen op de betrokkenheid van het bedrijfsleven en daarmee van de overheid eisen dat er voldoende middelen voor begeleiding komen.' Op de vraag van Bouwman of er een derde partij nodig is om de brug tussen werkgevers en vrouwencentra te slaan en te facilliteren antwoordde van Hooren zonder aarzelen: 'Dat zou de overheid moeten zijn.' Enkele conclusies Vrouwenontmoetingscentra zijn belangrijk voor vrouwen die andere vrouwen willen ontmoeten en zich willen ontwikkelen. De centra vormen, evenals andere voorzieningen zoals scholen, cultuurgebouwen, zogeheten kristallisatiepunten, plekken waar men elkaar ontmoet en waar de bezoeksters in dit geval, inspiratie opdoen en zich gesteund voelen. Verder zijn dergelijke centra voor professionals een plek waar ze hun doelgroep, vrouwen met een niet-nederlandse achtergrond in dit geval, kunnen vinden. Maar daarmee is de kous niet af. Hiermee worden zeker niet alle vrouwen bereikt die in een relatief isolement verkeren. Alleen de aanwezigheid van dergelijke centra is niet voldoende om vrouwen over de streep te trekken, als ze dat al willen overigens!. Bij een aantal is een meer actieve aanpak voorwaarde, er op af, naar de mensen thuis en zoals ook een bezoekster betoogde naar de mannen toe. En dat kan ook door de moskee te bezoeken, de imam te informeren, het werk van de vrouwencentra uit te leggen en aan te prijzen. Contact met de buitenwereld is alleen daarom al van groot belang, zonder dat komen de vrouwen niet verder. Maar er zijn meer redenen om actiever naar buiten te treden: er is meer steun en samenwerking nodig om vrouwen perspectief te geven. De centra hebben nauwelijks de mensen en middelen om aan alle wensen te voldoen. Vrijwilligerswerk, stage of baan is een absolute voorwaarde om verder te komen en daarvoor is samenwerking met werkgevers, bijvoorbeeld in de directe omgeving nodig, naast verdere afspraken met partijen als een CWI, UWV, de reintegratiebureaus. Bij die instellingen gaat heel veel geld om. Daarvan zien de centra maar weinig van terug, zij staan aan het begin van een keten die door gebrek aan mmiddelen en samenwerking dreigt te worden afgebroken. De voor de centra verantwoordelijke besturen en professionals moeten zich beraden op een strategie om meer van de in de buitenwereld aanwezige krachten aan te spreken op steun en samenwerking en middelen ingezet te krijgen zodat de polsstok langer wordt. Daarin ligt een belangrijke voorwaarde om te overleven en de vrouwen werkelijk perspectief te bieden. Hans van der Jagt KennisNetwerk Amsterdam - 11 - Verslag werkbezoek Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 KennisNetwerk Amsterdam - 12 - Verslag werkbezoek Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 Bijlage I Samenvatting van: Vos, Mei Li en Doorn van, Karin, Empowerment, over laten en doen, Eburon, Delft 2004 Het motto van het kabinet luidt `meedoen, meer werk, minder regels'. Meedoen veronderstelt dat de overheid iets heeft om aan mee te doen, en minder regels dat er meer op het inzicht van burgers en bedrijven wordt vertrouwd. Het motto veronderstelt dus een andere rolopvatting van de overheid. Een andere rol kan gericht zijn op empowerment van de samenleving. Empowerment is een sturingsstrategie die uitgaat van kracht en kennis is de samenleving. Dat betekent dat de overheid minder stuurt en voorschrijft, maar er voor zorgt dat burgers en bedrijven kunnen meedenken en meewerken aan oplossingen. Dat zoiets kan en nodig is, heeft te maken met veranderingen in de samenleving en de constatering dat een aantal verzorgingsstaatarrangementen niet meer tot het gewenste effect leiden. In de verzorgingsstaat manifesteert de overheid zich als `eigenaar van de publieke zaak' en wordt daar ook op aangesproken. Daarmee wordt een te groot beroep gedaan op de capaciteit van de overheid en te weinig recht aan het zelfregulerend vermogen van de samenleving. Door verantwoordelijkheden terug te leggen waar zij horen en betrokkenen in staat te stellen die verantwoordelijkheid ook te nemen, wordt dit zelfregulerend vermogen hersteld. Empowerment als principe voor beleid bestaat uit vier elementen. Het eerste is verantwoordelijkheid herverdelen. De overheid heeft voor heel veel zaken verantwoordelijkheid genomen die vaak beter door burgers en bedrijven zelf genomen kan worden. Generieke oplossingen door de centrale overheid passen vaak niet op specifieke situaties. Kennis over die specifieke situaties is meestal lokaal en daar kunnen keuzes worden gemaakt die leiden tot betere oplossingen. Elke wijk, elke school, elke patiënt is anders en zal via een andere weg algemeen geaccepteerde doelstellingen moeten bereiken, zoals leefbaarheid, goed onderwijs en passende zorg. De overheid heeft wel de verantwoordelijkheid om het burgers en bedrijven mogelijk te maken zelf keuzes te maken. Verantwoordelijkheden herverdelen betekent echter ook dat de overheid niet meer gelijke resultaten garandeert. Een empowerende overheid accepteert verschillende oplossingen voor verschillende situaties. Verantwoordelijkheden herverdelen betekent dat de overheid zich op andere zaken concentreert; het tweede element van empowerment is dat de overheid minder stuurt en regelt, en meer instrumenten geeft. Met informatie kan de overheid burgers en bedrijven in staat stellen betere keuzes te maken. Transparantie is een voorwaarde voor markten om te kunnen functioneren. Duidelijker informatie over de tarieven van taxi's of mobiele telefonie abonnementen kan helpen om betere service en prijs-kwaliteit verhoudingen af te dwingen. Maar ook met rechten op informatie kan de overheid burgers middelen in handen geven om de aanbieders van producten en diensten te dwingen beter te presteren. Via een wet op de openbaarheid van voedselkwaliteit zouden burgers bijvoorbeeld het recht kunnen krijgen om van voedselproducenten informatie te ontvangen over de samenstelling en herkomst van voedsel. Daarmee stelt de overheid burgers in staat om druk uit te oefenen op voedselproducenten. Een ander instrument is middelen verschaffen. Met opleidingen, training, huisvesting, apparatuur en in sommige gevallen geld kan de overheid burgers en hun organisaties in staat stellen bij te dragen aan de KennisNetwerk Amsterdam - 13 - Bijlage I: Samenvatting Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 oplossingen van vaak lokale en heel specifieke problemen. Een patiënt die in de ondernemingsraad van een ziekenhuis gaat zitten kan een achterstand hebben in vergadertechnieken; de overheid kan helpen die achterstand weg te nemen door cursussen vergaderen en budgetanalyse aan te bieden. Het derde element van empowerment is slimme regels. Veel regels gaan over het proces en verhinderen de inzet van creativiteit om op een andere manier het doel te bereiken. Een slimme regel spreekt mensen of bedrijven aan op hun belang, of katalyseert dynamiek binnen het veld. Het `Pay-as-you-throw' principe in een aantal Amerikaanse staten is zo'n regel. Deze regel laat mensen vrij in hun keuze of, en hoe ze afval reduceren. Tegelijkertijd stimuleert het bedrijven om zo min mogelijk verpakkingsmateriaal te produceren: dat soort producten worden beter verkocht in die staten. Soms is een slimme regel geen regel maar het organiseren van een context waarin een beroep gedaan wordt op het inschattingsvermogen van mensen. In een aantal dorpen in friesland zijn alle verkeersborden weggehaald. Door de weg door het dorp zo in te richten dat een bestuurder een dorp, in plaats van een doorgaande weg inrijdt, wordt de bestuurder ook gewezen op andere, langzamere weggebruikers. Slimme regels laten individuen eigen kennis en verantwoordelijkheden gebruiken, geven ruimte (kaders waar binnen andere oplossingen mogelijk zijn) en zijn gericht op duidelijke doelstellingen. Daarmee laten dat soort regels ook ruimte voor concurrentie, kritiek en feedback: ze gaan niet uit van een waarheid voor iedereen en elke situatie. Het vierde element van empowerment is ander toezicht. Ander toezicht is gebaseerd op de kracht van informatie en het idee dat zestien miljoen mensen toezicht kunnen houden. Bedrijven of overheidsinstanties worden meestal achter gesloten deuren op de vingers getikt als ze in de fout gaan door een groot toezicht- en handhavingapparaat. Er gaat echter een sterkere werking van naming en shaming. Het College bescherming Persoonsgegevens kan bijvoorbeeld bedrijven die de privacy van mensen schenden direct op haar website publiceren. Bedrijven zullen zich dan wel twee keer bedenken voor ze oneigenlijk gebruik van gegevens maken. Door waar het mogelijk is het middel van naming en shaming in te zetten kan de overheid dus consumentendruk organiseren, die de overheid helpt met haar taken in toezicht en handhaving. Empowerment kan worden ingezet onder een aantal voorwaarden. Er moet een noodzaak zijn om beleid anders vorm te geven: als het bestaande instrumentarium niet meer werkt. In de tweede plaats moet er voldoende informatie zijn voor burgers en bedrijven om zelf keuzes te maken. Bij zeer complexe en technisch ingewikkelde problemen is het niet altijd mogelijk om de informatie achterstand van burgers en bedrijven weg te nemen. In de derde plaats moeten er goed gearticuleerde belangen en in sommige gevallen een reputatie hoog te houden zijn: empowerment gaat uit van de drijfveren van burgers en bedrijven. Als die er niet zijn hoeft de overheid ook niet te rekenen op de inzet van die burgers of bedrijven. Een laatste voorwaarde is lef bij bestuurders. Die moeten durven los laten en accepteren dat ze minder zeggenschap hebben over maatschappelijke processen. Echte hervorming begint echter bij het nadenken over de aannames van beleid. Wij stellen dat de samenleving zelfredzamer en intelligenter is dan veel beleid veronderstelt. Dat vraagt een andere rol van die overheid. Een rol die minder bestaat uit verzorgen, en meer uit voorwaarden scheppen die burgers en bedrijven in staat KennisNetwerk Amsterdam - 14 - Bijlage I: Samenvatting Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 stellen hun eigen oplossingen mogelijk te maken. Zodat hervormingen van de verzorgingsstaat niet uitlopen op kaasschaven aan de marge. Beleid is een poging de samenleving te sturen. Maar we hebben nu een heel diverse samenleving, met verschillende soorten kennis, wensen en creatieve oplossingen. Een slimme overheid maakt daarvan gebruik en staat naast en onder die samenleving om al die verschillende wensen en ideeën de ruimte te geven. Een slimme overheid neemt niet alleen verantwoordelijkheid, maar geeft verantwoordelijkheid. KennisNetwerk Amsterdam - 15 - Bijlage I: Samenvatting Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 Bijlage II Naam 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 Ustun F. Elizabeth José van den Karel Carol Naima Hilkje Patricia van Elbert van Zeynep Irene Shirley Sevil Kitty Jannet Jamila Judy Sandra Marijke Ineke van Anne Franka Yasmin Linda Marieke de Ineke Willie Marloes Dymphna Jurmy Rosana Amarens te Vivianne Barbera Corinne Pyrrha Fenna Magda van der Roy Deelnemerslijst 17 november 2005 Organisatie Aksu Baba Bereket Berg Blanksma Burgemeestre Chekhchar Dijk Driel Duijkeren Durmus Ekkers Elgin Erturk Felix Gercama - Broekhuis Hammadi Heerooms Hessels Hiemstra Hooren Jacobse Janssen Kaddour Klaver Kleuver Knotterius Krop Meijerman Meijneken Menckeberg Navarro Nijenhuis Palte Pestana Sieger Singerling Ulichkie Wees Wijks SEZO Slotervaart Stadsdeel Slotervaart A'dams Buurvr. Contact Stichting Voorbeeld Wijkc.Oostelijke Binnenstad Centrum Kijkduin Impuls St. Eigenwijks / WO Osdorp vrouwencentrum Mozaïek Sociale dienst steunpunten moeder kind centrum HvA Gercama-Edukans moeder kind centrum HvA Politie ROCHDALE DMO Buurtcentrum de Meeuw Sociale dienst vrouwencentrum Mozaïek Impuls Sociale dienst SEZO Impuls Taalpunt Osdorp Stadsdeel Geuzenveld AWV Vrouw en Vaart HvA Sociale dienst Sociale dienst stadsdeel oudzuid vrouwenopvang Bureau Parkstad. A'dams Buurvr. Contact MP bureau Projectleider sociaal contact persoon Funktie senior medewerkster opbouwwerker agoge assistent buurtconciërge office manager docent project medewerkster student Complexbeheer projectleider coordinator cultureel werk Taalconsulent Beleidsadviseur vrijwilligster student klant manager stafmedewerkster projectleidser contact persoon KennisNetwerk Amsterdam - 16 - Bijlage II: Deelnemerslijst Werkbezoek Vrouw en Vaart &quot;Vertrouwen op eigen kracht, waar en hoe werkt het?&quot; 17 november 2005 Bijlage III Literatuur 1. Vos, Mei Li en Doorn van, Karin, Empowerment, over laten en doen, Eburon, Delft 2004. 2. Een ongebonden blik, 7 essays over de vernieuwing in Amsterdam Nieuw West, Parkstad Amsterdam, Amsterdam juni 2005. KennisNetwerk Amsterdam - 17 - Bijlage III: Literatuur Colofon Teksten: Ton Bouwman, Matrix Partners en Hans van der Jagt, Bureau Kwartslag Eindredactie: Ton Bouwman Foto's: Jaap Maarst Opmaak: Huib Akihary, ASW Uitgave: KennisNetwerk Amsterdam Programmaleiding en Secretariaat: Ton Bouwman en Gelske Martens Matrix Partners WG-Plein 460 1054 SH Amsterdam T: 020-5892907 E: kennisnetwerk@hetnet.nl Bestuurssecretariaat: Riekje van Albada Nieuwezijds Voorburgwal 32 1012 RZ Amsterdam T: 020-5230151 E: kennisnetwerk@hetnet.nl www.kennisnetwerk-amsterdam.nl");sQ1[24]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/cah25.pdf","cah25.pdf","","Sociaal investeren Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? Cahier 25 Amsterdam, januari 2006 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Colofon Uitgave Stichting KennisNetwerk Amsterdam Programmaleiding en Secretariaat Ton Bouwman/Gelske Martens Matrix Partners WG-Plein 460 1054 SH Amsterdam T: 020-5892907/5892902 E: kennisnetwerk@hetnet.nl I: www.kennisnetwerk-amsterdam.nl Tekst en opmaak Hans van der Jagt, Kwartslag Communicatie Foto's Jaap Maars 2 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Inhoud Pag. Inleiding Huis-aan-huisaanpak als middel tegen vele kwalen Verslag van een discussie De aanpak in de Indische Buurt De aanpak in Slotervaart Verslag van een huisbezoek De aanpak in Amsterdam-Noord Het voordeel van de twijfel Conclusies en aanbevelingen Bijlage I Deelnemerslijst Bijlage II Literatuurlijst 5 7 13 16 20 22 27 29 30 3 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 4 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Inleiding Dat je met stenen stapelen alleen geen betere buurt krijgt, is tegenwoordig een algemeen aanvaard beginsel bij stedelijke vernieuwing. Om een verloederde buurt weer leefbaar te maken is het niet voldoende om fysiek in te grijpen, maar dient ook de sociale problematiek te worden aangepakt. De vraag is echter hoe je grip krijgt op de complexe problemen die zich voor een groot deel achter de voordeur afspelen. Een methode die steeds meer in zwang raakt is de huis-aan-huisaanpak. KennisNetwerk Amsterdam hield op 13 december een bijeenkomst over deze aanpak onder de titel Sociaal investeren, investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst?. De huis-aan-huisaanpak is geen nieuw fenomeen. Eind jaren tachtig al werd in het Brabantse Helmond geprobeerd langdurig werklozen weer terug op de arbeidsmarkt te brengen, door ze thuis op te zoeken. Hulpverleners en arbeidstoeleiders belden huis aan huis aan om precies te weten te komen waarom de mensen maar niet aan de slag kwamen en wat daar aan te doen viel. Sinds enige jaren zijn de systematische huisbezoeken weer populair, maar nu vooral in combinatie met de stedelijke vernieuwing van wijken. Professionals gaan straat voor straat de huizen langs en bellen brutaalweg aan met de vraag of ze eens mogen komen praten over de wensen en behoeften van de bewoners. Ze hopen daardoor een gedetailleerd beeld te krijgen van wat zich achter de voordeur speelt, van de beperkingen, maar ook van de mogelijkheden van de mensen. De inzet is om niet alleen te weten te komen wat er aan de hand is, maar als dat nodig is meteen ook de helpende hand te bieden. Bewoners die vaak niet met één, maar met een hele reeks problemen te maken hebben, worden daarmee heel praktisch geholpen de regie over hun leven weer in eigen handen te krijgen. Uitgelezen kans De huis-aan-huisaanpak hoeft niet per definitie gekoppeld te zijn aan stedelijke vernieuwing, maar in de praktijk is dat meestal wel het geval. Als de buurt toch op de schop gaat is er de geconcentreerde aandacht van bestuurders, corporaties en andere maatschappelijke organisaties, en niet te vergeten het nodige geld. Een uitgelezen kans om te weten te komen wie er in de straat wonen, wat de mensen bezighoudt en wat hun mogelijkheden en beperkingen zijn. Natuurlijk kun je dat soort zaken ook te weten komen met behulp van een enquête, of je zou de mensen uit kunnen nodigen op een spreekuur te komen. Zeker is dat de respons in geen van de gevallen erg groot zal zijn. Bewoners wantrouwen vaak de instanties, voelen zich niet begrepen of kunnen eenvoudigweg de brieven niet lezen die ze in de bus krijgen. Het alternatief is huis-aan-huis aan te bellen. Naar de mensen toe gaan dus, oftewel outreachend werken, zoals dat in hulpverleningsjargon vaak wordt genoemd. De aanpak is echter zeer arbeidsintensief en kost veel tijd van professionals. De vraag van de KNA-bijeenkomst was dan ook: levert een dergelijke benadering voldoende op om die hoge investering te rechtvaardigen? En: wanneer zet je de aanpak eigenlijk in? Moet dat altijd in combinatie met stedelijke vernieuwing of kan het er ook los van? Aan het woord kwamen ervaringsdeskundigen die elk vanuit hun eigen invalshoek hun oordeel gaven over de huis-aan-huisaanpak: een stadsdeelbestuurder die erg enthousiast bleek over deze werkwijze, diverse projectleiders die verslag deden van de de huis-aan-huisaanpak in hun wijk, een bewonersconsulent die haar gehoor meenam op huisbezoek en een onderzoeker die, zij het met de nodige voorzichtigheid, concludeerde dat de huis-aan-huisaanpak zeker zinvol is, ook al vallen de resultaten ervan moeilijk te meten. 5 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 6 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Huis-aan-huisaanpak als middel tegen vele kwalen De huis-aan-huisaanpak heeft in de praktijk zijn nut bewezen. Dat neemt niet weg dat de methode zeer arbeidsintensief en is dus kostbaar. De vraag is dan ook gerechtigdvaardigd wanneer dit dure middel moet worden ingezet. Alleen in de stedelijke vernieuwingsgebieden of veel breder? Moet de aanpak zich beperken tot de bewoners van wijken waar grote sociale problemen zijn, of moet het de standaardaanpak worden in veel meer gebieden? Over deze en andere vragen werd uitgebreid gediscussieerd tijdens de KNA-bijeenkomst over Sociaal investeren. De Baarsjes A n k van Hees, projectmanager sociale wijkaanpak in de Ortheliusbuurt (stadsdeel De Baarsjes), vertelde waarom hier voor de huisaan-huisaanpak was gekozen. In tegenstelling tot de aanpak in Slotervaart werden in De Baarsjes overigens alle huishoudens bezocht, dus niet alleen de woningen die op de nominatie stonden om gerenoveerd te worden. Van Hees: 'We wilden de bewoners centraal stellen en integraal en vraaggericht te werk gaan. De huis-aan-huisaanpak bleek daarvoor een uitstekend middel. Je plaatst de vraag van de bewoner centraal en daarop ontwikkel je een aanbod. Dan moet je wel integraal werken, want de bewoner denkt nu eenmaal niet in fysieke, economische of sociale vakjes. Onze eerste opzet was heel breed. We wilden een kijkje achter de voordeur nemen om te zien wat voor sociale problemen er eigenlijk in de buurt spelen. Maar als je dat gaat doen, moet je bewoners ook wat te bieden hebben. We wisten dat er wachtlijsten waren, onder andere voor de schuldhulpverlening en voor het taalonderwijs. Daarom besloten we een back office in te stellen om te garanderen dat 7 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 vragen van bewoners ook beantwoord zouden kunnen worden. Die back office bestond uit vijf of zes instellingen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening en woningverbetering. De doelstellingen van de aanpak waren drievoudig. We wilden op de eerste plaats de behoeften en problemen van bewoners inventariseren, hen informeren en activeren. Daarnaast wilden we concrete (hulp)vragen oppakken en ten slotte stelden we ons tot doel een aanbod op maat te ontwikkelen. Een belangrijk nevendoel van het project was het verbeteren van de samenwerking van instellingen. Als je namelijk met een back office begint, dan kijk je ook in de keuken van de instellingen. Terugkijkend kun je constateren dat dit nevendoel uiteindelijk heel belangrijk is geworden. De meeste tijd in De Baarsjes is gaan zitten in d e aanpak van meervoudige problematiek. D o o r de huis-aan-huisbezoeken wordt pas goed duidelijk hoe complex de situatie van veel gezinnen is en hoe omvangrijk de problemen zijn. Illustratief is dat er in de back office heel veel discussies waren bij welke instelling bepaalde bewonersvragen thuis hoorden. Dat geeft al aan hoe moeilijk het is met meervoudige problematiek te werken en hoe belangrijk het is dat de instellingen goed samenwerken. Doordat je een aantal instellingen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening onder één dak brengt worden de lijnen in ieder geval een stuk korter en de samenwerking beter. In De Baarsjes is vooraf geen nulmeting gedaan. Het is daarom moeilijk aan te geven wat exact de resultaten zijn geweest. Op korte termijn zijn die wel te benoemen, maar de resultaten op lange termijn zijn veel lastiger vast te stellen.' Groot bereik Dat de huis-aan-huispak niet per se hand in hand hoeft te gaan met stedelijke vernieuwing, bleek uit het verhaal van opbouwwerker Marja Hamers. Zij deed verslag van 'Samen Buurten', een project dat is opgezet in de Amersfoortse wijk Kruiskamp. Niet de stedelijke vernieuwing, als wel het verbeteren van de leefbaarheid was hier de aanleiding voor de systematische huisbezoeken. Hamers: 'In een aantal buurten binnen de wijk kregen we de mensen maar niet in beweging op het thema leefbaarheid. Dat bracht ons tot de conclusie dat er eerst iets moest gebeuren aan de problemen achter de voordeur. De gedachte is dat bewoners pas bereid zijn zich met hun leefomgeving te bemoeien, als hun eigen problemen uit de weg zijn geruimd. In de aangewezen buurten zijn we huis aan huis gaan aanbellen bij gezinnen die vooraf waren geselecteerd. We hadden ook de back office al geregeld: een maatschappelijk werker was aangewezen als casemanager voor multiproblem gezinnen. Daarnaast werkten we samen met instanties als verslavingszorg, sociale zaken en leerlingbegeleiding. Gelukkig was er geld uit de pot grotestedenbeleid en hadden we dus ruimte om te investeren in de fysieke omgeving. We konden onmiddellijk reageren op de vragen en behoeften van bewoners.' Na de introductie van deze twee projecten stelde gespreksleider Ton Bouwman de vraag of er een brede problematiek aan de orde m o e t zijn om de huis-aan-huisaanpak de moeite waard te maken. J a , stelde Jurmy Wenckeberg, complexbeheerder bij AWV. 'Ieder stadsdeel zou een dergelijke aanpak moeten omarmen, omdat je daarmee maatwerk levert. Door naar bewoners toe te gaan in plaats van hen formeel uit te nodigen voor het spreekuur, creëer je een vertrouwensband. Als je het vertrouwen van bewoners eenmaal hebt gewonnen, dan kom er heel veel voor terug. De investeringen verdien je dus gemakkelijk terug.' Ook Marja Hamers vond de gekozen aanpak de investering meer dan waard. Ze wees op het grote bereik. 'In Amersfoort kostte het project 130.000 euro op jaarbasis. Daarmee hebben we 250 huishoudens bediend. Door de i n t e n s i e v e aanpak van de casemanagers wordt 60 tot 70% van de huishoudens in een buurt bereikt. Het gaat daarbij altijd om mensen die de vaardigheden missen om 8 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 gebruik te maken van de bestaande voorzieningen of de weg niet weten naar de instanties. Door de huis-aan-huisaanpak haal je de instellingen naar de buurt.' N e t als in de Ortheliusbuurt en Kruiskamp, worden ook in Amsterdam-Noord bewoners aan huis opzocht. Het betreft hier vooral de wijken die zijn aangewezen voor stedelijke vernieuwing. Maar volgens projectleider Oktay Aslan wordt in Noord nadrukkelijk voor een andere invalshoek gekozen. 'Wij letten vooral op werk en inkomen, de sociale problematiek laten we voor wat die is. Uitgangspunt bij deze keuze is dat de maatschappelijke dienstverlening al in de buurten aanwezig is, maar dat de instanties voor werk en inkomen nergens te bekennen zijn. Bij de huis-aan-huisbezoeken helpen we vooral bij inkomensondersteunende zaken. Dat betekent dat we bewoners bijvoorbeeld helpen met het invullen van belastingformulieren, het zoeken naar betaald werk, enzovoorts.' Hoe breed? Moet je de huis-aan-huisaanpak in elke wijk inzetten of alleen in stedelijke vernieuwingsgebieden? Moet er sociale problematiek zijn? Volgens Kenneth Nelson, buurtcoördinator in Geuzenveld-Slotermeer, is de huisaan-huisaanpak niet alleen nodig bij stedelijke vernieuwing. Er zou veel vaker voor deze man i e r van werken moeten worden gekozen, meende hij. 'Heel veel gezinnen verkeren vandaag in financiële problemen. Mensen met betaald werk komen al nauwelijks rond, laat staan degenen die van een uitkering leven. Dat is een gegeven, daar hoef je geen diepgaand onderzoek naar te doen. De huis-aanhuisaanpak is een prima methode om deze mensen te hulp te komen.' Maar Marja Hamers vond dat je juist wel selectief moest zijn. 'We hebben in Amersfoort niet de hele wijk aangepakt, maar bewust enkele buurtjes binnen de wijk waarvan we zeker wisten dat er sociale problemen waren. Daar waar bewoners zelf de weg kunnen vinden, waar ze zelf de regie over hun leven hebben, is een huis-aan-huisaanpak niet nodig.' Hamers vond zo'n gerichte aanpak niet stigmatiserend omdat, binnen de aangewezen buurt, elk huis wordt bezocht. Bovendien weet heel Amersfoort wat de wijken zijn waar het goed gaat en waar het niet goed gaat, meende ze. De Amersfoortse aanpak sprak Anneke van Koert, coördinator opbouwwerk in Zeeburg, wel aan. In bepaalde delen van de Indische Buurt zijn bewoners domweg niet te mobiliseren om iets aan de leefbaarheid te doen, was h a a r ervaring. Daar zou een huis-aanhuisaanpak enorm goed kunnen werken. Maar omdat het hier niet een stedelijk vernieuwingsgebied betreft, is er dus geen geld voor. En dat is zonde, volgens Van Koert, die vond dat de methode gebruikt moet worden waar hij nodig en nuttig is. Indicaties Gelske Martens (KNA) vroeg zich af of er indicaties zijn te bedenken die de inzet van de kostbare huis-aan-huisaanpak rechtvaardigen. Volgens Van Koert kun je alleen al door goed rond te kijken gemakkelijk zien waar er problemen zijn. 'Aan de achtertuintjes, portieken, trappenhuizen, boxen en binnentuinen kun je aflezen hoe het er met de buurt voor staat. Als het er pico bello uitziet, kun je er van uit gaan dat er niet veel aan de hand is. Als het een puinhoop is, weet je bijna zeker dat het niet goed zit. Ook is het een teken aan de wand als bewoners op straat moeilijk zijn aan te spreken.' 9 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Ton Bouwman wilde weten of de huis-aanhuisaanpak dan alleen zinvol is als er problemen zijn. Of zou je hem vaker en op meer plekken moeten inzetten? Als het aan Jacqueline Kuhn van het Amsterdams Steunpunt Wonen ligt, kan gekozen worden voor het laatste: 'De aanpak is tot nu toe erg gericht op het opsporen van problemen. Mogelijk kun je hem ook gebruiken om mensen op te sporen die iets kunnen betekenen voor anderen of voor de buurt. De kern van de methode is immers vertrouwen. Je doet iets voor de bewoners, mogelijk doen zij dan later iets voor jou.' Oktay Aslan was het daar niet mee eens. De huis-aan-huisaanpak is bijzonder en moet dat ook blijven, vond hij. 'Je moet die aanpak niet voor alles en nog wat inzetten, want dat zorgt voor devaluatie. Er moeten voldoende redenen voor zijn. Bovendien: je komt niet eens bij mensen binnen als er geen problemen zijn.' Maar met die opmerking was bewonersconsul e n t Soudia el Ghazaoui het absoluut niet eens. 'In Slotervaart word ik bij mensen uitgenodigd die nooit bezoek ontvangen en blij zijn dat er eindelijk eens iemand langskomt. Verder hebben ze weinig vragen of wensen. En ik kom ook wel bij tweeverdieners over de vloer waarvan ik niet de indruk heb dat ze nou zoveel problemen hebben.' De opbrengst Het tweede deel van de discussie handelde over de vraag wat de huis-aan-huisaanpak zou moeten opleveren? Wat mogen we van de opbrengst verwachten? Hanne Ris, gebiedsregisseur van de AWV: 'Voor de corporaties kan de opbrengst bijvoorbeeld zijn het afnemen van het aantal huurders met schulden en met huurachterstand. Dat zou kunnen betekenen dat de sociaal economische positie van bewoners is verbeterd.' Kenneth Nelson: 'De opbrengst moet zijn dat mensen meer eigenwaarde krijgen, beter gaan participeren. Dat is hard nodig om geen toestanden te krijgen zoals in de Franse voorsteden.Maar de opbrengst is ook concreet meetbaar. Door de aanpak in Geuzenveld zijn er 40% minder uitzettingen. Dankzij huisbezoek heb je namelijk heel snel in de gaten wat de problemen zijn en kun je er eerder wat aan doen. Dat werkt een stuk beter dan er een incassobureau op af te sturen. De instanties komen steeds verder van de bewoners af te staan. Dat geldt op alle terreinen. Als je tegenwoordig contact zoekt met je energieleverancier, is het eerste wat je hoort hoeveel gesprekskosten je per minuut kwijt bent. De directe aanpak, mensen aanspreken op straat of aanbellen, is daarvan de tegenhanger. Ik kom mensen tegen die afgeknapt zijn op de instanties en de instellingen en door onze bemiddeling weer hulp accepteren. De aanpak zorgt voor korte lijnen die dwars door de bureaucratie van de instellingen heen gaan.' Angelique Rondagh: 'Om de opbrengst te kunnen meten, moet je eerst de doelstelling op verschillende dimensies scherp formuleren. Op taalgebied zou je bijvoorbeeld als doelstellingen kunnen kiezen dat mensen een bepaald NT2-niveau bereiken en dat ze weten wat de d o o r s t r o o m m o g e l i j k h e d e n zijn. Op opvoedingsgebied kun je streven naar een actieve houding van ouders, naar meer ouderparticipatie. Zo moet je op alle dimensies apart doelstellingen formuleren.' 10 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Hanne Ris: 'De huis-aan-huisaanpak betekent grote investeringen in bewoners, maar ook in de professionals die voor hen werken. Ze doen met de aanpak nieuwe vaardigheden op en ook dat kun je als een belangrijke opbrengst zien.' Aan het einde van de discussie deed Angelique Rondagh een opmerkelijk voorstel: 'De opbrengst zit hem ook in de besparing die de aanpak oplevert. Reken maar uit hoeveel je bespaart als je iemand weer aan het werk helpt waardoor er geen uitkering meer nodig is. Als je het zo bekijkt is deze aanpak helemaal niet duur en levert hij alleen maar geld op. Instanties als de Sociale Dienst en het UWV, maar ook de Stadsdelen zouden 10% van hun begroting beschikbaar moeten stellen voor de huis-aan-huisaanpak. Dan zouden we een stuk verder zijn.' 11 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 12 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Op huisbezoek in de Indische Buurt Stadsdeel warm voorstander van outreachende aanpak Een van de sprekers in Nowhere was Dennis Straat, stadsdeelbestuurder in Zeeburg, met welzijn en voorzieningen in zijn portefeuille. Straat toonde zich warm voorstander van het huisbezoek als methode van sociaal investeren en vertelde over de concrete aanpak in de Indische Buurt. Een buurt die volgens de spreker onder aan de lijst staat als het gaat om veiligheid, inkomen, scholing en werk en bovenaan de lijst als het gaat om ervaren overlast en criminaliteit. `Vandaag staat de vraag centraal of het huisbezoek e e n goede methode is en of het onder alle omstandigheden een rendabele investering is. Vanuit mijn positie van stadsdeelbestuurder wil ik graag een aftrap geven voor de discussie van straks. In Zeeburg l o o p t namelijk sinds 2003 het project Sociaal Investeringspakket Indische Buurt. Kortweg spreken we van het SIIB-project. In dit project worden huurders van de Dageraad wier huis is opgeknapt, benaderd voor een huisbezoek. Bewonersconsulenten houden een gesprek met bewoners over de buurt, woning en persoonlijke situatie. Het doel van deze gesprekken is om eventuele problemen en vragen te inventariseren. Vervolgens worden bewoners geïnformeerd over wat zij zelf kunnen doen. Zij worden daarbij verwezen naar instellingen, activiteiten en dienstverlening of de consulent neemt contact op met de instelling. Soms wordt de problematiek met verschillende instellingen samen besproken en opgepakt. Met deze aanpak worden vragen op het gebied van wonen, zorg en welzijn die leven in het stadsdeel automatisch ook geïnventariseerd. Hoofddoel van het project is de sociale positie van de bewoners in de oude Indische Buurt te verbeteren. Hiermee draagt het project bij aan de leefbaarheid, veiligheid en sociale cohesie in de buurt. Nevendoel is inzicht krijgen in de sociale situatie en problematiek van de buurt. Je hebt dat inzicht nodig om de juiste dingen te doen voor een buurt en haar bewoners. En dat inzicht krijg je alleen door met bewoners te praten. Bovendien komt hierbij ook veel informatie naar boven over de soort voorzieningen waar bewoners behoefte aan hebben en wordt duidelijk of de instellingen in de buurt voldoen aan deze behoefte. Het is een manier om de eigen organisaties scherp te houden. Hoe is het ingericht? Het project SIIB sluit aan op de renovatie- en vernieuwingsactiviteiten van de Dageraad en het project ` Werelds Wonen' van het stadsdeel in de oude Indische Buurt. Het project wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met organisaties die actief zijn op het gebied van inkomen, werk, sociale activering, welzijn, onderwijs en opvoeding. Momenteel is het project zo ingericht dat stadsdeel Zeeburg twee bewonersconsulenten (van ieder 0,5 FTE) in dienst heeft en aanstuurt. Deze bewonersconsulenten worden gefinancierd door woningcorporatie De Dageraad. De twee bewonersconsulenten werken 13 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 vanuit het pand van de Dageraad in de Borneostraat. Zij zitten dus letterlijk in de wijk. Momenteel wordt per jaar gekeken of het project wordt voortgezet. Enkele opbrengsten Over de periode aug 2003 t/m dec 2004 is een evaluatierapport verschenen. Ik wil enkele belangrijke uitkomsten met u delen: In deze periode zijn in totaal 200 gesprekken gevoerd. Daarmee had 40% van de benaderde bewoners meegewerkt aan het huisbezoek. Dat is behoorlijk hoog. Bovendien blijkt in kwalitatieve zin dat ook groepen bereikt worden die anders niet of in een heel laat stadium met de instellingen in aanraking zouden komen. In 89% van de gesprekken is naar aanleiding van het gesprek informatie nagezonden; Blijkbaar is er nuttige informatie beschikbaar, maar bereikt deze niet altijd de mensen voor wie het bedoeld is. Dat wordt nog eens bevestigd doordat bleek tijdens de huisbezoeken dat veel instellingen niet goed of zelfs slecht bekend zijn in de buurt. Er is behoefte aan een andere wijze van communiceren dan tot nu toe gebruikelijk was. Voor 14 % van de bewoners heeft de bewonersconsulent een instantie ingeschakeld die de bewoner verder kon helpen met zijn of haar problematiek; Blijkbaar is er in sommige gevallen behoefte aan actieve koppeling van hulpzoekende aan een hulpbiedende instelling. Bovendien is 15% van alle gesprekken besproken in de backoffice van samenwerkende instellingen, omdat er sprake was van meervoudige problematiek; behalve koppeling is het blijkbaar nodig dat verschillende organisaties samenwerken om bepaalde problematiek aan te kunnen pakken. Wat bepaalt de bestuurlijke afweging? - het een kostbare manier van werken, maar: o het verhoogt wel het rendement van bestaande instellingen: meer mensen bereiken de voorziening; o het draagt ertoe bij dat mensen die de hulp het hardst nodig hebben die ook krijgen, die mensen worden namelijk bereikt door het huisbezoek; o outreachend werken verlicht de druk op de fysieke loketten; Mensen krijgen namelijk de hulp op het niveau van hun mogelijkheden. Een eenzame oude vrouw komt niet naar een hulpverlener, maar wordt naar het buurthuis verwezen of gestimuleerd om in contact te treden met een buurvrouw. Bovendien worden instellingen beter bekend in de buurt, waardoor mensen niet via een loket hoeven; o Een outreachende manier van werken zorgt dat het probleem eerder wordt gesignaleerd en dat er minder sprake is van opstapeling van problemen. - Hoewel de structuur van de samenleving verschuift richting meer individualiteit, is deze leefwijze lang niet voor iedereen bevredigend of zelfs toepasbaar. Sommige mensen hebben steun nodig, vooral in buurten zoals de Indische buurt. Dat heeft dan niks met betutteling te maken, maar met voorzien in basale mogelijkheden voor mensen om te leven. Om dat mogelijk te maken moeten overheid en dienst- en hulpverlenende organisaties naar buiten toe. Om hun diensten passend te houden en de mensen voor wie ze zijn te bereiken. Plannen voor de toekomst Buurtbezoeken alleen zijn niet de oplossing. Het stadsdeel wil het project Sociaal Investeringspakket Indische Buurt koppelen aan het VraagWijzerloket. Dit is een herkenbare, laagdrempelige frontoffice in het stadsdeel die op 1 juli 2006 opent. Bewoners kunnen er terecht voor informatie en advies en 14 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 vraagverheldering op het gebied van wonen, zorg en welzijn. Ook kunnen zij hier terecht voor aanmelding en verwijzing naar producten op deze gebieden. VraagWijzer is dus een plek waar bewoners naar toe gaan. Maar Zeeburg streeft naar synergie: in het stadsdeel lopen momenteel een aantal activiteiten die elkaar kunnen versterken. De problemen in een buurt als de Indische Buurt vragen om een samenhangende aanpak waarin verschillende werkwijzen worden gecombineerd. Dus huisbezoeken bestaan naast een laagdrempelig wijkgericht loket, maar bijvoorbeeld ook groepsvoorlichtingen. Het project Wijkgerichte Zorg en Welzijn (WZW), het project Sociaal Investeringspakket Indische Buurt (SIIB) en de preventieve huisbezoeken 75+ vanuit het ouderenwerk worden gekoppeld aan het loket VraagWijzer. Het stadsdeel heeft inmiddels ook aan de andere twee woningcorporaties in de Indische Buurt Ymere en Eigen Haard de vraag voorgelegd of zij willen aanhaken bij het genoemde project. Wij hopen dus dat de aanpak wordt uitgebreid.' 15 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 De huis-aan-huisaanpak in Slotervaart 'Achter simpele vraag schuilt vaak veel groter probleem' Het Sociaal InvesteringsPlan Slotervaart, kortweg SIP begon vier jaar geleden als een pilotproject in de Overtoomse Veld, een stedelijke vernieuwingsgebied in het stadsdeel Slotervaart waar een groot aantal woningen worden gesloopt, gerenoveerd of vervangen door nieuwbouw. Een van de doelen in Nieuw-West is om meer midden- en hogere inkomens naar de wijken te trekken en men hoopt dat te bereiken door bij de vervangende nieuwbouw een verdeling van 70% koop- en 30% sociale huurwoningen aan te houden. Bewoners van Nieuw-West moeten voortaan in de buurt zelf 'wooncarrière' kunnen maken en niet per se naar andere delen van de stad hoeven te verhuizen als ze beter willen gaan wonen. Op dit moment kent de Overtoomse Veld nog voornamelijk sociale huurwoningen waarin vooral grote gezinnen wonen. De Overtoomse Veld telt 9629 inwoners; 80% van de hoofden van de huishoudens zijn van niet-Nederlandse afkomst, waarvan 32% Marokkaans, 13,5%Turks en 26% uit andere land e n . Autochtone Nederlanders maken een kwart van de bevolking in deze wijk uit, het zijn voornamelijk ouderen die al lang in de buurt wonen. Ook opvallend: 32% van de bevolking is jonger dan 14 jaar en 41% jonger dan 25 jaar. De Overtoomse Veld is een relatief arme buurt: een kwart van de bewoners leeft op bijstandsniveau, 2/3 heeft minder dan 1500 euro per maand te besteden en de helft daarvan zelfs nog minder dan 1000 euro. De werkloosheid bedroeg eind 2004 maar liefst 13,3% tegenover een gemiddeld van ruim 9% voor heel Amsterdam. Doelen en werkwijze Projectleider Angelique Rondagh van het SIP vertelde tijdens de bijeenkomst van KennisNetwerk Amsterdam over Sociaal Investeren uitgebreid over de ervaringen in Slotervaart met de huis-aan-huisaanpak. 'Directe aanleiding waren de rellen op het August Allebéplein, in het voorjaar van 1999. Toen begon men hier pas goed te beseffen hoe noodzakelijk het is om, naast de voorgenomen fysieke opknapbeurt, ook iets aan de sociale kant te gaan doen. De doelstelling van het plan was het verbeteren van de sociaal-economische positie van de bewoners. Daartoe zijn in het begin van het project zeer ambitieuze doelstellingen geformuleerd op zeven dimensies: taal, opvoeding, vrije tijd, opleiding, veiligheid, gezondheid en welzijn. Het was een zeer ambitieuze opzet omdat we een groot aantal partijen mee wilden laten doen. De huis-aan-huisaanpak is eigenlijk een middel waarmee we vraag en aanbod bij elkaar proberen te brengen. We willen dat mensen op termijn door verbetering van hun sociaal-economische positie zich verantwoordelijker gaan voelen voor zichzelf, voor hun kinderen en tenslotte ook voor hun woonom 16 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 geving. Kortom: dat ze zelfredzaam worden. De oorspronkelijke doelgroep van het plan bes t o n d uit alle bewoners die in complexen woonden die gerenoveerd gingen worden. Bewoners van sloopwoningen werden dus bewust niet meegenomen omdat het uitgangspunt was dat we alleen investeren in mensen die in de wijk blijven wonen. Inmiddels hebben woningcorporaties interesse in onze aanpak g e k r e g e n voor hun nieuwbouwcomplexen. Volgend jaar wordt de huis-aan-huisaanpak dan ook uitgevoerd in een nieuwbouwcomplex van de Dageraad in de buurt. Het is een hele interessante ontwikkeling waarbij we ook gaan samenwerken met het opbouwwerk. Behalve a a n de verbetering van de sociaaleconomische positie van bewoners willen we daarmee ook gaan werken aan de leefbaarheid van de buurt. Waarbij doelen in beeld komen die ook door de corporaties worden nagestreefd, zoals een schone, hele en veilige buurt, grotere aanspreekbaarheid van bewoners, sociale samenhang, etc. We zijn begonnen huis aan huis, straat voor straat aan te bellen met de vraag of we een keer konden komen praten. We hebben mensen op straat en in de portieken aangesproken en tot onze eigen verbazing werden we heel vaak uitgenodigd om binnen te komen. Tijdens zo'n eerste gesprek inventariseren we de vragen die bewoners hebben op de eerder genoemde dimensies. We proberen heel breed te kijken wat de positie van de mensen is. Waar staan ze nu en waar willen ze naar toe? We vragen de mensen wat ze over vijf jaar anders willen zien aan hun eigen positie. Vervolgens inventariseren we de hulpbronnen die ze zelf hebben en we brengen de belemmeringen in kaart. We gaan ook na met welke instanties ze al contact hebben of hebben gehad en hoe die contacten dan zijn verlopen.' Back office 'De huis-aan-huisaanpak is alleen zinvol als h e t in een groter verband gebeurt, als er meerdere partijen meedoen. Daarom zijn we, voor we huis aan huis gingen aanbellen, eerst gaan zoeken naar mede-investeerders, waarbij je niet alleen moet denken aan organisaties in de publieke sector, maar ook in de private s e c t o r . De consulenten van SIP verwijzen mensen door naar instanties die kunnen helpen bij het oplossen van hun vragen en problemen. Deze instanties en instellingen vormen samen de back office van het project. We organiseren back office-overleggen, aanvankelijk met alle partijen om de tafel, inmiddels veel praktischer, via email, telefoon of in kleiner verband. Maar het contact blijft zeer intensief. Behalve integraal en vraaggericht, werken we i n de Overtoomse Veld ook systeemgericht. Dat wil zeggen dat we rekening houden met de rollen en patronen in een gezin en de verhoudingen van de gezinsleden ten opzichte van elkaar. We houden dus rekening met de belemmeringen en drempels van de mensen. Iemand die de taal niet spreekt kun je wel naar taalles sturen, maar vaak zijn er belemmeringen, zoals het ontbreken van kinderopvang of geld. Soms wil de man niet dat zijn vrouw naar taalles gaat. Als we dat soort dingen merken, gaan we in gesprek met het hele gezin om te proberen iedereen op één lijn te krijgen. Het effect van de taalcursus zal dan veel groter zijn. We proberen in de back office alle werkzaamheden van de betrokken instellingen op elkaar af te stemmen. We zorgen er bijvoorbeeld voor dat, als iemand als gevolg van psychiatrische p r o b l e m e n schulden heeft gemaakt, de schuldhulpverlening van die achtergrond op de hoogte is. Die intensieve samenwerking met betrokken instanties is erg belangrijk. We hebben diverse convenanten afgesloten, met de sociale dienst, met een woningcorporatie, een welzijnsorganisatie, waarin heel duidelijke afspraken staan over de manier van samenwerken. Daarnaast hebben we duidelijke overlegstructuren met het sport-en spelteam, met Nieuwe Kansen Nieuw-West en we hebben voortdurend overleg over het beste antwoord en aanbod op de vragen die wij van bewoners voorgelegd krijgen. Het SIP heeft ook een belangrijke signaalfunctie naar bestuurders en beleidsmakers. Door 17 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 het huisbezoek hebben we namelijk een heel goed beeld van de behoeften en wensen van bewoners. We kunnen dus goed aangeven welke voorzieningen er in de buurt ontbreken, maar ook welke knelpunten er bestaan in het gebruik van de bestaande voorzieningen. We bespreken dit met het Stadsdeel en de instellingen.' De praktijk 'We treffen in de buurt tijdens onze huisbezoeken relatief veel gezinnen die op meerdere gebieden in de problemen zitten. Sommige straten bestaan voor een kwart uit deze zogeheten multiproblem gezinnen. Maar we komen ook mensen tegen met wie het gewoon goed gaat en die hooguit wat meer sportactiviteiten in de buurt wensen. Meestal staan vragen en problemen niet op zichzelf. Tijdens huisbezoeken komen zaken boven tafel die elders niet aan bod komen, zeker niet aan de loketten en op de spreekuren van de reguliere instanties. Niet omdat hulp- en dienstverleners van deze instanties die problemen niet aan zouden kunnen, maar simpelweg omdat ze meestal de tijd niet hebben om verder te graven en door te vragen. Vaak komen mensen in eerste instantie met een heel bedekte vraag. Om een voorbeeld te geven: we troffen een bewoonster die wilde dat we een brief voor haar zouden vertalen. Bij nader onderzoek bleek dat deze vrouw al vier maanden zonder inkomen zat en geen idee had hoe en waar ze een bijstandsu i t k e r i n g kon aanvragen. Die brief bleek slechts een afgeleide van een veel groter probleem. Als je geen tijd hebt om dieper op zo'n eerste vraag in te gaan, dan kom je de onderliggende problematiek dus nooit te weten.' De cijfers 'In de Overtoomse Veld hebben we vanaf begin 2002 in totaal 622 huishoudens bezocht. Omdat we ons op alle gezinsleden richten, betekent dit een bereik van 2155 personen. De meeste vragen die we tegenkwamen betroffen taal, onderwijs, opvoeding, vrije tijd en werk/inkomen. Van de 257 vragen op taalgebied konden we er 167 beantwoorden, bijvoor beeld door mensen op de juiste taalcursus te plaatsen. Er liggen nog 90 vragen op de plank; dan kan het gaan om mensen die door privéomstandigheden nog niet naar taalles konden of om mensen die ergens op een wachtlijst staan. Van de 553 vragen op het gebied van opvoeding en onderwijs, zijn er 387 beantwoord en liggen er nog 166 te wachten. Van de 917 vragen over werk en inkomen konden we er 843 beantwoorden. Dit soort cijfers geeft geen volledig beeld van de werkelijkheid. Het blijft heel moeilijk om te meten, want wat meet je precies? Is doorverwijzing naar de schuldhulpverlening het antwoord op de vraag? Of tel je ook alle vragen mee die daarvoor liggen en alle voorzieningen die je al eerder hebt getroffen, nog voor je aan de aanpak van schulden toekomt? Het blijft lastig. We moeten dan ook nog nauwkeuriger gaan bekijken hoe we de aanpak het beste kunnen monitoren. Hoe kunnen we duidelijk zien wat we met de aanpak bereiken?' Vragen Het verhaal van Rondagh riep meerdere vragen op. Een greep hieruit met de bijbehorende reacties. Welke instellingen en instanties doen er allemaal mee in het SIP? Er wordt gewerkt aan een actuele lijst van 'investeerders'. Deze is op te vragen bij het SIP. Bij stedelijke vernieuwing verdwijnen er ook mensen uit de buurt. Blijf het SIP die bewoners dan volgen? Deze bewoners worden bij vertrek uit de buurt uit ons bestand gehaald. Bij verhuizing van multiproblem gezinnen dragen we de g e g e v e n s over aan instellingen in andere stadsdelen. Overigens valt het aantal bewoners dat na de vernieuwing vertrekt erg mee. Bewoners van te slopen woningen krijgen de mogelijkheid in de buurt te blijven wonen. Kunnen bewoners zich bij jullie aanmelden of moeten ze wachten op huisbezoek? Het SIP heeft een kantoor midden in de wijk en 18 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 is heel herkenbaar. Soms krijgen we hier mensen op bezoek die ten tijde van het huisbezoek nog geen vragen hadden, maar later toch aankloppen. Gaat de aanpak gelijk op met de fysieke vernieuwing van de buurt, wat is de volgorde? Het is in de praktijk vaak lastig, maar het is de bedoeling dat de huisbezoeken samenvallen met de fysieke ingrepen. We stemmen de aanpak af met het Projectbureau Stedelijke Vernieuwing. Wat zijn precies de knelpunten bij de afstemming tussen de sociale en de fysieke peiler? Stenen stapelen gaat nu eenmaal sneller dan het van de grond krijgen van sociale voorzieningen en het oplossen van sociale problemen. Daarbij gelden immers allerlei weerstanden en die hebben stenen niet. Het blijft dus lastig, maar het is al een grote winst dat de fysieke peiler de sociale problematiek onderkent en graag met de sociale peiler samenwerkt. De knelpunten zullen er altijd wel blijven. Bespreken jullie de gesignaleerde problemen met de instellingen waarmee wordt samengewerkt? We werken intensief samen met instellingen en b e s t u u r d e r s en hebben een duidelijke signaalfunctie. Een voorbeeld: het bleek moeilijk om mensen door te verwijzen naar de maats c h a p p e l i j k e dienstverlening omdat ze niet goed wisten hoe ze hun hulpvraag moesten formuleren of zich niet begrepen voelden. We hebben toen met deze instanties een convenant afgesloten en heldere afspraken gemaakt over verwijzing. Dat heeft geresulteerd in een veel betere samenwerking. Er zijn nog altijd knelpunten, maar de intenties zijn goed. De instanties zien ook heel goed dat wij een soort voortraject bewerken, waardoor zij minder met recidive te maken krijgen. Draagt de huis-aan-huisaanpak ook bij aan gebiedsverbetering? Door vraag en aanbod bij elkaar te brengen en samen te werken met de instanties ben je in feite al bezig met gebiedsverbetering. We wer ken bijvoorbeeld samen met Microsoft, die voor 3000 mensen in de buurt computerlessen betaalt. Dat is een concrete verbetering van de buurt. H e e f t de huis-aan-huisaanpak de sociaaleconomische positie van mensen daadwerkelijk verbeterd? Hoewel er mensen door de aanpak aan het werk zijn gekomen, ligt de nadruk op sociale activering en maatschappelijke participatie. Erg belangrijk is daarbij de aandacht voor jongeren. In onze doelstelling staat dat alle jongeren tot 23 jaar aan het werk moeten zijn of een opleiding volgen, dan wel stage lopen. Is er al iets te merken van de opbrengst van j u l l i e aanpak voor de leefbaarheid van de buurt? Of is dat nog te vroeg? Mensen krijgen pas oog voor hun omgeving als het men henzelf beter gaat. Als je grote financiële problemen hebt en bang bent uit huis te worden gezet, dan heb je geen interesse in de buurt. Dan zul je eerst je eigen problemen willen oplossen. We gaan nu samen met het opbouwwerk bekijken hoe we de individuele aanpak en de verbetering van de buurt in elkaar kunnen passen. Er liggen nog heel veel vragen te wachten. Wat kunnen jullie aan? Wanneer draag je zaken over aan anderen? Soms moet je in het begin heel veel zelf doen, vooral bij multiproblem gezinnen. Uiteindelijk moet je die zaken loslaten en overdragen. Je hebt immers niet de mogelijkheid er jaren mee door te gaan. We houden wel bij wat er met mensen gebeurt, bijvoorbeeld nadat ze een taalcursus hebben afgerond. Het kan dus betekenen dat we mensen langdurig volgen. Wie is de regisseur van de huisaan-huisaanpak in de Overtoomse Veld? Aanvankelijk was er een stuurgroep, nu een breed overleg waarin ook de portefeuillehouder van het Stadsdeel zit en een adviseur. Drie maal per jaar is er overleg met de instanties, de investeerders. 19 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Verslag van een huisbezoek 'Iedereen denkt dat ik gek ben' Bewonersconsulenten die worden ingezet bij de huis-aan-huisaanpak treffen vaak mensen die, door een opeenstapeling van problemen, de regie over hun leven zijn kwijtgeraakt. Ze zijn uit beeld verdwenen bij instellingen en instanties die hulp zouden kunnen bieden. Toch lukt het in veel gevallen het vertrouwen in eigen kunnen terug te winnen, al is daar onnoemelijk veel inzet en geduld voor nodig. Bewonersconsulent Soudia El Ghazaoui doet verslag van haar ervaring in de Overtoomseveld. 'Bij het aanbellen in een portiek doet een Antiliaanse vrouw open. Ik mag binnenkomen, maar de vrouw reageert zeer sceptisch en wantrouwend en soms bijna agressief. Ze heet Dorothy en blijkt een alleenstaande moeder met drie kinderen van 7, 9 en 11 jaar. Het huis ziet er vervuild uit. Overal staat onafgewassen serviesgoed en de grond is bezaaid met vuile was. Het huis is donker en het ruikt er muf. Dorothy zegt dat ze sliep toen ik aanbelde en dat ze geen energie had om het huis op te ruimen. Haar gebit ziet er slecht uit. Aan beide zijden mist ze een reeks tanden en kiezen. Ze schreeuwt naar de kinderen, die er moe uitzien; ze lijken verwaarloosd en verdrietig. Dorothy is heel negatief over de buurt. Er wonen teveel Marokkanen, zegt ze, en ze denkt dar vooral de jongeren haar, als Antilliaanse vrouw, niet accepteren. Dorothy zegt dat ze zich bedreigd voelt en ze heeft zo min mogelijk contact met de buren. De kinderen mogen van haar niet buiten spelen. Eigenlijk wil ze het liefst zo snel mogelijk verhuizen. Ik luister naar haar verhaal en laat haar goed merken dat ik haar serieus neem. Daardoor wordt ze langzamerhand rustiger en begint ze iets meer los te laten over haar persoonlijke situatie. Een jaar geleden is ze gescheiden van haar man, de vader van de kinderen. Vanaf die tijd heeft zij grote schulden: ze heeft geen overzicht en krijgt het maar niet voor elkaar om te leven van de uitkering die zij sinds de scheiding heeft. Als het zo doorgaat zal ze uit huis gezet worden. Dorothy vertelt verder dat ze boos is op haar moeder die haar nooit heeft willen vertellen wie haar biologische vader is. Ze is daar heel verdrietig over en het is volgens haar de oorzaak van haar psychische problemen. Ze voelt zich snel afgewezen en verwaarloosd. Door haar halfbroers en zusters heeft ze zich nooit geaccepteerd gevoeld. Ze had immers als enige een andere vader. Dorothy vertelt ook dat zij altijd problemen heeft met autoriteiten. Ooit is ze wel eens bij een psychiater is geweest, maar daar is zij weggegaan, want dat hielp toch niet. Trouwens, helemaal niets heeft nog zin, het maakte allemaal niets uit, zegt ze. Op de vraag wat zij zou willen verbeteren in haar leven, komt meteen een vastberaden antwoord: ik wil werken en financieel onafhankelijk zijn. Maar ze zegt er meteen bij dat ze op dit moment zo opgefokt is dat ze geen enkele baan kan krijgen door al haar problemen. Ze blijkt eerder cliënt bij de schuldhulpverlening te zijn geweest, maar is daar weggestuurd omdat ze 'verbaal agressief' was. 'Ik begreep gewoon niet wat zij bedoelden', verontschuldigt ze zich. Ook het maatschappelijk werk zegt haar niet te kunnen helpen. Volgens hen moet zij eerst naar een psychiater. Met de Sociale Dienst is het contact ook al eens misgelopen, omdat er binnen de kortste keren ruzie was. 'Iedereen denkt dat ik gek ben', zegt Dorothy. 'Ik zie geen uitweg meer. Iedereen laat me in de steek.' Toch wil ze samen met mij een plan maken met als uiteindelijk doel een baan te vinden. We besluiten te beginnen met het herstellen van het contact met schuldhulpverlening. Ik leg uit wat er aan de hand was en Dorothy mag, onder voorwaarden, weer terugkomen. Dat is stap één. Stap twee is dat ze nu echt in haar enorme berg administratie moet duiken om alle benodigde documenten bij elkaar te zoeken en andere stukken moet gaan opvragen bij de juiste instanties. Het is een enorme klus. 20 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 In het begin durft ze de instanties niet zelf te bellen. Ze luistert wel mee als ik bel en merkt dat ik veel zaken geregeld krijg door beleefd en vooral rustig te blijven aan de telefoon. Instanties blijken bereid om mee te werken en mee te helpen bij het bedenken van oplossingen. Gaandeweg ga ik dit soort telefoongesprekken samen met Dorothy voorbereiden en op den duur gaat zij steeds meer zaken zelf regelen. Stapje voor stapje verandert haar houding en krijgt ze meer zelfvertrouwen. Hierdoor neemt ze steeds meer initiatief om dingen zelf te doen. Inmiddels is ze door schuldhulpverlening begeleid naar een WSNP traject. Dat betekent dat er een bewindvoerder is aangesteld die voor drie jaar haar inkomen beheert. Dorothy betaalt hiervoor een bedrag aan de bewindvoerder, maar het grote voordeel is dat ze straks schuldenvrij is. In eerste instantie wil ze geen ondersteuning bij haar psychologische problemen. Toch lukt het me haar te motiveren om contact op te nemen met haar huisarts. De arts verwijst haar door naar een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, die vervolgens zes gesprekken met haar heeft. Het is voorlopig voldoende om meer inzicht te krijgen in zichzelf. Ze leert inzien wat voor effect haar vaak agressieve gedrag heeft op andere mensen. Dorothy krijgt bovendien begeleiding van een reïntegratiebureau van de Sociale Dienst. Ze moet actief op zoek naar werk. Maar omdat ze zo'n slecht gebit heeft, krijgt ze sterk het idee dat ze hierdoor steeds wordt afgewezen bij sollicitaties. Het maakt haar erg onzeker. Samen vragen we een fonds bij de sociale raadslieden zodat haar gebit kan worden gesaneerd. Er is zoveel geld mee gemoeid dat ze dit niet zelf kan betalen. Inmiddels ziet haar gebit er goed uit en dat komt haar zelfvertrouwen zeer ten goede. Na de gebitssanering heeft Dorothy genoeg moed gevat om te solliciteren naar een baan als baliemedewerker. Ze wordt prompt aangenomen voor de functie! De alleenstaande ouderuitkering kan ze vaarwel zeggen. Wel is er dringend kinderopvang nodig nu ze werkt. Ik informeer haar over de mogelijkheden, waarna ze het verder allemaal zelf regelt. Het gaat veel beter met de kinderen: in samenwerking met het sportteam Sciandri zijn ze aangemeld voor het Jeugdsportfonds. Dit fonds betaalt de contributie van een sportvereniging en de sportkleding voor de ouders van kinderen die van een minimuminkomen rond moeten komen. De kinderen zitten nu alledrie op een sportclub. Ook van school komen geluiden dat de kinderen zich beter kunnen concentreren en beter contact hebben met anderen. Dorothy zegt zich een stuk beter te voelen. Ze voelt zich niet meer bedreigd als ze buiten in de buurt loopt. Als je een goed leven wilt, zul je zelf in actie moet komen, is haar devies. Ze zegt dat ze zich een onderdeel voelt van de maatschappij en dat zij hierdoor weer meer aandacht krijgt voor haar omgeving en dus ook voor haar buren. Op de sportvereniging van de kinderen ontmoet ze de moeder van een teamgenoot van haar zoontje, die in dezelfde buurt blijkt te wonen. De moeders bezoeken elkaar regelmatig. Dorothy is nu volledig zelfstandig. Het gaat goed met haar en de kinderen. Toen ik haar laatst op straat tegenkwam, vertelde ze trots dat haar zoontje in zijn eerste voetbalwedstrijd een doelpunt had gemaakt. En dat haar dochter tegen haar gezegd: 'Mam, je bent echt veranderd sinds je aan het werk bent. Je bent veel gezelliger en we lachen nu veel meer thuis.' Soudia El Ghazaoui 21 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Amsterdam-Noord borduurt voort op succes bij activering langdurig werklozen Eerst maar eens aan het werk Ook in Amsterdam-Noord is de individuele benadering bij de aanpak van sociale problemen in zwang. Het Stadsdeelbestuur ziet zoveel brood in deze werkwijze dat ze er jaarlijks enkele tonnen voor opzij zet. De bewoneradviseurs die huis aan huis aanbellen willen onder meer weten of de mensen betaald werk hebben. Als dat geregeld is, komt de rest vanzelf wel, is de redenering. IBAN, zo heet het project dat twee jaar geleden in Noord werd gestart. De afkorting staat voor Individueel Bewonersadvies Amsterdam Noord. IBAN is actief in De Banne, Niewendam-Noord en Oud-Noord, met name in Vogeldorp. De eerste twee zijn stedelijke vernieuwingsgebieden. Met geld uit de pot voor grote stedenbeleid worden beide nieuwbouwwijken uit de jaren zeventig grondig vernieuwd. Zo'n 3000 woningen gaan hier de komende jaren tegen de vlakte om plaats te maken voor nieuwe koop- en huurwoningen. Behalve de woningvoorraad worden ook de voorzieningen aangepakt. De winkelcentra worden volledig vernieuwd en er komt een nieuwe dienstencentrum. Zo'n dertigduizend bewoners staan aan de vooravond van een ingrijpende vernieuwing van hun woonomgeving. Een deel van hen heeft dit circus overigens al eens meegemaakt. Ze kwamen vanuit wijken als de Bijlmer en Slotervaart naar Noord omdat daar de stedelijke vernieuwing al eerder werd ingezet en ze niet in aanmerking kwamen voor de dure nieuwbouw die in de plaats kwam van hun goedkope huurwoning. Het zijn niet bepaald de meest kansrijke Amsterdammers, deze relatief nieuwe bewoners van Noord, weet Oktay Aslan, projectleider van IBAN. Dat kan hij opmaken uit de rapportages van zijn medewerkers die achter de voordeur kijken en daar vaak stuiten op niet één, maar een hele reeks problemen die met elkaar samenhangen: geen 22 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 werk, een lage opleiding, vaak schulden, gezondheidsklachten, problemen met de opvoeding van de kinderen en noem verder maar op. Ruimhartig Dat de stedelijke vernieuwing gepaard gaat met aandacht voor de sociale problematiek, is volgens Aslan een trend van de laatste jaren. Dat geldt althans voor Amsterdam-Noord. 'Pas de laatste twee jaar, nu de vernieuwingsplannen rond zijn, groeit hier het besef dat er meer aandacht moet komen voor de sociale kant van de zaak, voor de mensen in de wijken en hun problemen.' Mogelijk is het toe te schrijven aan de wet van de remmende voorsprong, zeker is dat de achterstand in Noord snel wordt ingehaald door de structurele aanpak en ruimhartige financiering van de sociale peiler.Het IBAN-team wordt volledig uit stadsdeelgelden betaald en groeide in krap twee jaar van twee tot acht bewonersadviseurs. Over de beste aanpak om de sociale problematiek in kaart te brengen en te lijf te gaan hoefde niet lang te worden nagedacht. Het Stadsdeel greep dankbaar terug op de methode die in de jaren negentig met succes werd gehanteerd bij de activering van langdurig werklozen. Ook toen al bleek de individuele maatgerichte benadering het beste te werken. In Noord werden mensen die al lange tijd buiten het arbeidsproces stonden thuis opgezocht en werd er net zo lang bemiddeld tot ze aan het werk waren. Honderden werklozen werden op deze manier aan een (gesubsidieerde) baan geholpen. Nadat Den Haag grotendeels een einde had gemaakt aan het gesubsidieerde werk, werd de aandacht verlegd naar niet-uitkeringsgerechtigden met een laag inkomen. Niets nieuws onder de zon dus. In Noord was de huis-aan-huisaanpak al ruimschoots bekend, lang voordat IBAN op poten werd gezet. Het is geen toeval dat, gelet op dit verleden, in Amsterdam-Noord het credo nog altijd luidt: werk, werk en nog eens werk. Gat Terwijl de benadering in wijken als Slotervaart en De Baarsjes veel algemener is, lijkt men in Noord bijna gefixeerd op werk en werkgelegenheid. Vanwaar deze radicale prioriteitstel ling? Oktay Aslan formuleert het voorzichtig. IBAN springt in het gat dat anderen laten liggen, stelt hij. Hij wil absoluut geen motie van wantrouwen uitspreken tegen instanties die zich met werk bezighouden, maar wijst op een verschuiving in de taken die ongunstig uitpakt voor laagopgeleide werklozen die de IBANadviseurs in groten getale tegenkomen. 'Het CWI doet geweldig werk, maar ik constateer dat de afgelopen jaren de aandacht voor begeleiding naar werk sterk is afgenomen. De CWI's doen tegenwoordig vooral aan intake voor UWV en Sociale Dienst en halen veel minder vacatures binnen dan vroeger. En de uitzendbureaus? Die richten zich vooral op de allerbesten.'Een tweede belangrijke reden om te focussen op werk en niet op welzijn en zorg is dat de dienstverlening op die terreinen al optima forma is, volgens Aslan. 'Er gebeurt al zoveel in de Banne en Nieuwendam. Het is bijna overgeorganiseerd. Bewoners hebben, ook op buurtniveau, een scala aan mogelijkheden waar ze gebruik van kunnen maken. Dat geldt minder als het gaat om voorzieningen die met werk te maken hebben. De instanties die zich hiermee bezighouden werken sowieso niet buurtgericht.' En tenslotte is er nog de kip/ei kwestie die meespeelt. Werkloosheid is een bron voor veel sociale problemen, werk daarentegen een belangrijke voorwaarde om die problemen uit te bannen, stelt Aslan. 'Als je iemand aan het werk helpt, is de kans veel groter dat de persoon in kwestie snel en efficiënt van bijkomende andere problemen afkomt. Let wel: de kans is groot, het hoeft natuurlijk niet per se zo te zijn. Er zijn ook nog genoeg mensen met een baan die in de ellende zitten.'Ondanks de duidelijke gerichtheid op werk, is ook voor IBAN de vraaggerichte benadering heilig, zegt Aslan. 'Natuurlijk, de bewoner en zijn vragen staan altijd centraal. Zij bepalen uiteindelijk de richting van de dienstverlening. Maar we proberen wel te sturen in de richting van werk. Dat is ook het voordeel als je werkt met adviseurs die uit die wereld komen en er heel veel van afweten. Als het om andere zaken gaat, ver wijzen we naar andere instellingen.' 23 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Geen cent Opvallend is dat het Stadsdeelbestuur niet alleen met de mond belijdt dat ze de sociale problemen wenst aan te pakken, maar er ook daadwerkelijk geld voor over heeft. En dan niet eenmalig, maar structureel, jaar in jaar uit. Noord kent een eigen werkgelegenheidsfonds van twee miljoen dat de financiële bron vormt voor activiteiten die tot werk moeten leiden. Volgens Aslan is dat een logische keus, die meer stadsdelen zouden moeten maken. Tot zijn verbazing bespeurt hij weinig initiatief op dit gebied. En hij begrijpt het ook wel een beetje: 'Het lastige is dat je als Stadsdeel aan de ene kant alle narigheid ondervindt van de werkloosheid, maar aan de andere kant geen middelen en bevoegdheden krijgt om er iets tegen te doen. De centrale stad besteedt jaarlijks één miljard aan werk en werkgerelateerde zaken zoals uitkeringen en reintegratietrajecten, maar de Stadsdelen krijgen daarvan geen ene cent. Dat klopt van geen kant.' Amsterdam-Noord trekt als een van de weinige stadsdelen structureel geld uit voor werkgelegenheidszaken, volgens Aslan. 'De stadsdeelbegroting is een weerspiegeling van de noden van het stadsdeel Dan moet je toch middelen beschikbaar stellen voor dit soort zaken?' Aslan benadrukt dat de positionering van dit soort projecten van groot belang is. `Ik vind dat ze ingebet moeten zijn in de Stadsdelen zoals hier in Noord.' De adviseurs van IBAN zijn dus ambtenaar en hoeven zich op korte termijn geen zorgen te maken over aanstellingen of andere zaken die de aandacht van het werk kunnen afleiden. De baas van IBAN is trots op zijn team dat bestaat uit mensen die veel ervaring hebben in de arb e i d s t o e l e i d i n g , de uitkeringswereld en de maatschappelijke dienstverlening. Hoewel ze inmiddels met z'n achten zijn, is het toch iets te veel van het goede om alle huizen in de drie wijken af te lopen. Ook in Noord wordt dus geselecteerd. IBAN gaat daarbij uit van de eigen w a a r n e m i n g e n en gegevens die al bij het Stadsdeel bekend zijn. Deze kennis wordt getoetst aan die van het buurtbeheer en de corporaties om te weten te komen in welke straten, flats en galerijen, de meest uitgesproken problematiek te verwachten valt. De adviseurs bellen huis aan huis aan, vragen of een gesprek gelegen komt of maken een aparte afs p r a a k , desgewenst op het kantoortje van IBAN in het oude deel van Noord. In de Banne en Nieuwendam-Noord kunnen bewoners zich ook vervoegen op het wekelijkse spreekuur waarvoor de plaatselijke school wordt benut. Ook bewoners die in de wijk zijn komen wonen nadat de bewonersadviseurs er hun ronde hebben gemaakt, worden niet vergeten. Nieuwe bewoners worden onmiddellijk getraceerd met behulp van de maandelijkse bestandsuitdraai van de afdeling burgerzaken van het Stadsdeel. Dooddoener Afwijkend van de huis-aan-huis aanpak in andere delen van Amsterdam is het ontbreken in Noord van een back office. Waar men in wijken als De Baarsjes en Slotervaart zweert bij het bestaan van zo'n hecht georganiseerde achterwacht van instellingen, houdt IBAN de inzet beperkt tot die van de eigen adviseurs. Waarom geen back office in Noord? Omdat wij sterk de voorkeur geven aan het overleg tussen uitvoerende medewerkers, reageert Aslan. 'Ik heb het zelf te vaak meegemaakt dat er heel veel tijd in overleg wordt gestoken zonder dat het iets oplevert. Mijn medewerkers hebben prima contacten met de uitvoerende werkers b i j de instellingen. Dat is de belangrijkste voorwaarde voor succes.' Het veelgehoorde argument dat een back office nodig is om de instellingen beter te laten samenwerken en de lijnen korter te maken, wimpelt hij af als een dooddoener. 'Je maakt de lijnen met al dat o v e r l e g alleen maar langer. Een IBANmedewerker heeft alle mogelijkheden om direct contact op te nemen met de instellingsmedewerker op uitvoerend niveau. Dan ben je er toch?' Er is voor Aslan nog een doorslaggevende reden om geen back office in te stellen. Hij wil zijn medewerkers alle ruimte geven om in de wijken te kunnen opereren. Een samenwerkingsverband met instellingen legt die vrijheid en flexibiliteit van de bewonersadviseur alleen maar aan banden, vreest hij. 'Nogmaals: waar 24 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 het om gaat is het contact op uitvoerend niveau.' Scoren IBAN legt de lat hoog, vertelt Aslan. Tot nog toe werden zo'n duizend huishoudens per jaar bereikt door de zes bewonersadviseurs. Nu dat aantal is uitgebreid zullen nog veel meer bewoners een huisbezoek tegemoet kunnen zien. In Noord worden de vorderingen van het project nauwgezet bijgehouden in een registratiesysteem. Aslan toont een ordner vol met A4tjes aan tabellen waarin de resultaten van de interacties zijn vastgelegd. 'Dat ben je wel verplicht als je Europees geld krijgt', zegt de projectleider. Alle handelingen van de bewonersadviseurs worden geanalyseerd en geboekhoud als acties, zoals actie inkomen, actie werk en actie leefbaarheid. Eenmalig informatie geven over bijvoorbeeld een taalcursus, rekent IBAN niet als resultaat. Om te scoren moeten de adviezen aantoonbaar leiden tot een betaalde baan, een opleiding of een andere concrete stap in de richting van zelfredzaamheid, vertelt Aslan. En dat blijkt in de praktijk lang niet altijd mee te vallen. 'Met een enkel gesprek ben je er nog lang niet. Je moet meerdere keren met iemand praten, wil zo'n actie zin hebben.' Het afgelopen jaar meldden zich, dankzij het stug aanhouden van bewonersadviseurs, zeventig mensen op een taalcursus. Aslan beschouwt dit, gezien de moeite die het kost om mensen te motiveren en over de streep te trekken, als een uitmuntend resultaat. Standaardprocedure is dat verwijzingen worden gecontroleerd. IBAN wil zeker weten of de mensen goed terecht komen. De stadsdeelraad besloot onlangs dat mensen die aan het werk zijn gekomen, nog zeker een jaar gevolgd dienen te worden. Op die manier kan een goed zicht worden verkregen op mogelijke uitvallers. Overheidstaak H e t huis-aan-huisproject is in AmsterdamNoord dus een integraal onderdeel van het Stadsdeel. Het zijn geen vertegenwoordigers van de woningcorporatie of medewerkers van een particuliere instelling, maar pure over heidsdienaren die bij de bewoners aanbellen. Wordt dit niet gezien als een misplaatste vorm van bemoeizucht met de burger. Krijgen de bewonersadviseurs dan nooit de vraag wat ze eigenlijk komen doen? Volgens Aslan is het tegenovergestelde het geval en zijn de huisbezoeken een probaat middel om de kloof tussen overheid en burger kleiner te maken. De reacties in Noord zijn bijna zonder uitzondering positief, beweert hij. 'Bewoners krijgen weer het gevoel dat de overheid er voor hen is, dat de overheid hen niet langer in de kou laat staan. In onze evaluatieverslagen kun je overal lezen dat bewoners het erg op prijs stellen dat het Stadsdeel interesse in hen toont en op bezoek komt. Ook als ze geen vragen of problemen hebben. Bovendien: deelname is vrijwillig. Als mensen echt niet willen praten, houdt het op.'De individuele benadering van bewoners is een duidelijke overheidstaak, vindt Oktay Aslan dan ook. Alleen om puur praktische reden al zou het volgens hem lastig zijn de corporaties met deze klus op te zadelen. 'Daarvoor is het woningbezit veel te versnipperd. In Noord opereren zo'n zeventien corporaties. Van een systematische aanpak zou niet veel overblijven.' En, zegt Aslan, corporaties hebben niet veel bevoegdheden buiten de woning. Wat moeten ze aan met problemen rond zwerfvuil of sociale veiligheid? Dan zit je toch al weer snel op het domein van de overheid. Daarmee geeft hij tegelijkertijd aan dat de adviseurs van IBAN heel wat meer doen dan alleen mensen aan het werk helpen. Tijdens de huisbezoeken krijgen ze een heel arsenaal aan klachten en vragen over zich heen die deels dus ook buiten de deur liggen. Aslan erkent het gevaar dat die zaken, als je niet oppast, de aandacht afleiden van de individuele problemen van de mensen. Hoe voorkom je dat de adviseurs binnen de kortste keren meer opbouwwerker of buurtregisseur zijn dan arbeidstoeleider? Aslan: 'Natuurlijk is leefbaarheid een item. Het stadsdeelbestuur wil daaraan veel aandacht geven. Maar de bewonersadviseurs letten op de eerste plaats op de sociale problemen achter de schermen en dan nog met name op het thema werk.' 25 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 De problemen en frustraties over de woonom geving komen terecht op een groslijst die naar het stadsdeelbestuur wordt gestuurd. Dan gaat het uiteraard niet om elke willekeurige klacht of opmerking, maar om hardnekkige problemen die veel bewoners een doorn in het oog zijn. De verantwoordelijk portefeuillehouder kaart deze zaken vervolgens aan bij de instantie die voor een oplossing verantwoordelijk mag worden geacht en dat levert zowaar af en toe een concreet resultaat op. Zo werd de bezetting van het Jongerenloket flink uitgebreid nadat w a s gerapporteerd over het grote aantal werkloze jongeren die de bewonersadviseurs in Noord tegenkwamen. IBAN lijkt het in Noord aardig voor elkaar te hebben. Met de stevige steun van het stadsdeelbestuur, een flinke zak met geld en een enthousiast team worden heel aardige resultaten geboekt waarvan misschien wel het belangrijkste is dat mensen weer een beetje vertrouwen gaan krijgen in de lokale overheid. Toch is Oktay Aslan er de persoon niet naar om al te zeer te hechten aan bereikte resultaten en gevestigde posities. 'Als we niet meer nodig zijn, dan moeten we de boel gewoon opheffen', zegt hij nuchter. 'We moeten als project vooral niet proberen een vaste plek te krijgen. Een apparaat binnen het apparaat te worden.' Hij zal een van de weinige projectleiders zijn die eerder bang is voor uitbreiding dan voor krimp. 'Ik moet eerlijk zeggen dat ik niets zie in verdere groei van dit project. Wij zouden het liefst zien dat we overbodig worden.' 26 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Het voordeel van de twijfel Wat levert de huis-aan-huisaanpak nu precies op? Vallen de resultaten te meten? Stefan Metaal, onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam, nam de projecten in Slotervaart, GeuzenveldSlotermeer, De Baarsjes en Osdorp onder de wetenschappelijke loep. Hij interviewde tientallen professio-nals, maar sprak ook met bewoners. De voorzichtige conclusie van Metaal is dat de aanpak zorgt voor verbetering van de situatie van bewoners in de onderzochte wijken. Tijdens de bijeenkomst van KennisNetwerk Amsterdam lichtte hij zijn bevindingen toe. 'Allereerst moet je constateren dat er in de wijken waar de huis-aan-huisaanpak wordt toegepast een aanzienlijk sociale opgave ligt. De problemen hier zijn omvangrijk en de intensiteit ervan neemt alleen nog maar toe. Er moet dus meer gebeuren dan deze problemen uitsluitend benoemen en signaleren. Blijkbaar werkt de reguliere aanpak om de sociale problemen in deze wijken op te lossen niet meer goed en moet er een andere manier van benaderen worden gekozen. De huis-aan-huisaanpak zoals ik die ben tegengekomen, doet een beetje denken aan bemoeizorg, een soort modern paternalisme. Dat klink heel streng, maar valt in de praktijk erg mee. De werkwijze zoals ik heb onderzocht is zeker doortastend te noemen. Op een slimme manier wordt geprobeerd bij bewoners achter de voordeur te kijken. Uiteindelijk gaat het echter altijd om verleiding, niet om dwang. Mensen worden verleid, uitgenodigd, overgehaald om mee te doen en dat is toch iets heel anders dan hard op de deur bonzen. Dat is een cruciaal verschil. Een gemeenschappelijk kenmerk van de huis-aan-huisaanpak in de onderzochte wijken is de voortdurende aanspreekbaarheid van de professionals. Ze werken vanuit een herkenbare plek in de wijk waar bewoners naar toe kunnen. En die opzet blijkt te werken; praktisch alle bewoners die ik sprak weten waar ze moeten zijn met hun vragen. Overal is de aanpak bijzonder laagdrempelig en uitnodigend en gaat het er om de mensen actief te helpen om vooruit te komen. Een concreet resultaat van de huis-aan-huisaanpak is dat het gevoel van onveiligheid onder bewoners in de onderzochte wijken is afgenomen, evenals de mate van overlast. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat dit resultaat deels ook toe te schrijven is aan de gelijktijdige aanpak van de bronnen van overlast, zoals de harde kernjongeren. De combinatie van de aanpak met de stedelijke vernieuwing is een beetje vreemd. Een deel van de bewoners die thuis wordt opgezocht, verdwijnt immers bij sloop en renovatie naar andere wijken. Stedelijke vernieuwing lijkt meer de aanleiding die zorgt voor de nodige goodwill en middelen waarmee het werk kan worden gedaan. Eigenlijk zou niet de stedelijke vernieuwing het criterium moeten zijn om de huis-aan-huisaanpak in te zetten, maar het bestaan van een sociale opgave, een concentratie van sociale problemen. De koppeling aan stedelijke vernieuwing is dus wel begrijpelijk, maar het zou beter zijn om uit te gaan van de actualiteit en de intensiteit van de sociale problematiek. Om de concentratie van problemen op het spoor te komen, zou je naar de statistieken kunnen kijken. Er zijn op dit gebied meerdere monitoren die de situatie in de wijken nauwgezet aangeven. Maar je kunt ook gewoon op eigen waarneming afgaan. En op de signalen van instellingen en instanties die heel goed weten waar 27 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 de problemen het grootst zijn. De vraag is of je de resultaten van de aanpak daadwerkelijk kunt meten. Als onderzoeker ben ik daar ambivalent over. Het kan heel goed zijn dat de bevolkingssamenstelling onafhankelijk van de aanpak totaal wordt gewijzigd. Natuurlijk moet je steeds blijven kijken of de aanpak nut heeft. Afgaande op eigen onderzoek denk ik echter dat de huis-aan-huisaanpak toch zin heeft. Het blijft een groot verschil of instellingen naar de bewoners toegaan of dat ze verstopt blijven in hun kantoren. Deze projecten zijn duur, maar niet te duur. De sociale problematiek in deze concentratie zal hoe dan ook moeten worden aangepakt. Dat kost dus altijd geld.' 28 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Bijlage I Deelnemerslijst bijeenkomst Sociaal Investerren 13 december 2005 Naam Deelnemers Ron Huisman Jurmy Menckeberg Ruud de Beer Emir Mesekiran Odyle Bos Gabriëlle Broer Glenny Sijlbing Anneke van Koert Lies ter Voort Martin Beijer Hanne Ris Samira Maas Kenneth Nelson Jeroen Bouman Henk Tideman Hillechien Meijer Sandy Rappa Dennis Kalijan Margareth Moed Theo Burche Specialisten Ank van Hees Oktay Aslan Marja Hamers Angelique Rondagh Saudia el Ghazaoui Stefan Metaal Dennis Straat Organisatie Functie De Key AWV Dienst Ruimtelijke Ordening OGA OGA OGA Rochdale Opbouwwerk Zeeburg Bestuurs Dienst Amsterdam Bewonersorganisatie AWV AWV Std.Geuzenveld-Slotermeer Geuzenveld OGA De Dageraad Std.Geuzenveld-Slotermeer Std.Geuzenveld-Slotermeer Stadsdeel Zeeburg AWV portefeuillehouder accountmanager complexbeheerder planteam WVS sector dienstverlening en beheer sector dienstverlening en beheer sector dienstverlening en beheer coördinator verkoop Oud Zuid coördinator senior bestuursadviseur bestuurslid gebiedsregisseur stagiaire buurtcoördinator steunpunt Geuzenveld sector dienstverlening en beheer gebiedsontwikkelaar rayon Oost buurtcoördinator buurt 9/10 buurtcoördinator buurt 9/10 bewonersconsulent complexbeheerder De Baarsjes Std.Amsterdam-Noor d St. Welzijn Amersfoort Stadsdeel Slotervaart SIP UvA stadssociologie Stadsdeebestuur Zeeburg assistent projectmanager projectleider IBAN projectleider `Samen Buurten' projectleider SIP bewonersconsulent onderzoeker UvA portefeuillehouder Organisatie Marijn de Smit Ton Bouwman Gelske Martens Hans van der Jagt Jaap Maars Stadsdeel Zeeburg KNA KNA Kwartslag Communicatie Foto Jaap Maars trainee bestuursondersteuning programmaleider programmamedewerker journalist fotograaf 29 Sociaal Investeren, Investeren in mensen, wanneer en met welke opbrengst? 13 december 2005 Bijlage II Literatuurlijst Bureau Parkstad Amsterdam, Een blik vooruit, discussiedocument, vijf jaar vernieuwingsoperatie in Amsterdam Nieuw West: evaluatie en keuzerichtingen, Amsterdam, september 2005. Duyvendak, J.W. e,a, Samen vooruitkomen: Sociaal investeren in de Westelijke Tuinsteden, in: Een ongebonden blik, 7 essays over de vernieuwing in Amsterdam Nieuw West, Parkstad Amsterdam, juni 2005. Engbersen, G., Snel, R., Weltevrede, A., Sociale herovering in Amsterdam en Rotterdam, Een verhaal over twee wijken, Den Haag, WRR, 2004. Jaarverslag Investeren In Mensen: Sociaal Investeringsplan Overtoomse Veld: 2004, Werk in uitvoering, Investeren in 9.200 mensen, Gemeente Amsterdam, stadsdeel Slotervaart, oktober 2005. Prins, P., Sturing en stimulatie van samenwerking in de sociale sector, Gemeentelijke regie bij het samenwerken van organisaties: jazz of klassiek? in: Matrix-Reeks, deel 2, Elsevier, Den Haag 2002. Sayers, R. e.a., Achter de voordeur, Investeren in Mensen: Sociaal Investeringsplan Overtoomse Veld: 2001, stuurgroep Sociaal Investeringsplan Overtoomse Veld Noord Amsterdam, februari 2002. Stadsdeel Amsterdam-Noord, evaluatie 2004 individuele Bewonersaanpak Amsterdam-Noord, gemeente Amsterdam, zonder datum. Stadsdeel de Baarsjes, Plan van aanpak Huisbezoeken Orteliusbuurt Noord, Amsterdam, april 2002. Stadsdeel de Baarsjes, Tussentijdse evaluatie Huisbezoeken Orteliusbuurt Noord, Amsterdam, april 2003. Termeer, C., Königs, M., Vitaliserend procesmanagement, in: Bestuurskunde, nummer 6 jaargang 12 2003. 28");sQ1[25]=new Array("http://www.kennisnetwerk-amsterdam.nl/pdf/cah14_hew.pdf","1_cover.PDF","","De huismeester en de wijkmeester in beeld Verslag van de ronde tafel bijeenkomst 23 maart Cahier 14 KennisNetwerk Amsterdam Amsterdam, April 2004 Ronde tafel: `de huis en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 Inhoud: Inleiding De ogen en de oren van de wijk verslag van een discussie `De Maizena -methode' powerpoint-presentaie in beel 3 5 11 bijdrage van Yvonne Langerhuizen Succes - en faalfactoren Praktijkvoorbeeld 1: Huismeester onmisbaar bij ver beteren leefbaarheid? Praktijkvoorbeeld 2: Wijkmeester in de Venserpolder 13 15 17 Bijlage 1: Lijst van deelnemers Bijlage 2: brochure `Wat kunt u van uw huismeester verwachten?' Colofon 20 21 KennisNetwerk Amsterdam -2- inhoudsopgave Ronde tafel: `de huismeester en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 Inleiding Een goed beheer van semiopenbare ruimtes als portieken, galerijen en boxengangen in woo ncomplexen is een taak waar beheerders en andere functionarissen de handen vol aan hebben. In een aantal gevallen worden der gelijke plekken en ruimtes eenbron van ergernis voor gebruikers zoals de omwonenden, bezoekers, dienstverleners van stadsdelen, eigenaren als woningcorporaties en andere belanghebbende partijen. Zij zien met lede ogen aan dat deze plekken (dreigen te) verloederen omdat niemand zich er specifiek verantwoordelijk voor voelt. De oorzaak zit veelal in de grote diversiteit in leefstijlen en woongedrag van de huidige huurders van de door de corporaties en vastgoedeigenaren in de stad beheerde complexen. Maar ook de toenemende anonimitei van het wonen en t leven in de grote stad is een factor die mee speelt. Buurtbeheerders, buurtcoördinatoren, stads en pleinwachten, wijkagenten, zij allen maken deel uit van een lokale infrastructuur van func tionarissen die samen met bewoners trachten het tij te keren van een driegende verloedering en aantasting van woon- en leefklimaat van buurten en wijken. Het zijn allemaal vormen van toezicht maar dan vanuit verschillende organisaties aangestuurd en gefinancierd. De vraag is hoe je dit werk effect ief aanpakt, wie welke rol speelt en wie waarvoor verantwoo rd e l i j k is. tieken, galerijen en boxengangen in woonco m plexen maar ook de omgeving van de co m plexen. Een kwestie waar meerdere partijen zich al langere tijd het hoofd over breken. Ge bruikers zoals de bewoners en omwonenden van wooncomplexen, bezoekers, dienstverleners van stadsdelen, eigenaren als woningcorporaties en andere belanghebbende partijen, zij allen hebben belang bij het schoon, heel en veilig houden van wooncomplexen en de om geving. Na eerdere experimenten op dit gebied zijn enkele corporaties zo ver dat zij durven spreken van een succesvolle aanpak. Tijd om in vervolg op de bijeenkomst in het Spinnewiel in de Venserpolder meer dan een jaar geleden (zie www.KennisNetwerk -amsterdam.n, l of cahier 9) de Dageraad en het Oosten uit te nodigen om hun a npak te presenteren en te a vertellen wat er bij komt kijken om succesvol te kunnen zijn. Samen met hen hebben we ons gebogen over de volgende vragen: Wat houden deze functies precies in? Welke rol spelen deze functionarissen op het vlak van de leefbaarheid en het buurtbeheer? Wie stuurt hen aan? Hoe zijn de bewoners bij de afspraken en de handhaving van een goed beheer betrokken? Kan deze aanpak elders toegepast worden? Zo ja, welke zijn dan de succes- en faalfactoren? Welke valkuilen moet men omzeilen? En tenslotte mede met het oog op een vervolg: Met welke partijen wordt er verder samengewerkt en wat voor eisen stelt dat aan de (orga nisatie van) samenwerking? Met medewerking van ? Hans Luiten, bestuursvoorzitter stadsdeel ? Bos en Lommer ? Marieke Top, ge iedsontwikkelaar De D ? b a geraad ? Yvonne Langerhuizen, projectleider buur? t beheer Het Oosten ? Hans Blok, coördinator buurtservice stad ? s deel Bos en Lommer ? Toos Kloppenburg, bestuur Palladion ? Onder leiding van Peter Lankhorst, bestuurs voorzitter van KNA hebben we wederom de blik gericht op het beheer van ruimtes als po r- KennisNetwerk Amsterdam -3 - inleiding De Ronde tafel: `de huismeester en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 Bijeenkomst KennisNetwerk over wijkmeesters en huismeesters Ogen en oren van de wijk Zijn de wijkmeesters en de huismeesters het nieuwe tovermiddel in de strijd voor een betere leefbaarheid in wijken en buurten? Zo' veertig deelnemers n aan de bijeenkomst van het KennisNetwerk op 23 maart wisselden daarover van gedachten in de Petruskerk in Bos en Lommer. ` e wijkmeester is voor de D bewoners, maar niet van de bewoners.' Henk Dokter was, om zijn woorden kracht bij te zetten, gaan staan. ` om op zeg. B woners zijn K e ook mondig. Ze kénnen die hangjongeren, want ze wonen óók in de wijk. En als u bang bent hen aan te spreken, dan regel ik het wel... ' Dokter, huismeester in De Baarsjes en Oud West richtte zijn woorden tot Toos Kloppen burg, lid van de bewonersraad Palladion. Die meende een vinger op de zwakke plek in het functioneren van de wijkmeesters en huismee s ters te hebben gelegd: ` e werktijden zijn van 9 D tot 5, terwijl juist 's avonds en in de weekends de problemen ontstaan.' Ze somde de voo rbeelden op ut Amsterdam Noord, in de Banne. i Overlast in de trappenhuizen, hangjongeren, drugsgebruik en milieucrimineel gedrag- olie laten weglopen in het riool... Kloppenburg: ` n E de politie komt niet, als je die belt.' Godshuis Kloppenburgs klacht liet ook An van Geler, de d wijkmeester van de Venserpolder, niet onberoerd. Ook zij wees, net als Dokter op de eigen verantwoordelijkheid van bewoners bij het aanspreken van andere bewoners. Van Gelder: ` ewoners hoeven niet gepamperdte worden.' B Ook een andere huismeester n de zaal liet zich i gelden. Niet pamperen. Optreden was zijn ed vies. `Olie laten weglopen? Een boete. 1500 eu ro.' Met het opvlammende debat kreeg discussie leider Peter Lankhorst, voorzitter van het Ke n nisNetwerk zijn zin. Hij had deelnemers eg vraagd om scherpte. ` ant op die manier kuW n nen we wat leren vanmiddag. Door ook de zaken te benoemen die moeilijk zijn.' KennisNetwerk Amsterdam -5- verslag ronde tafel De Ronde tafel: `de huismeester en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 De wijkmeester en de huismeester in beeld.Dat was de titel van de bijeenkomst die het Kennis Netwerk dinsdag 23 maart 2004 organiseerde in het kader van een serie over Leefbaarheid en buurtbeheer. Zo'n veertig vertegenwoordigers van corporaties, stadsdelen, politie en bewonersorganisaties namen aan de bijeenkomst deel. Plaats van handeling was de Petruskerk in Bos en Lommer. Hoewel de akoestiek het debat danig in de weg leek te zitten ­ een godshuis is immers gebouwd op het uitdragen van Gods woord en niet om in discussie te gaan ­ trokken de deelnemers zich daar geluk kig weinig van aan. Wat kunnen we leren van de ervaringen met de wijkmeesters en de huismeesters in de Venserpolder en OudWest en de Baarsjes? Dat was de voornaamste vraag die gedurende de mi d dag aan bod kwamen. faire -mentaliteit een halt worden toegeroepen. Sommige bewoners denken: &quot;je mag alles, want je wordt toch niet aangesproken.&quot;' Corporaties hebben hun imago nogal eenstegen. Ze zijn van oudsher vooral behept met de zorg om de technische staat van hun woningbezit. De woningbouwverenigingen spelen echter tegenwoordig een veel actievere rol in het verbeteren en in standhouden van de leefbaar heid in buurten. Zo lieten Marieke Top en Yvonne Langenberg, respectievelijk gebiedsontwikkelaar van De D a geraad en projectleider Buurtbeheer BV Huis meesters van het Oosten hun licht schijnen op de ervaringen met de wijkmeesters en hui s meesters. De geluiden over het functioneren van hen stemmen tot optimisme was hun eens luidend oordeel. Top: ` e wijkmeesters zijn D ogen en oren van de wijk.' Afvoerputje In de Venserpolder zijn, sinds begin 2003, twee wijkmeesters actief. Hun aanstelling bij De Da geraad vloeit voort uit een samenwerkingsovereenkomst die vijf corporaties sloten met het stadsdeel Zuidoost. Doel van de overeenkomst: het schoner maken en veiliger maken van de wijk. De inzet van de twee wijkmeesters (An van Gelder en Aart Roos) vormt een belangrijke troef in het tegengaan de verloedering in de wijk. Top schetste hun vierledig taakgebied. Dat is allereerst het informeren van bewoners. Dat gebeurt onder meer via welkomstgesprekken met de nieuwkomers in de wijk. Zo'n 60 procent van de nieuwkomers kreeg de wijkmeesters vorig jaar over de vloer. Top: `De meeste bewoners zijn enthousiast over het bezoek.' Een tweede taak: het signaleren van sociale overlast. Bijvoorbeeld door onjuist gebruik van de woning, het portiek of de tuin, en het betrekken van de verantwoordelijke partijen om de overlast ­ in onder meer de vorm van geluidsover last, burenruzies, vuiloverlast ­ te helpen voorkomen. De controle van de werkzaamheden van de schoonmaakbedrijven vormt het derde taakgebied van de wijkmeesters. Top: ` e D wijkmeesters hebben een korte lin met de j schoonmakers en bij klachten over de schoo n maak is er directe opvolging. Logisch, want dat gaat van: &quot;kijk, hier is het vies, kunnen jullie dat Imago Hans Luiten, bestuursvoorzitter van Bos en Lommer had in zijn introductiepraatje een pri kkelende vraag gesteld. ` oe komt het toch dat H corporaties in de rest van Nederland tien keer zoveel geld uitgeven aan het verbeteren van de leefbaarheid dan corporaties in Amsterdam? Terwijl de problematiek hier een stuk groter is.' Luiten pleitte voor een actiever toezicht op bl o k niveau om de leefbaarheid in de wijken te ver groten. Daarmee kan in zijn ogen de laissez - KennisNetwerk Amsterdam -6- verslag ronde tafel De Ronde tafel: `de huismeester en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 schoonmaken?&quot; Het aantal klachten over de schoonmaak bij de coporaties is afgenomen.' r Successen vier en Een vierde taakgebied vormt de praktische o n dersteuning van bewoners bij initiatieven ten behoeve van de leefbaarheid in de Venserpolder. Top: ` e wijkmeesters worden betrokken D bij initiatieven als de tuinendag in de wijk, ok ninginnedag, buurtfeest, sch onmaakacties en o verschillende kinderactiviteiten.' Top stak niet onder stoelen of banken dat de betrokkenheid van de bewoners een `niet altijd eenvoudig' aspect vormt in het functioneren van de wijkmeesters. De verschillende bewonerscommissies waren geen partij bij de ondertek e ning van het convenant. `De klachten en signa len over de leefbaarheid van de verschillende bewonerscommissies vormden wel de aanleiding tot het convenant' benadrukt ze. ` e su, Jc cessen vieren', hield ze de toehoorders voor. Maak bewoners duidelijk wat er concreet is bereikt. ` en gouden greep' Zo betitelde Top de inzet E . van de wijkmeesters in de Venserpolder. Ze somde de successen op: minder klachten en schonere portieken. Er is meer zicht op de pr o bleempo tieken en de structurele aan acht die r d de portieken krijgen worden de problemen fe fectiever aangepakt. Was de ouderwetse huismeester vooral in de weer met schroevendraaier en bezem, de moderne wijkmeesters hebben vooral baat bij een ander gereedschap, beweerde Top: hun sociale vaardigheden. Het contact met de bewoners: de huisbezoeken, het aanspreken van bewoners, het zoeken naar oplossingen, het onder houden van een netwerk. Top: `Sociale vaa r digheden. Daarop moet je ook werven' Die . strikte eis tilt de kwaliteit van de werkzaamheden van de wijkmeesters en huismeesters ook uit boven het werk van de ID-ers die in het k a der van buurtservice zich met de leefbaarheid bezig hielden. Hans Luiten onderstreepte het belang van een strenge selectie bij het werven van goede wijkmeesters. ` e t all respect hoor, maar we gaan M e op een veel te lieve manier om met het thema leefbaarheid. En dat terwijl die leefbaarheid enorm onder druk staat.' Kloppenburg was het niet met hem eens. ` e ID rs, of MelkertbaD -e ners, hoe je ze ook wilt noemen. Die mensen stonden veel dichter bij de bewoners.' Bindmiddel Yvonne Langerhuizen sloot in haar inleiding over de huismeesters van Het Oosten aan op het betoog van Top. Langerhuizen sprak van De Maizena methode omdat de huismeesters nieuwe stijl als bindmiddel fungeren ni de wijken. Ook Langerhuizen benadrukte het belang van sociale competenties bij het profiel van de huismeesters nieuwe stijl. ` en sociale man. E Maar wel één met een schroevendraaier in zijn achterzak.' Ook Het Oosten prijst zich gelukkig met de aanstelling van de thuismeesters, huismeesters en omgevingsbeheerders. Drie functies die in complexiteit van elkaar verschillen maar g e meen hebben dat ze een belangrijk instrument vormen bij het verbeteren van de leefbaarheid in de buurten. De 3 omgevingsbeheerers van d het Oosten hanteren een methodische aanpak (`wat wil ik over drie maanden hebben b e reikt?'). Daarnaast strekken hun contacten zich ook uit tot andere functionarissen in de wijk (de buurtregisseur). De huismeesters (11 in getal) en thuismeesters (2 in getal en gekoppeld aan 1 specifiek complex) fungeren meer als `vli e gende keep' ` aar juist het feit dat zij hun .M energie allereerst richten op het onderhouds werk, maakt dat je bewoners betrokken krijgt op de leefbaarheid van de buurt', benadrukte Lan gerhuizen. ` ewoners zien dat er wat gebeurt.' B En bewoners komen in actie. Langerhuizen sprak minzaam over enthousiaste buurtbe woners die gewapend met prikkers, onder de bezielende leiding van een huismeester de troep in een buurt te lijf gingen. Bij dit verhaal liepen bij Toos Kloppenburg de rillingen over de rug. Ze vond het te gek voor woorden dat bewoners voor het prikken moeten opdraven. `En waar is de verantwoordelijkheid van het stadsdeel? We hebben het hier over KennisNetwerk Amsterdam -7- verslag ronde tafel De Ronde tafel: `de huismeester en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 het openbare domein. Waarom worden de problemen naar de corp raties en de bewoners o geschoven?' Geen partij Met Kloppenburgs opmerking kwam een onde rliggende vraag bloot te liggen: wie is verant woordelijk voor de leefbaarheid van de openb a re en semi-openbare ruimten? Hans Luiten zag in de aanwezigheid van de wijkmeesters een mooie aansporing van diverse betrokkenen: bewoners, het stadsdeel. ` p O het moment dat er actieve wijkmeesters rond lopen laat de corporatie zien: &quot;wij nemen de leefbaarheid serieus&quot;. Dat kan de katalysator zijn, meende Luiten om `schwung' in de wijk te krijgen. En er gaat sociale controle van uit. `Als je ziet dat de andere partij zijn zaakjes goed voor elkaar heeft, dan schaam je je immers wanneer dat bij jezelf niet het geval is.' Maar hoe zit het met de bewonerscommi sies? s Die waren in De Venserpolder geen partij in het convenant. Waarom eigenlijk niet, klonk uit de zaal? Marieke Top schetste de veranderende samenstelling van de wijk in de afgelopen jaren. len als uitgangspunt voor het convenant he b ben gebruikt. ` r zijn rond de verbetering van de leefbaarheid E in wijken en buurten vele initiatiev n. Maar is er e wel overzicht? Ik mis één punt van waaruit die initiatieven worden gecoördineerd', merkte S u zanne Kohnhorst van Impuls op. Hans Blok, coördinator van de Buurtservice in Bos en Lommer had het antwoord: het stad s deel. `n een casuïstiekoverleg binnen het ove I r leg kan dan het overzicht worden bewaard over alle uitvoerenden. In dat overleg zie je waar de verschillende uitvoerenden mee bezig zijn en waar de verantwoordelijkheid ligt. Discussieleider Lankhorst vroeg zich hardop af of dat niet tot nog meer bureaucratie leidt. Dubbel en dwars Hoe zit het met de overdraagbaarheid van de successen van de wijkmeesters en huismeesters naar andere buurten? Dat gaat niet z o maar, was de conclusie. Volgens Top is het profiel van de wijk van belang bij de afweging of je wijkmeesters inzet. Wat is het percentage corporatiewoningen? Hoeveel eigen huisbezi t ters kent een wijk? Top: ` e moet vooral op J maat opereren. Zeeburg kent een andere pro blematiek dan in De Venserpolder. Die probl emen vereisen dus ook heel andee maatreger len.' Over het geheel genomen overheerste het e n thousiasme over de inzetbaarheid van de wijkmeesters bij het bevorderen van de leefbaar heid in de buurt. Hans Luiten: `Ze verdienen de investering du b bel en dwars terug.' Dat bracht de vraag naar boven wie de wijkmeesters moet financieren? De corporaties, zoals nu gebeurt, of ook de b e woners, bijvoorbeeld als onderdeel van de servicekosten? Niet onlogisch, die bijdrage van bewoners, gezien de gestegen woonvreugde waartoe de inzet van wijkmeesters k an leiden. En als bewoners moeten betalen wordt hun b e lang bij leefbaarheid alleen maar groter. Mari eke Top wees op de nadelen van die constructie. ` ewoners kunnen zich dan vrij gaan voelen aB l lerlei opdrachten te gaan geven aan de wij k meesters. Opdrachten in de trant van: &quot;jij moet bij ons in het portiek komen schoonmaken vanmiddag.' De wijkmeester is voor de bewoners, maar niet van de bewoners.' Ook Van Gelder zag bezwaren: `Je krijgt verschillen. `Er zijn bewoners die zeggen: &quot;wij betalen niet. Wij ` ewonerscommissies zijn actieve bewoners. B Maar ze vertegenwoordigen niet de meerde r heid van de wijk. Dat neemt niet weg dat we goed naar hen hebben geluisterd en de signa KennisNetwerk Amsterdam -8- verslag ronde tafel De Ronde tafel: `de huismeester en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 hebben nooit problemen in onze portiek.&quot; Een constructie met servicekosten is veel te ingewikkeld.' Conclusies Samenvattend kwam voorzitter Lankhorst tot de vaststelling dat in het verleden de fout is gemaakt te veronderstellen dat dit werk door semi-professi onele krachten gedaan zou ku n nen worden. Dat is een misvatting gebl ken. e De door de twee corporaties gepresenteerde modellen maken duidelijk dat een professi onele, goed opgeleide kracht een belangrijke voorwaarde is voor succes. Het constant verkeren met b woners en andere e professi onals werkzaam in de wijk, stelt forse eisen aan de sociale vaardigheden en inzichten van de mensen. Het is verder van het grootste belang duidelijk en consequent te zijn in wat wel en niet aanvaardbaar is. In die zin zijn functionarissen als de huismeester en de wijkmeester als het ware rolmodellen voor de gemiddelde wijkbewoner. Een ander punt dat hij terughaalde was de samenwerking tussen het stadsdeel, de co r poraties dan wel particuliere woningbezitters, de politie, het welzijns- en opbouwwerk en andere betrokkenen. Maak die samenwerking op voorhand niet te breed is de waarschuwing aan gastheer Bos en Lommer. Dat voorkomt veel overleg en het uitblijven van acties en daar gaat het nu om in dit stadsdeel. Aan de slag is het mott , met de goede voorbeelden o die we nu in beeld he ben. b Maar houdt rekening met de maat van de wijk! De hier gepresenteerde voorbeelden zijn niet zondermeer over te zetten op een andere wijk. Er moet rekening gehouden worden met de aard van het woningbestand, de bewoners en hun vermogen tot organisatie, de reeds b e staande plannen en praktijken. Daarop kan worden voortgebouwd met een eigen aanpak die past bij de plaatselijke situatie. Voor een stadsdeelregisseur belangrijke criteria om d a den te kunnen stelle zoals in Bos en Lommer. n Tenslotte is een stelsel van normen en regels nodig waar de verschillende partners hun steun aan geven. Daarvoor is overeenstemming vereist op de verschillende niveaus binnen de deelnemende partijen. Alleen dan wordt een duidelij e lijn ingezet zodat bewoners weten k waar zij aan toe zijn en zich zekerder voelen om ook mee te gaan doen. KennisNetwerk Amsterdam -9- verslag ronde tafel Ronde tafel: `de huismeester en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 De Maizena Methode Door Yvonne Langerhuizen De powerpoint-presentatie in beelden KennisNetwerk Amsterdam - 11 - De Maizena Me hode t Ronde tafel: `de huismeester en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 Succes - en faalfactoren Op 16 januari 2003 vond in het Spinnewiel in de Venserpolder een expertmeeting plaats over het `beheer van semi-openbare ruimtes'in de stad. Op deze bijeenkomst presenteerden de corporaties het Oosten en de Dageraad (mede namens e samenwerkende partners in de Venserpolder) d vernieuwende aanpakken van het beheer. Een van de resultaten van de bijeenkomst was een lijstje `succes- en faalfactoren' voor een succesvolle aanpak1. Opvallend was dat dit lijstje in belangrijke mate overeenkwam met de aanbevelingen uit de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) brochure &quot;Het wonen samen goed geregeld &quot;, een initiatief van de SEV om tot een zogeheten 2 `woonregelwoning' te komen: door bewoners onderling gemaakte en geformaliseerde woonafspaken r over het samen wonen en samen leven, waarbij de ruimte wordt gelaten voor eigenheid in leefstijl. Toen in 2003 waren het nog experimenten, nu een jaar later spreken de betrokken corporaties van een succes. De in de afgelopen periode opgedane kennis inzichten leiden vooral tot een aanvulling op het lijstje en succes - en faalfactoren, zie onderstaand overzicht (de aanvullingen zijn in cursief weergegeven. Succesfactoren ?? De verhuurder stelt in overleg met de bewonersde regels op om het beheer in gede banen te o leiden.. Alleen op deze wijze wordt een stelsel van regels verkregen dat past bij de specifieke situatie van het wooncomplex en is er een voldoende draagvlak en houvast voor de naleving. Een actieve bemoeienis van de verhuurder is van groot b lang. Om het initiatief van de grond te e krijgen, de kennis hoe je tot goede afspraken komt en deinzet van middelen voor een goede naleving van de afspraken gedurende langere tijd. De lokale overheid moet de bewoners duidelijk maken dat zij goede afspraken belang vindt. van Het is een belangrijke steun voor de verschillende partijen als de overheid laat merken dat zij betrokken is. Woon en leefregels strekken zich immers ook uit tot de publieke ruimte waar de overheid de eerst verantwoordelijke is voor een goed leefklimaat. Goede contacten tussen bewoners zijn een vereiste voor een succesvolle aanpak. Deze contacten kunnen ontstaan doordat mensen bij elkaar over de vloer komen. De contacten worden ook bevorderd door van tijd tot tijd iets gezamenlijks te onernemen. De huismeester d kan op dit vlak een stimulerende rol spelen. De verhuurder moet beschikken over een lange adem. De tijd en andere middelen die ingezet worden voor een goed beheer, waaronder een goed contact met zoveel mogelijk bewoners, moeten over langere tijd beschikbaar zijn om de verbeterde situatie ook in stand te ho en. ud Het is van groot belang om te werken met professionele inzet van medewerkers, ondermeer gelet op de eisen die het werk stelt op het vlak van de sociale vaardigheden en het onsequent c vasthouden aan afspraken en regels ongeacht degene die je tegenover je hebt. ?? ?? ?? ?? ?? 1 KennisNetwerk Amsterdam. Beheer van semi openbare ruimtes, tussen trappenhuis en galerij, cahier 9, Amsterdam, februari 2003 2 Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting. &quot;Het wonen samen goed geregeld, Woonafspraken in de praktijk: een verkenning van de woo nregelwoning&quot;, Rotterdam, mei 1999. KennisNetwerk Amsterdam - 13 - Succes- en faalfactoren Ronde tafel: `de huismeester en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 Faalfactoren ?? Het is belangrijk er voor te waken dat de afgesproken regels zó algemeen zijn dat zij voor elk complex van toepassing zijn. Als voorbijgegaan wordt aan de specifieke situatie en omstandigheden van het wooncomplex-waaronder de samenstelling van bewonersgroep is dat een gemiste kans voor een voldoende draagvlak voor de regels. Er zijn geen afspraken over sancties bij het overtreden van de regels. Dit vraag om t moeilijkheden bij het (controleren van) de naleving. Verhuurders hebben door de contracten die zij afsluiten voldoende mogelijkheden om naleving af te dwingen en zo ook voorbeelden te stellen. Er zijn in dit verband ook voorbeelden van beloning van go gedrag die het overwegen ed waard zijn. Het controleren van de naleving is formeel de verantwoordelijkheid van de verhuurder. Bewoners spelen wel een belangrijke rol bij de (sociale) controle op de naleving. Voorkomen moet echter worden dat actieve bewoner s, leden van bewonerscommissies in de rol van de verhuurder stappen en zo hun eigen positie naar de andere huurders ondergraven. Gebrek aan continuïteit is een valkuil bij het toewerken naar een voor verhuurder en huurders gewenste situatie van bewoning. Willen de eenmalige investeringen om een gewenste situatie te creëren niet als sneeuw voor de zon verdwijnen, dan dient vooraf de verhuurder zich een gedegen beeld te vormen van de kosten en inspanningen over een langere periode. ?? ?? ?? KennisNetwerk Amsterdam - 14 - Succes- en faalfactoren Ronde tafel: `de huis en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 Huismeester onmisbaar bij verbeteren leefbaa rheid? De huismeester anno 2004 is niet meer de klusjesman die de dranger repareert. De functie heeft meer sociale componenten gekregen. Volgens Henk Dokter, zelf huismeester/omgevingsbeheerder in Oud -West en De Baarsjes heeft de functie de toekomst. ` e corporatie D laat zien: wij zijn geïnteresseerd in u als bewoner en de staat van ons bezit.' Door Olaf Stomp Een achterdeur van een van de woningen gaat open. Een bejaarde mevrouw stapt op haar balkon die uitko t op de gemeenschappelijke m binnenplaats op de 1e verdieping. Ze vraagt de aandacht van de huismeester door op haar k a potte bezem te wijzen. `nderdaad, u heeft er I een van me tegoed, ik kom zo langs, hoor' , roept huismeester Henk Dokter haar gerust ste llend toe. Tien jaar geleden begon Dokter als huismees ter van een aantal woningcomplexen in stad s deel Oud West. Inmiddels is hij dat ook van acht woningcomplexen in stadsdeel De Baar s jes, waaronder het 31 woningen tellende complex aan de Hudsonhof waar hij me rondleidt. Eigenlijk dekt de term huismeester de lading van zijn functie niet meer, zegt Dokter als we even later in zijn kleine werkkamer bij de ingang van het wooncomplex aan de Hudsonhof zijn beland. ` uismeester, dat associëren mensen H met iemand die controleert of de lampjes overal branden en of de drangers goed zijn bevestigd. Zo is het allang niet meer, ik ben veel breder bezig, socialer ook. En ik ben ook buiten de complexen werkzaam.' Wandelwagen Niet dat hij tegen bewoners snel de term zallaten vallen, maar &quot;Omgevingsbeheerder&quot; is de moderne benaming van zijn functie, maar tegen bewoners zal hij die term niet snel gebruiken. De verandering van de invulling van de functie én de benaming past in het beleid van woning bouwvereniging Het Oosten. De corporatie signaleert de laatste jaren een verminderde be trokkenheid bij bewoners en gebruikers van gemeenschappelijke of algemene ruimten­ alles voor en naast de voordeur van een woning ­ en de openbare of publieke ruimte (de ruimte rond een compl x). Het Oosten ziet de omg e e vingsbeheerder als `een sterk en overtuigend beheersinstrument in een woongebouw of complex. (... ) heeft kennis van zaken, kent de klanten goed, kent het gebouw en is onde eel rd van een ondersteunend netwerk', aldus de co r poratie in een recente beleidsnotitie. Dokter voldoet zeker aan dat profiel. Hij is een bekende in de wijk. Gold dat voor Oud est, -W dat hij immers al lang als werkterrein heeft, ook binnen zijn territorium in De Baarsjes weten de bewoners Dokter te vinden. Tijde s het intern view steekt een bewoner zijn hoofd om de deur om de huismeester te attenderen op hinderlijke obstakels voor zijn voordeur op de tweede woonlaag: twee fietsen en een wandelwagen. Dokter zegt toe de eigenaar straks aan te spr e ken. Loopjongen Dokter is niet bang de loopjongen voor de be woners te worden in kwesties waar eigen actie even logisch zou zijn. `Laatst attendeerde ei mand mij dat de boomwortels de bestrating omhoog drukt in een straat waar veel bejaarde mensen wonen. Dan wil ik best éé keer het n stadsdeel bellen, maar wijs zo'n man op zijn verantwoordelijkheid dat voortaan zelf te doen.' Niet dat hij het erg vindt aangesproken te wor den. Het hoort bij zijn functie. `k ben herken I baar, loop in bedrijfskleding. En vaak zijn de lijntjes naar instanties voor mij als omgeving s beheerder korter.' Bewoners aanspreken op hun gedrag. Aanspreken op het naleven van de leefr gels in de e semi-openbare ruimten. Het zijn blangrijke as e pecten binnen Dokters functie. Bijna nooit stuit hij op onwil. ` ls ik netjes vraag een fiets in de A box te zetten en niet in de gang, dan stuit dat wel eens op weerstand. Maar als ik uitleg dat het rommelig staat en dat het anderen uitnodigt om ook hun fietsen daar maar neer te zetten, is er begrip.' Begrip alom. Maar controle blijft nodig, erkent Dokter. `k merk het als ik terugkom van vakan I tie. In de tussentijd heeft men het dan niet zo nauw genomen met de huisregels.' KennisNetwerk Amsterdam - 15 - Huismeester in de Baarsjes Ronde tafel: `de huis en de wijkmeester in beeld' 23 maart 2004 Sigarettenpeuken Is het eigenlijk geen teken van contactarmoede dat bewoners een huismeester nodig hebben om hun medebewoners aan te spreken op hun gedrag? Dat kunnen ze toch zelf? Dokter: `k I werk hier al tien jaar en vraag het standaard: &quot;Heb je je buurman zelf al aangesproken?&quot; &quot;Dat heb ik al gedaan, maar ze luisteren niet&quot;, is dan vaak het antwoord. Als ik vervolgens betreffende bewoner aanspreek op het akkefietje waar het om gaat, blijkt dat er nog helemaal geen contact is geweest tussen beiden.' Dokter wijt het vermijdingsgedrag aan de angst voor de reactie van de ander. `Mensen willen verhou dingen niet verstoren. Ze moeten verder met hun buren.' Dokter schudt de voorbeelden uit zijn mouw om dit punt toe te lichten. `Vanoc tend nog. Iemand h klaagde over zijn bovenbuurman. &quot;Hartstikke aardige man hoor, maar hij rookt op het balkon en gooit zijn sigarettenpeuken bij mij in de tuin.&quot; Toen ík er wat van zei, vond de buurman dat geen punt. &quot;Ja, dat doe ik wel eens. Stom, ik zal het voortaan laten&quot;.' Communicatie. Contact. Dokter merkt dat veel problemen rond overlast verdwijnen op het moment dat m nsen elkaar dúrven aan te spree ken. Angst voor het onbekende speelt mensen ook nog wel eens parten, meent de omge vingsbeheerder. `Ik kreeg een melding over hanggroepjongeren in de Bilderdijkstraat en de Da Costakade. Die jongens woonden daar. Ik zei tegen de bewoners: &quot;spreek ze aan, het zijn medebewoners&quot;. Als de anonimiteit verdwijnt, als mensen elkaar kennen, is er veel gewo n nen.' Nieuwe buurman Toch is het vreemd dat regels in de omgang die we vroeger zo vanzelfsprekend vonden zijn verdwenen' consta teert Dokter met oprechte verbazing. `Laatst kwam iemand me om raad vragen. &quot;Ik heb een nieuwe buurman, wat denk je? Zal ik naar hem toegaan om kennis te ma ken?&quot;' &quot;Ja, ga maar kennismaken&quot;, heb ik eg zegd. Stel je voor dat er ooit sprake is van overlast, in dat geval is het een stuk gemakkejker li om naar ze toe te gaan voor een gesprek.' Dokter signaleert grote verschillen in de twee werkgebieden. In OudWest, `zeker in het deel dat ik beheer' zijn de bewoners van oudsher , met de buurt begaan. Logisch, eris veel particulier woningbezit en er is weinig verloop.' In De Baarsjes is minder saamhorigheid. Het pe rcentage sociale woningbouw is aanmerkelijk groter dan in OudWest. ` e wijk is rommeliger' D . Toch merkte Dokter aan den lijve hoe snel de betrokkenheid van bewoners kan verbeteren. Hij kreeg er, op eigen verzoek, vorig jaar twee complexen in beheer bij in De Baarsjes (Bal - boastraat / Cabralstraat). Er werd veel ingebroken in de boxen, het aantal vernielingen was niet meer te tellen. Dokter: ` n bewone E rs klaagden niet eens want er werd toch niks met de klachten gedaan.' Het aanbrengen van antiinbraakstrips, een frequentere schoonmaak van het complex, zorg den voor een verfrissende facelift. Dokter: `Ve rvolgens was de vraag: moeten we bewoners een bijdrage gaan vragen voor de frequente aanwezigheid van een omgevingsbeheerder? En wat bleek: in vrij korte tijd was zo'n 60 pr o cent bereid een vrijwillige bijdrage te bet len.' a Volgens Dokter hét bewijs dat als bewoners het resultaat zien van de aanwezigheid van een omgevingsbeheerder, ze daar ook hun porte monnee voor willen trekken. ` r waren geen nE 